KETUVIM

Esther 6

אֶסְתֵּר
Hoofdstukken (10)
12345678910
Getuigen
Interlineair
1
בַּ/לַּ֣יְלָה הַ/ה֔וּא נָדְדָ֖ה שְׁנַ֣ת הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/יֹּ֗אמֶר לְ/הָבִ֞יא אֶת סֵ֤פֶר הַ/זִּכְרֹנוֹת֙ דִּבְרֵ֣י הַ/יָּמִ֔ים וַ/יִּהְי֥וּ נִקְרָאִ֖ים לִ/פְנֵ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ
STATEN

In denzelfden nacht was de slaap van den koning geweken, en hij zeide, dat men het boek der gedachtenissen, de kronieken, brengen zou; en zij werden in de tegenwoordigheid des konings gelezen.

2
וַ/יִּמָּצֵ֣א כָת֗וּב אֲשֶׁר֩ הִגִּ֨יד מָרְדֳּכַ֜י עַל בִּגְתָ֣נָא וָ/תֶ֗רֶשׁ שְׁנֵי֙ סָרִיסֵ֣י הַ/מֶּ֔לֶךְ מִ/שֹּׁמְרֵ֖י הַ/סַּ֑ף אֲשֶׁ֤ר בִּקְשׁוּ֙ לִ/שְׁלֹ֣חַ יָ֔ד בַּ/מֶּ֖לֶךְ אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ
STATEN

En men vond geschreven, dat Mórdechai had te kennen gegeven van Bigthána en Theres, twee kamerlingen des konings, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan den koning Ahasvéros.

3
וַ/יֹּ֣אמֶר הַ/מֶּ֔לֶךְ מַֽה נַּעֲשָׂ֞ה יְקָ֧ר וּ/גְדוּלָּ֛ה לְ/מָרְדֳּכַ֖י עַל זֶ֑ה וַ/יֹּ֨אמְר֜וּ נַעֲרֵ֤י הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ מְשָׁ֣רְתָ֔י/ו לֹא נַעֲשָׂ֥ה עִמּ֖/וֹ דָּבָֽר
STATEN

Toen zeide de koning: Wat eer en verhoging is Mórdechai hierover gedaan? En de jongelingen des konings, zijn dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan.

4
וַ/יֹּ֥אמֶר הַ/מֶּ֖לֶךְ מִ֣י בֶ/חָצֵ֑ר וְ/הָמָ֣ן בָּ֗א לַ/חֲצַ֤ר בֵּית הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ הַ/חִ֣יצוֹנָ֔ה לֵ/אמֹ֣ר לַ/מֶּ֔לֶךְ לִ/תְלוֹת֙ אֶֽת מָרְדֳּכַ֔י עַל הָ/עֵ֖ץ אֲשֶׁר הֵכִ֥ין לֽ/וֹ
STATEN

Toen zeide de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis des konings, om den koning te zeggen, dat men Mórdechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.)

5
וַ/יֹּ֨אמְר֜וּ נַעֲרֵ֤י הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ אֵלָ֔י/ו הִנֵּ֥ה הָמָ֖ן עֹמֵ֣ד בֶּ/חָצֵ֑ר וַ/יֹּ֥אמֶר הַ/מֶּ֖לֶךְ יָבֽוֹא
STATEN

En des konings jongelingen zeiden tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. Toen zeide de koning: Dat hij inkome.

6
וַ/יָּבוֹא֮ הָמָן֒ וַ/יֹּ֤אמֶר ל/וֹ֙ הַ/מֶּ֔לֶךְ מַה לַ/עֲשׂ֕וֹת בָּ/אִ֕ישׁ אֲשֶׁ֥ר הַ/מֶּ֖לֶךְ חָפֵ֣ץ בִּ/יקָר֑/וֹ וַ/יֹּ֤אמֶר הָמָן֙ בְּ/לִבּ֔/וֹ לְ/מִ֞י יַחְפֹּ֥ץ הַ/מֶּ֛לֶךְ לַ/עֲשׂ֥וֹת יְקָ֖ר יוֹתֵ֥ר מִמֶּֽ/נִּי
STATEN

Als Haman ingekomen was, zo zeide de koning tot hem: Wat zal men met dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn hart: Tot wien heeft de koning een welbehagen, om hem eer te doen, meer dan tot mij?

7
וַ/יֹּ֥אמֶר הָמָ֖ן אֶל הַ/מֶּ֑לֶךְ אִ֕ישׁ אֲשֶׁ֥ר הַ/מֶּ֖לֶךְ חָפֵ֥ץ בִּ/יקָרֽ/וֹ
STATEN

Daarom zeide Haman tot den koning: Den man, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft,

8
יָבִ֨יאוּ֙ לְב֣וּשׁ מַלְכ֔וּת אֲשֶׁ֥ר לָֽבַשׁ בּ֖/וֹ הַ/מֶּ֑לֶךְ וְ/ס֗וּס אֲשֶׁ֨ר רָכַ֤ב עָלָי/ו֙ הַ/מֶּ֔לֶךְ וַ/אֲשֶׁ֥ר נִתַּ֛ן כֶּ֥תֶר מַלְכ֖וּת בְּ/רֹאשֽׁ/וֹ
STATEN

Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.

