KETUVIM

Esther 4

אֶסְתֵּר
Hoofdstukken (10)
12345678910
Getuigen
Interlineair
1
וּ/מָרְדֳּכַ֗י יָדַע֙ אֶת כָּל אֲשֶׁ֣ר נַעֲשָׂ֔ה וַ/יִּקְרַ֤ע מָרְדֳּכַי֙ אֶת בְּגָדָ֔י/ו וַ/יִּלְבַּ֥שׁ שַׂ֖ק וָ/אֵ֑פֶר וַ/יֵּצֵא֙ בְּ/ת֣וֹךְ הָ/עִ֔יר וַ/יִּזְעַ֛ק זְעָקָ֥ה גְדֹלָ֖ה וּ/מָרָֽה
STATEN

Als Mórdechai wist al wat er geschied was, zo verscheurde Mórdechai zijn klederen, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden der stad, en hij riep met een groot en bitter geroep.

2
וַ/יָּב֕וֹא עַ֖ד לִ/פְנֵ֣י שַֽׁעַר הַ/מֶּ֑לֶךְ כִּ֣י אֵ֥ין לָ/ב֛וֹא אֶל שַׁ֥עַר הַ/מֶּ֖לֶךְ בִּ/לְב֥וּשׁ שָֽׂק
STATEN

En hij kwam tot voor de poort des konings; want niemand mocht in des konings poort inkomen, bekleed met een zak.

3
וּ/בְ/כָל מְדִינָ֣ה וּ/מְדִינָ֗ה מְקוֹם֙ אֲשֶׁ֨ר דְּבַר הַ/מֶּ֤לֶךְ וְ/דָת/וֹ֙ מַגִּ֔יעַ אֵ֤בֶל גָּדוֹל֙ לַ/יְּהוּדִ֔ים וְ/צ֥וֹם וּ/בְכִ֖י וּ/מִסְפֵּ֑ד שַׂ֣ק וָ/אֵ֔פֶר יֻצַּ֖ע לָֽ/רַבִּֽים
STATEN

En in alle en een ieder landschap en plaats, waar het woord des konings en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en misbaar; vele lagen in zakken en as.

4
וַ֠/תָּבוֹאינָה נַעֲר֨וֹת אֶסְתֵּ֤ר וְ/סָרִיסֶ֨י/הָ֙ וַ/יַּגִּ֣ידוּ לָ֔/הּ וַ/תִּתְחַלְחַ֥ל הַ/מַּלְכָּ֖ה מְאֹ֑ד וַ/תִּשְׁלַ֨ח בְּגָדִ֜ים לְ/הַלְבִּ֣ישׁ אֶֽת מָרְדֳּכַ֗י וּ/לְ/הָסִ֥יר שַׂקּ֛/וֹ מֵ/עָלָ֖י/ו וְ/לֹ֥א קִבֵּֽל
STATEN

Toen kwamen Esthers jonge dochters en haar kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond klederen om Mórdechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan.

5
וַ/תִּקְרָא֩ אֶסְתֵּ֨ר לַ/הֲתָ֜ךְ מִ/סָּרִיסֵ֤י הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ אֲשֶׁ֣ר הֶעֱמִ֣יד לְ/פָנֶ֔י/הָ וַ/תְּצַוֵּ֖/הוּ עַֽל מָרְדֳּכָ֑י לָ/דַ֥עַת מַה זֶּ֖ה וְ/עַל מַה זֶּֽה
STATEN

Toen riep Esther Hatach, een van de kamerlingen des konings, welke hij voor haar gesteld had, en zij gaf hem bevel aan Mórdechai, om te weten wat dit, en waarom dit ware.

6
וַ/יֵּצֵ֥א הֲתָ֖ךְ אֶֽל מָרְדֳּכָ֑י אֶל רְח֣וֹב הָ/עִ֔יר אֲשֶׁ֖ר לִ/פְנֵ֥י שַֽׁעַר הַ/מֶּֽלֶךְ
STATEN

Als Hatach uitging tot Mórdechai, op de straat der stad, die voor de poort des konings was,

7
וַ/יַּגֶּד ל֣/וֹ מָרְדֳּכַ֔י אֵ֖ת כָּל אֲשֶׁ֣ר קָרָ֑/הוּ וְ/אֵ֣ת פָּרָשַׁ֣ת הַ/כֶּ֗סֶף אֲשֶׁ֨ר אָמַ֤ר הָמָן֙ לִ֠/שְׁקוֹל עַל גִּנְזֵ֥י הַ/מֶּ֛לֶךְ ב/יהודיים לְ/אַבְּדָֽ/ם בַּ/יְּהוּדִ֖ים
STATEN

Zo gaf Mórdechai hem te kennen al wat hem wedervaren was, en de verklaring van het zilver, hetwelk Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten des konings, voor de Joden, om dezelve om te brengen.

8
וְ/אֶת פַּתְשֶׁ֣גֶן כְּתָֽב הַ֠/דָּת אֲשֶׁר נִתַּ֨ן בְּ/שׁוּשָׁ֤ן לְ/הַשְׁמִידָ/ם֙ נָ֣תַן ל֔/וֹ לְ/הַרְא֥וֹת אֶת אֶסְתֵּ֖ר וּ/לְ/הַגִּ֣יד לָ֑/הּ וּ/לְ/צַוּ֣וֹת עָלֶ֗י/הָ לָ/ב֨וֹא אֶל הַ/מֶּ֧לֶךְ לְ/הִֽתְחַנֶּן ל֛/וֹ וּ/לְ/בַקֵּ֥שׁ מִ/לְּ/פָנָ֖י/ו עַל עַמָּֽ/הּ
STATEN

En hij gaf hem het afschrift der geschrevene wet, die te Susan gegeven was, om hen te verdelgen, dat hij het Esther liet zien, en haar te kennen gaf, en haar gebood, dat zij tot den koning ging, om hem te smeken, en van hem te verzoeken voor haar volk.

