Ga naar inhoud
KETUVIM

Esther 8

אֶסְתֵּר
Hoofdstukken (15)← → toetsen
123456789101112131415
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא נָתַ֞ן הַ/מֶּ֤לֶךְ אֲחַשְׁוֵרוֹשׁ֙ לְ/אֶסְתֵּ֣ר הַ/מַּלְכָּ֔ה אֶת בֵּ֥ית הָמָ֖ן צֹרֵ֣ר ה/יהודיים וּ/מָרְדֳּכַ֗י בָּ֚א לִ/פְנֵ֣י הַ/מֶּ֔לֶךְ כִּֽי הִגִּ֥ידָה אֶסְתֵּ֖ר מַ֥ה הוּא לָֽ/הּ־־־׃ הַ/יְּהוּדִ֑ים
STATEN

Te dienzelfden dage gaf de koning Ahasvéros aan de koningin Esther het huis van Haman, den vijand der Joden; en Mórdechai kwam voor het aangezicht des konings, want Esther had te kennen gegeven, wat hij voor haar was.

2
וַ/יָּ֨סַר הַ/מֶּ֜לֶךְ אֶת טַבַּעְתּ֗/וֹ אֲשֶׁ֤ר הֶֽעֱבִיר֙ מֵֽ/הָמָ֔ן וַֽ/יִּתְּנָ֖/הּ לְ/מָרְדֳּכָ֑י וַ/תָּ֧שֶׂם אֶסְתֵּ֛ר אֶֽת מָרְדֳּכַ֖י עַל בֵּ֥ית הָמָֽן־־־׃פ
STATEN

En de koning toog zijn ring af, dien hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mórdechai; en Esther stelde Mórdechai over het huis van Haman.

3
וַ/תּ֣וֹסֶף אֶסְתֵּ֗ר וַ/תְּדַבֵּר֙ לִ/פְנֵ֣י הַ/מֶּ֔לֶךְ וַ/תִּפֹּ֖ל לִ/פְנֵ֣י רַגְלָ֑י/ו וַ/תֵּ֣בְךְּ וַ/תִּתְחַנֶּן ל֗/וֹ לְ/הַֽעֲבִיר֙ אֶת רָעַת֙ הָמָ֣ן הָֽ/אֲגָגִ֔י וְ/אֵת֙ מַֽחֲשַׁבְתּ֔/וֹ אֲשֶׁ֥ר חָשַׁ֖ב עַל הַ/יְּהוּדִֽים־־־׃
STATEN

En Esther sprak verder voor het aangezicht des konings, en zij viel voor zijn voeten, en zij weende, en zij smeekte hem, dat hij de boosheid van Haman, den Agagiet, en zijn gedachte, die hij tegen de Joden gedacht had, zou wegnemen.

4
וַ/יּ֤וֹשֶׁט הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ לְ/אֶסְתֵּ֔ר אֵ֖ת שַׁרְבִ֣ט הַ/זָּהָ֑ב וַ/תָּ֣קָם אֶסְתֵּ֔ר וַֽ/תַּעֲמֹ֖ד לִ/פְנֵ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ׃
STATEN

De koning nu reikte den gouden scepter Esther toe. Toen rees Esther op, en zij stond voor het aangezicht des konings.

5
וַ֠/תֹּאמֶר אִם עַל הַ/מֶּ֨לֶךְ ט֜וֹב וְ/אִם מָצָ֧אתִי חֵ֣ן לְ/פָנָ֗י/ו וְ/כָשֵׁ֤ר הַ/דָּבָר֙ לִ/פְנֵ֣י הַ/מֶּ֔לֶךְ וְ/טוֹבָ֥ה אֲנִ֖י בְּ/עֵינָ֑י/ו יִכָּתֵ֞ב לְ/הָשִׁ֣יב אֶת הַ/סְּפָרִ֗ים מַחֲשֶׁ֜בֶת הָמָ֤ן בֶּֽן הַמְּדָ֨תָא֙ הָ/אֲגָגִ֔י אֲשֶׁ֣ר כָּתַ֗ב לְ/אַבֵּד֙ אֶת הַ/יְּהוּדִ֔ים אֲשֶׁ֖ר בְּ/כָל מְדִינ֥וֹת הַ/מֶּֽלֶךְ־־־־־־־׃
STATEN