9
וְ/נָת֨וֹן הַ/לְּב֜וּשׁ וְ/הַ/סּ֗וּס עַל יַד אִ֞ישׁ מִ/שָּׂרֵ֤י הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ הַֽ/פַּרְתְּמִ֔ים וְ/הִלְבִּ֨ישׁוּ֙ אֶת הָ/אִ֔ישׁ אֲשֶׁ֥ר הַ/מֶּ֖לֶךְ חָפֵ֣ץ בִּֽ/יקָר֑/וֹ וְ/הִרְכִּיבֻ֤/הוּ עַל הַ/סּוּס֙ בִּ/רְח֣וֹב הָ/עִ֔יר וְ/קָרְא֣וּ לְ/פָנָ֔י/ו כָּ֚כָה יֵעָשֶׂ֣ה לָ/אִ֔ישׁ אֲשֶׁ֥ר הַ/מֶּ֖לֶךְ חָפֵ֥ץ בִּ/יקָרֽ/וֹ
STATEN

En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een uit de vorsten des konings, van de grootste heren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft; en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal voor hem roepen: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!

10
וַ/יֹּ֨אמֶר הַ/מֶּ֜לֶךְ לְ/הָמָ֗ן מַ֠הֵר קַ֣ח אֶת הַ/לְּב֤וּשׁ וְ/אֶת הַ/סּוּס֙ כַּ/אֲשֶׁ֣ר דִּבַּ֔רְתָּ וַֽ/עֲשֵׂה כֵן֙ לְ/מָרְדֳּכַ֣י הַ/יְּהוּדִ֔י הַ/יּוֹשֵׁ֖ב בְּ/שַׁ֣עַר הַ/מֶּ֑לֶךְ אַל תַּפֵּ֣ל דָּבָ֔ר מִ/כֹּ֖ל אֲשֶׁ֥ר דִּבַּֽרְתָּ
STATEN

Toen zeide de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, gelijk als gij gesproken hebt, en doe alzo aan Mórdechai, den Jood, die aan de poort des konings zit; en laat niet één woord vallen van alles, wat gij gesproken hebt.

11
וַ/יִּקַּ֤ח הָמָן֙ אֶת הַ/לְּב֣וּשׁ וְ/אֶת הַ/סּ֔וּס וַ/יַּלְבֵּ֖שׁ אֶֽת מָרְדֳּכָ֑י וַ/יַּרְכִּיבֵ֨/הוּ֙ בִּ/רְח֣וֹב הָ/עִ֔יר וַ/יִּקְרָ֣א לְ/פָנָ֔י/ו כָּ֚כָה יֵעָשֶׂ֣ה לָ/אִ֔ישׁ אֲשֶׁ֥ר הַ/מֶּ֖לֶךְ חָפֵ֥ץ בִּ/יקָרֽ/וֹ
STATEN

En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mórdechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep voor hem: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!

12
וַ/יָּ֥שָׁב מָרְדֳּכַ֖י אֶל שַׁ֣עַר הַ/מֶּ֑לֶךְ וְ/הָמָן֙ נִדְחַ֣ף אֶל בֵּית֔/וֹ אָבֵ֖ל וַ/חֲפ֥וּי רֹֽאשׁ
STATEN

Daarna keerde Mórdechai wederom tot de poort des konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde.

13
וַ/יְסַפֵּ֨ר הָמָ֜ן לְ/זֶ֤רֶשׁ אִשְׁתּ/וֹ֙ וּ/לְ/כָל אֹ֣הֲבָ֔י/ו אֵ֖ת כָּל אֲשֶׁ֣ר קָרָ֑/הוּ וַ/יֹּ֩אמְרוּ֩ ל֨/וֹ חֲכָמָ֜י/ו וְ/זֶ֣רֶשׁ אִשְׁתּ֗/וֹ אִ֣ם מִ/זֶּ֣רַע הַ/יְּהוּדִ֡ים מָרְדֳּכַ֞י אֲשֶׁר֩ הַחִלּ֨וֹתָ לִ/נְפֹּ֤ל לְ/פָנָי/ו֙ לֹא תוּכַ֣ל ל֔/וֹ כִּֽי נָפ֥וֹל תִּפּ֖וֹל לְ/פָנָֽי/ו
STATEN

En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Indien Mórdechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen; maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.

14
עוֹדָ/ם֙ מְדַבְּרִ֣ים עִמּ֔/וֹ וְ/סָרִיסֵ֥י הַ/מֶּ֖לֶךְ הִגִּ֑יעוּ וַ/יַּבְהִ֨לוּ֙ לְ/הָבִ֣יא אֶת הָמָ֔ן אֶל הַ/מִּשְׁתֶּ֖ה אֲשֶׁר עָשְׂתָ֥ה אֶסְתֵּֽר
STATEN

Toen zij nog met hem spraken, zo kwamen des konings kamerlingen nabij, en zij haastten Haman tot den maaltijd te brengen, dien Esther bereid had.