BRIEVEN

Romeinen 2

Πρὸς Ῥωμαίους
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
διοαναπολογητοςειωανθρωπεπαςοκρινωνενωγαρκρινειςτονετερονσεαυτονκατακρινειςταγαραυταπρασσειςοκρινων
STATEN

Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.

2
οιδαμενδεοτιτοκριματουθεουεστινκατααληθειανεπιτουςτατοιαυταπρασσοντας
STATEN

En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen.

3
λογιζηδετουτοωανθρωπεοκρινωντουςτατοιαυταπρασσονταςκαιποιωναυταοτισυεκφευξητοκριματουθεου
STATEN

En denkt gij dit, o mens, die oordeelt degenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?

4
ητουπλουτουτηςχρηστοτητοςαυτουκαιτηςανοχηςκαιτηςμακροθυμιαςκαταφρονειςαγνοωνοτιτοχρηστοντουθεουειςμετανοιανσεαγει
STATEN

Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?

5
καταδετηνσκληροτητασουκαιαμετανοητονκαρδιανθησαυριζειςσεαυτωοργηνενημεραοργηςκαιαποκαλυqεωςδικαιοκρισιαςτουθεου
STATEN

Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.

6
οςαποδωσειεκαστωκαταταεργααυτου
STATEN

Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken;

7
τοιςμενκαθυπομονηνεργουαγαθουδοξανκαιτιμηνκαιαφθαρσιανζητουσινζωηναιωνιον
STATEN

Dengenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven;

8
τοιςδεεξεριθειαςκαιαπειθουσινμεντηαληθειαπειθομενοιςδετηαδικιαθυμοςκαιοργη
STATEN

Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam, doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden;

9
θλιqιςκαιστενοχωριαεπιπασανqυχηνανθρωπουτουκατεργαζομενουτοκακονιουδαιουτεπρωτονκαιελληνος
STATEN

Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek;

10
δοξαδεκαιτιμηκαιειρηνηπαντιτωεργαζομενωτοαγαθονιουδαιωτεπρωτονκαιελληνι
STATEN

Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een iegelijk, die het goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek.

11
ουγαρεστινπροσωποληqιαπαρατωθεω
STATEN

Want er is geen aanneming des persoons bij God.

12
οσοιγαρανομωςημαρτονανομωςκαιαπολουνταικαιοσοιεννομωημαρτονδιανομουκριθησονται
STATEN

Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;

13
ουγαροιακροαταιτουνομουδικαιοιπαρατωθεωαλλοιποιηταιτουνομουδικαιωθησονται
STATEN

(Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;

14
οτανγαρεθνηταμηνομονεχονταφυσειτατουνομουποιηουτοινομονμηεχοντεςεαυτοιςεισιννομος
STATEN

Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, dezen, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet;

15
οιτινεςενδεικνυνταιτοεργοντουνομουγραπτονενταιςκαρδιαιςαυτωνσυμμαρτυρουσηςαυτωντηςσυνειδησεωςκαιμεταξυαλληλωντωνλογισμωνκατηγορουντωνηκαιαπολογουμενων
STATEN

Als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende).

16
ενημεραοτεκρινειοθεοςτακρυπτατωνανθρωπωνκατατοευαγγελιονμουδιαιησουχριστου
STATEN

In den dag wanneer God de verborgene dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.

17
ιδεσυιουδαιοςεπονομαζηκαιεπαναπαυητωνομωκαικαυχασαιενθεω
STATEN

Zie, gij wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God,

18
καιγινωσκειςτοθελημακαιδοκιμαζειςταδιαφεροντακατηχουμενοςεκτουνομου
STATEN

En gij weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet;

19
πεποιθαςτεσεαυτονοδηγονειναιτυφλωνφωςτωνενσκοτει
STATEN

En gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn;

20
παιδευτηναφρονωνδιδασκαλοννηπιωνεχοντατηνμορφωσιντηςγνωσεωςκαιτηςαληθειαςεντωνομω
STATEN

Een onderrichter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet.

21
οουνδιδασκωνετερονσεαυτονουδιδασκειςοκηρυσσωνμηκλεπτεινκλεπτεις
STATEN

Die dan een anderen leert, leert gij uzelven niet? Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij?

22
ολεγωνμημοιχευεινμοιχευειςοβδελυσσομενοςταειδωλαιεροσυλεις
STATEN

Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige?

23
οςεννομωκαυχασαιδιατηςπαραβασεωςτουνομουτονθεονατιμαζεις
STATEN

Die op de wet roemt, onteert gij God door de overtreding der wet?

24
τογαρονοματουθεουδιυμαςβλασφημειταιεντοιςεθνεσινκαθωςγεγραπται
STATEN

Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.

25
περιτομημενγαρωφελειεαννομονπρασσηςεανδεπαραβατηςνομουηςηπεριτομησουακροβυστιαγεγονεν
STATEN

Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden.

26
εανουνηακροβυστιαταδικαιωματατουνομουφυλασσηουχιηακροβυστιααυτουειςπεριτομηνλογισθησεται
STATEN

Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden?

27
καικρινειηεκφυσεωςακροβυστιατοννομοντελουσασετονδιαγραμματοςκαιπεριτομηςπαραβατηννομου
STATEN

En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oordelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt?

28
ουγαροεντωφανερωιουδαιοςεστινουδεηεντωφανερωενσαρκιπεριτομη
STATEN

Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;

29
αλλοεντωκρυπτωιουδαιοςκαιπεριτομηκαρδιαςενπνευματιουγραμματιουοεπαινοςουκεξανθρωπωναλλεκτουθεου
STATEN

Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.