BRIEVEN

Romeinen 11

Πρὸς Ῥωμαίους
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
λεγωουνμηαπωσατοοθεοςτονλαοναυτουμηγενοιτοκαιγαρεγωισραηλιτηςειμιεκσπερματοςαβρααμφυληςβενιαμιν
STATEN

Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.

2
ουκαπωσατοοθεοςτονλαοναυτουονπροεγνωηουκοιδατεενηλιατιλεγειηγραφηωςεντυγχανειτωθεωκατατουισραηλλεγων
STATEN

God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elía, hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende:

3
κυριετουςπροφηταςσουαπεκτεινανκαιταθυσιαστηριασουκατεσκαqανκαγωυπελειφθηνμονοςκαιζητουσιντηνqυχηνμου
STATEN

Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.

4
αλλατιλεγειαυτωοχρηματισμοςκατελιπονεμαυτωεπτακισχιλιουςανδραςοιτινεςουκεκαμqανγονυτηβααλ
STATEN

Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.

5
ουτωςουνκαιεντωνυνκαιρωλειμμακατεκλογηνχαριτοςγεγονεν
STATEN

Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.

6
ειδεχαριτιουκετιεξεργωνεπειηχαριςουκετιγινεταιχαριςειδεεξεργωνουκετιεστινχαριςεπειτοεργονουκετιεστινεργον
STATEN

En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.

7
τιουνοεπιζητειισραηλτουτουουκεπετυχενηδεεκλογηεπετυχενοιδελοιποιεπωρωθησαν
STATEN

Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.

8
καθωςγεγραπταιεδωκεναυτοιςοθεοςπνευμακατανυξεωςοφθαλμουςτουμηβλεπεινκαιωτατουμηακουεινεωςτηςσημερονημερας
STATEN

(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.

9
καιδαβιδλεγειγενηθητωητραπεζααυτωνειςπαγιδακαιειςθηρανκαιειςσκανδαλονκαιειςανταποδομααυτοις
STATEN

En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.

10
σκοτισθητωσανοιοφθαλμοιαυτωντουμηβλεπεινκαιτοννωτοναυτωνδιαπαντοςσυγκαμqον
STATEN

Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.

11
λεγωουνμηεπταισανιναπεσωσινμηγενοιτοαλλατωαυτωνπαραπτωματιησωτηριατοιςεθνεσινειςτοπαραζηλωσαιαυτους
STATEN

Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.

12
ειδετοπαραπτωμααυτωνπλουτοςκοσμουκαιτοηττημααυτωνπλουτοςεθνωνποσωμαλλοντοπληρωμααυτων
STATEN

En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

13
υμινγαρλεγωτοιςεθνεσινεφοσονμενειμιεγωεθνωναποστολοςτηνδιακονιανμουδοξαζω
STATEN

Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;

14
ειπωςπαραζηλωσωμουτηνσαρκακαισωσωτιναςεξαυτων
STATEN

Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht.

15
ειγαρηαποβοληαυτωνκαταλλαγηκοσμουτιςηπροσληqιςειμηζωηεκνεκρων
STATEN

Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?

16
ειδεηαπαρχηαγιακαιτοφυραμακαιειηριζααγιακαιοικλαδοι
STATEN

En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.

17
ειδετινεςτωνκλαδωνεξεκλασθησανσυδεαγριελαιοςωνενεκεντρισθηςεναυτοιςκαισυγκοινωνοςτηςριζηςκαιτηςπιοτητοςτηςελαιαςεγενου
STATEN

En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,

18
μηκατακαυχωτωνκλαδωνειδεκατακαυχασαιουσυτηνριζανβασταζειςαλληριζασε
STATEN

Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.

19
ερειςουνεξεκλασθησανοικλαδοιιναεγωεγκεντρισθω
STATEN

Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden.

20
καλωςτηαπιστιαεξεκλασθησανσυδετηπιστειεστηκαςμηυqηλοφρονειαλλαφοβου
STATEN

Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.

21
ειγαροθεοςτωνκαταφυσινκλαδωνουκεφεισατομηπωςουδεσουφεισηται
STATEN

Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare.

22
ιδεουνχρηστοτητακαιαποτομιανθεουεπιμεντουςπεσονταςαποτομιανεπιδεσεχρηστοτηταεανεπιμεινηςτηχρηστοτητιεπεικαισυεκκοπηση
STATEN

Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden.

23
καιεκεινοιδεεανμηεπιμεινωσιντηαπιστιαεγκεντρισθησονταιδυνατοςγαρεστινοθεοςπαλινεγκεντρισαιαυτους
STATEN

Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten.

24
ειγαρσυεκτηςκαταφυσινεξεκοπηςαγριελαιουκαιπαραφυσινενεκεντρισθηςειςκαλλιελαιονποσωμαλλονουτοιοικαταφυσινεγκεντρισθησονταιτηιδιαελαια
STATEN

Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden?

25
ουγαρθελωυμαςαγνοειναδελφοιτομυστηριοντουτοιναμηητεπαρεαυτοιςφρονιμοιοτιπωρωσιςαπομερουςτωισραηλγεγονεναχριςουτοπληρωματωνεθνωνεισελθη
STATEN

Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.

26
καιουτωςπαςισραηλσωθησεταικαθωςγεγραπταιηξειεκσιωνορυομενοςκαιαποστρεqειασεβειαςαποιακωβ
STATEN

En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

27
καιαυτηαυτοιςηπαρεμουδιαθηκηοταναφελωμαιταςαμαρτιαςαυτων
STATEN

En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.

28
καταμεντοευαγγελιονεχθροιδιυμαςκαταδετηνεκλογηναγαπητοιδιατουςπατερας
STATEN

Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil;

29
αμεταμεληταγαρταχαρισματακαιηκλησιςτουθεου
STATEN

Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.

30
ωσπεργαρκαιυμειςποτεηπειθησατετωθεωνυνδεηλεηθητετητουτωναπειθεια
STATEN

Want gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid;

31
ουτωςκαιουτοινυνηπειθησαντωυμετερωελεειινακαιαυτοιελεηθωσιν
STATEN

Alzo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.

32
συνεκλεισενγαροθεοςτουςπανταςειςαπειθειανινατουςπανταςελεηση
STATEN

Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.

33
ωβαθοςπλουτουκαισοφιαςκαιγνωσεωςθεουωςανεξερευνητατακριματααυτουκαιανεξιχνιαστοιαιοδοιαυτου
STATEN

O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!

34
τιςγαρεγνωνουνκυριουητιςσυμβουλοςαυτουεγενετο
STATEN

Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?

35
ητιςπροεδωκεναυτωκαιανταποδοθησεταιαυτω
STATEN

Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?

36
οτιεξαυτουκαιδιαυτουκαιειςαυτονταπαντααυτωηδοξαειςτουςαιωναςαμην
STATEN

Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.