9
וַ/יָּב֖וֹא הֲתָ֑ךְ וַ/יַּגֵּ֣ד לְ/אֶסְתֵּ֔ר אֵ֖ת דִּבְרֵ֥י מָרְדֳּכָֽי
STATEN

Hatach nu kwam, en gaf Esther de woorden van Mórdechai te kennen.

10
וַ/תֹּ֤אמֶר אֶסְתֵּר֙ לַ/הֲתָ֔ךְ וַ/תְּצַוֵּ֖/הוּ אֶֽל מָרְדֳּכָֽי
STATEN

Toen zeide Esther tot Hatach, en gaf hem bevel aan Mórdechai:

11
כָּל עַבְדֵ֣י הַ/מֶּ֡לֶךְ וְ/עַם מְדִינ֨וֹת הַ/מֶּ֜לֶךְ יֽוֹדְעִ֗ים אֲשֶׁ֣ר כָּל אִ֣ישׁ וְ/אִשָּׁ֡ה אֲשֶׁ֣ר יָבֽוֹא אֶל הַ/מֶּלֶךְ֩ אֶל הֶ/חָצֵ֨ר הַ/פְּנִימִ֜ית אֲשֶׁ֣ר לֹֽא יִקָּרֵ֗א אַחַ֤ת דָּת/וֹ֙ לְ/הָמִ֔ית לְ֠/בַד מֵ/אֲשֶׁ֨ר יֽוֹשִׁיט ל֥/וֹ הַ/מֶּ֛לֶךְ אֶת שַׁרְבִ֥יט הַ/זָּהָ֖ב וְ/חָיָ֑ה וַ/אֲנִ֗י לֹ֤א נִקְרֵ֨אתי֙ לָ/ב֣וֹא אֶל הַ/מֶּ֔לֶךְ זֶ֖ה שְׁלוֹשִׁ֥ים יֽוֹם
STATEN

Alle knechten des konings, en het volk, der landschappen des konings, weten wel dat al wie tot den koning ingaat, in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn enig vonnis zij, dat men hem dode, tenzij dat de koning den gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot den koning in te komen.

12
וַ/יַּגִּ֣ידוּ לְ/מָרְדֳּכָ֔י אֵ֖ת דִּבְרֵ֥י אֶסְתֵּֽר
STATEN

En zij gaven de woorden van Esther aan Mórdechai te kennen.

13
וַ/יֹּ֥אמֶר מָרְדֳּכַ֖י לְ/הָשִׁ֣יב אֶל אֶסְתֵּ֑ר אַל תְּדַמִּ֣י בְ/נַפְשֵׁ֔/ךְ לְ/הִמָּלֵ֥ט בֵּית הַ/מֶּ֖לֶךְ מִ/כָּל הַ/יְּהוּדִֽים
STATEN

Zo zeide Mórdechai, dat men Esther wederom zeggen zou: Beeld u niet in, in uw ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des konings, meer dan al de andere Joden.

14
כִּ֣י אִם הַחֲרֵ֣שׁ תַּחֲרִישִׁי֮ בָּ/עֵ֣ת הַ/זֹּאת֒ רֶ֣וַח וְ/הַצָּלָ֞ה יַעֲמ֤וֹד לַ/יְּהוּדִים֙ מִ/מָּק֣וֹם אַחֵ֔ר וְ/אַ֥תְּ וּ/בֵית אָבִ֖י/ךְ תֹּאבֵ֑דוּ וּ/מִ֣י יוֹדֵ֔עַ אִם לְ/עֵ֣ת כָּ/זֹ֔את הִגַּ֖עַתְּ לַ/מַּלְכֽוּת
STATEN

Want indien gij enigszins zwijgen zult te dezer tijd, zo zal den Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan; maar gij en uws vaders huis zult omkomen; en wie weet, of gij niet om zulken tijd als deze is, tot dit koninkrijk geraakt zijt.

15
וַ/תֹּ֥אמֶר אֶסְתֵּ֖ר לְ/הָשִׁ֥יב אֶֽל מָרְדֳּכָֽי
STATEN

Toen zeide Esther, dat men Mórdechai weder aanzeggen zou:

16
לֵךְ֩ כְּנ֨וֹס אֶת כָּל הַ/יְּהוּדִ֜ים הַֽ/נִּמְצְאִ֣ים בְּ/שׁוּשָׁ֗ן וְ/צ֣וּמוּ עָ֠לַ/י וְ/אַל תֹּאכְל֨וּ וְ/אַל תִּשְׁתּ֜וּ שְׁלֹ֤שֶׁת יָמִים֙ לַ֣יְלָה וָ/י֔וֹם גַּם אֲנִ֥י וְ/נַעֲרֹתַ֖/י אָצ֣וּם כֵּ֑ן וּ/בְ/כֵ֞ן אָב֤וֹא אֶל הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ אֲשֶׁ֣ר לֹֽא כַ/דָּ֔ת וְ/כַ/אֲשֶׁ֥ר אָבַ֖דְתִּי אָבָֽדְתִּי
STATEN

Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn jonge dochters zullen ook alzo vasten, en alzo zal ik tot den koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om.

17
וַֽ/יַּעֲבֹ֖ר מָרְדֳּכָ֑י וַ/יַּ֕עַשׂ כְּ/כֹ֛ל אֲשֶׁר צִוְּתָ֥ה עָלָ֖י/ו אֶסְתֵּֽר
STATEN

Toen ging Mórdechai henen, en hij deed naar alles, wat Esther aan hem geboden had.