En zij zeide: Indien het den koning goeddunkt, en indien ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb en deze zaak voor den koning recht is, en ik in zijn ogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, wederroepen worden, welke hij geschreven heeft, om de Joden om te brengen, die in al de landschappen des konings zijn.

6
כִּ֠י אֵיכָכָ֤ה אוּכַל֙ וְֽ/רָאִ֔יתִי בָּ/רָעָ֖ה אֲשֶׁר יִמְצָ֣א אֶת עַמִּ֑/י וְ/אֵֽיכָכָ֤ה אוּכַל֙ וְֽ/רָאִ֔יתִי בְּ/אָבְדַ֖ן מוֹלַדְתִּֽ/י־־׃ס
STATEN

Want hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk treffen zal? En hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht?

7
וַ/יֹּ֨אמֶר הַ/מֶּ֤לֶךְ אֲחַשְׁוֵרֹשׁ֙ לְ/אֶסְתֵּ֣ר הַ/מַּלְכָּ֔ה וּֽ/לְ/מָרְדֳּכַ֖י הַ/יְּהוּדִ֑י הִנֵּ֨ה בֵית הָמָ֜ן נָתַ֣תִּי לְ/אֶסְתֵּ֗ר וְ/אֹת/וֹ֙ תָּל֣וּ עַל הָ/עֵ֔ץ עַ֛ל אֲשֶׁר שָׁלַ֥ח יָד֖/וֹ ב/יהודיים־־־׃ בַּ/יְּהוּדִֽים
STATEN

Toen zeide de koning Ahasvéros tot de koningin Esther en tot Mórdechai, den Jood: Ziet, het huis van Haman heb ik Esther gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen had.

8
וְ֠/אַתֶּם כִּתְב֨וּ עַל הַ/יְּהוּדִ֜ים כַּ/טּ֤וֹב בְּ/עֵֽינֵי/כֶם֙ בְּ/שֵׁ֣ם הַ/מֶּ֔לֶךְ וְ/חִתְמ֖וּ בְּ/טַבַּ֣עַת הַ/מֶּ֑לֶךְ כִּֽי כְתָ֞ב אֲשֶׁר נִכְתָּ֣ב בְּ/שֵׁם הַ/מֶּ֗לֶךְ וְ/נַחְתּ֛וֹם בְּ/טַבַּ֥עַת הַ/מֶּ֖לֶךְ אֵ֥ין לְ/הָשִֽׁיב־־־־׃
STATEN

Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in des konings naam, en verzegelt het met des konings ring; want het schrift, dat in des konings naam geschreven, en met des konings ring verzegeld is, is niet te wederroepen.

9
וַ/יִּקָּרְא֣וּ סֹפְרֵֽי הַ/מֶּ֣לֶךְ בָּֽ/עֵת הַ֠/הִיא בַּ/חֹ֨דֶשׁ הַ/שְּׁלִישִׁ֜י הוּא חֹ֣דֶשׁ סִיוָ֗ן בִּ/שְׁלוֹשָׁ֣ה וְ/עֶשְׂרִים֮ בּ/וֹ֒ וַ/יִּכָּתֵ֣ב כְּֽ/כָל אֲשֶׁר צִוָּ֣ה מָרְדֳּכַ֣י אֶל הַ/יְּהוּדִ֡ים וְ/אֶ֣ל הָ/אֲחַשְׁדַּרְפְּנִֽים וְ/הַ/פַּחוֹת֩ וְ/שָׂרֵ֨י הַ/מְּדִינ֜וֹת אֲשֶׁ֣ר מֵ/הֹ֣דּוּ וְ/עַד כּ֗וּשׁ שֶׁ֣בַע וְ/עֶשְׂרִ֤ים וּ/מֵאָה֙ מְדִינָ֔ה מְדִינָ֤ה וּ/מְדִינָה֙ כִּ/כְתָבָ֔/הּ וְ/עַ֥ם וָ/עָ֖ם כִּ/לְשֹׁנ֑/וֹ וְ/אֶ֨ל הַ/יְּהוּדִ֔ים כִּ/כְתָבָ֖/ם וְ/כִ/לְשׁוֹנָֽ/ם־־־־־־־׀־־׃
STATEN

Toen werden des konings schrijvers geroepen, ter zelfder tijd, in de derde maand (zij is de maand Sivan), op den drie en twintigsten derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Mórdechai gebood, aan de Joden, en aan de stadhouders, en landvoogden, en oversten der landschappen, die van Indië af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig landschappen, een ieder landschap naar zijn schrift, een ieder volk naar zijn spraak; ook aan de Joden naar hun schrift en naar hun spraak.

10
וַ/יִּכְתֹּ֗ב בְּ/שֵׁם֙ הַ/מֶּ֣לֶךְ אֲחַשְׁוֵרֹ֔שׁ וַ/יַּחְתֹּ֖ם בְּ/טַבַּ֣עַת הַ/מֶּ֑לֶךְ וַ/יִּשְׁלַ֣ח סְפָרִ֡ים בְּ/יַד֩ הָ/רָצִ֨ים בַּ/סּוּסִ֜ים רֹכְבֵ֤י הָ/רֶ֨כֶשׁ֙ הָֽ/אֲחַשְׁתְּרָנִ֔ים בְּנֵ֖י הָֽ/רַמָּכִֽים׃
STATEN

En men schreef in den naam van den koning Ahasvéros, en men verzegelde het met des konings ring; en men zond de brieven door de hand der lopers te paard, rijdende op snelle kemelen, op muildieren, van merriën geteeld;

11
אֲשֶׁר֩ נָתַ֨ן הַ/מֶּ֜לֶךְ לַ/יְּהוּדִ֣ים אֲשֶׁ֣ר בְּ/כָל עִיר וָ/עִ֗יר לְ/הִקָּהֵל֮ וְ/לַ/עֲמֹ֣ד עַל נַפְשָׁ/ם֒ לְ/הַשְׁמִיד֩ וְ/לַ/הֲרֹ֨ג וּ/לְ/אַבֵּ֜ד אֶת כָּל חֵ֨יל עַ֧ם וּ/מְדִינָ֛ה הַ/צָּרִ֥ים אֹתָ֖/ם טַ֣ף וְ/נָשִׁ֑ים וּ/שְׁלָלָ֖/ם לָ/בֽוֹז׀־־־־־׃
STATEN

Dat de koning den Joden toeliet, die in elke stad waren, zich te vergaderen, en voor hun leven te staan, om te verdelgen, om te doden en om om te brengen alle macht des volks en des landschaps, die hen benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en hun buit te roven;

12
בְּ/י֣וֹם אֶחָ֔ד בְּ/כָל מְדִינ֖וֹת הַ/מֶּ֣לֶךְ אֲחַשְׁוֵר֑וֹשׁ בִּ/שְׁלוֹשָׁ֥ה עָשָׂ֛ר לְ/חֹ֥דֶשׁ שְׁנֵים עָשָׂ֖ר הוּא חֹ֥דֶשׁ אֲדָֽר־־־׃
STATEN

Op één dag in al de landschappen van den koning Ahasvéros, op den dertienden der twaalfde maand; deze is de maand Adar.

Op De Naamdragers

Blogs over Esther 8

Nog geen artikelen die specifiek naar Esther 8 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →