BRIEVEN

Romeinen 3

Πρὸς Ῥωμαίους
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
τιουντοπερισσοντουιουδαιουητιςηωφελειατηςπεριτομης
STATEN

Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis?

2
πολυκαταπαντατροπονπρωτονμενγαροτιεπιστευθησανταλογιατουθεου
STATEN

Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.

3
τιγαρειηπιστησαντινεςμηηαπιστιααυτωντηνπιστιντουθεουκαταργησει
STATEN

Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen?

4
μηγενοιτογινεσθωδεοθεοςαληθηςπαςδεανθρωποςqευστηςκαθωςγεγραπταιοπωςανδικαιωθηςεντοιςλογοιςσουκαινικησηςεντωκρινεσθαισε
STATEN

Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer Gij oordeelt.

5
ειδεηαδικιαημωνθεουδικαιοσυνηνσυνιστησιντιερουμενμηαδικοςοθεοςοεπιφερωντηνοργηνκαταανθρωπονλεγω
STATEN

Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.)

6
μηγενοιτοεπειπωςκρινειοθεοςτονκοσμον
STATEN

Dat zij verre, anderszins hoe zal God de wereld oordelen?

7
ειγαρηαληθειατουθεουεντωεμωqευσματιεπερισσευσενειςτηνδοξαναυτουτιετικαγωωςαμαρτωλοςκρινομαι
STATEN

Want indien de waarheid Gods door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld?

8
καιμηκαθωςβλασφημουμεθακαικαθωςφασιντινεςημαςλεγεινοτιποιησωμεντακακαιναελθητααγαθαωντοκριμαενδικονεστιν
STATEN

En zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Welker verdoemenis rechtvaardig is.

9
τιουνπροεχομεθαουπαντωςπροητιασαμεθαγαριουδαιουςτεκαιελληναςπανταςυφαμαρτιανειναι
STATEN

Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn;

10
καθωςγεγραπταιοτιουκεστινδικαιοςουδεεις
STATEN

Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één;

11
ουκεστινοσυνιωνουκεστινοεκζητωντονθεον
STATEN

Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.

12
παντεςεξεκλιναναμαηχρειωθησανουκεστινποιωνχρηστοτηταουκεστινεωςενος
STATEN

Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe.

13
ταφοςανεωγμενοςολαρυγξαυτωνταιςγλωσσαιςαυτωνεδολιουσανιοςασπιδωνυποταχειληαυτων
STATEN

Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.

14
ωντοστομααραςκαιπικριαςγεμει
STATEN

Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;

15
οξειςοιποδεςαυτωνεκχεαιαιμα
STATEN

Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;

16
συντριμμακαιταλαιπωριαενταιςοδοιςαυτων
STATEN

Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;

17
καιοδονειρηνηςουκεγνωσαν
STATEN

En den weg des vredes hebben zij niet gekend.

18
ουκεστινφοβοςθεουαπεναντιτωνοφθαλμωναυτων
STATEN

Er is geen vreze Gods voor hun ogen.

19
οιδαμενδεοτιοσαονομοςλεγειτοιςεντωνομωλαλειιναπανστομαφραγηκαιυποδικοςγενηταιπαςοκοσμοςτωθεω
STATEN

Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.

20
διοτιεξεργωννομουουδικαιωθησεταιπασασαρξενωπιοναυτουδιαγαρνομουεπιγνωσιςαμαρτιας
STATEN

Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.

21
νυνιδεχωριςνομουδικαιοσυνηθεουπεφανερωταιμαρτυρουμενηυποτουνομουκαιτωνπροφητων
STATEN

Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:

22
δικαιοσυνηδεθεουδιαπιστεωςιησουχριστουειςπανταςκαιεπιπανταςτουςπιστευονταςουγαρεστινδιαστολη
STATEN

Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

23
παντεςγαρημαρτονκαιυστερουνταιτηςδοξηςτουθεου
STATEN

Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;

24
δικαιουμενοιδωρεαντηαυτουχαριτιδιατηςαπολυτρωσεωςτηςενχριστωιησου
STATEN

En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;

25
ονπροεθετοοθεοςιλαστηριονδιατηςπιστεωςεντωαυτουαιματιειςενδειξιντηςδικαιοσυνηςαυτουδιατηνπαρεσιντωνπρογεγονοτωναμαρτηματων
STATEN

Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;

26
εντηανοχητουθεουπροςενδειξιντηςδικαιοσυνηςαυτουεντωνυνκαιρωειςτοειναιαυτονδικαιονκαιδικαιουντατονεκπιστεωςιησου
STATEN

Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in dezen tegenwoordigen tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is.

27
πουουνηκαυχησιςεξεκλεισθηδιαποιουνομουτωνεργωνουχιαλλαδιανομουπιστεως
STATEN

Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Der werken? Neen, maar door de wet des geloofs.

28
λογιζομεθαουνπιστειδικαιουσθαιανθρωπονχωριςεργωννομου
STATEN

Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.

29
ηιουδαιωνοθεοςμονονουχιδεκαιεθνωνναικαιεθνων
STATEN

Is God een God der Joden alleen? en is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen;

30
επειπερειςοθεοςοςδικαιωσειπεριτομηνεκπιστεωςκαιακροβυστιανδιατηςπιστεως
STATEN

Nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof.

31
νομονουνκαταργουμενδιατηςπιστεωςμηγενοιτοαλλανομονιστωμεν
STATEN

Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet.