EVANGELIES

Lukas 21

Κατὰ Λουκᾶν
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
αναβλεqαςδεειδεντουςβαλλονταςταδωρααυτωνειςτογαζοφυλακιονπλουσιους
STATEN

En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.

2
ειδενδεκαιτιναχηρανπενιχρανβαλλουσανεκειδυολεπτα
STATEN

En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen.

3
καιειπεναληθωςλεγωυμινοτιηχηραηπτωχηαυτηπλειονπαντωνεβαλεν
STATEN

En Hij zeide: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft ingeworpen.

4
απαντεςγαρουτοιεκτουπερισσευοντοςαυτοιςεβαλονειςταδωρατουθεουαυτηδεεκτουυστερηματοςαυτηςαπαντατονβιονονειχενεβαλεν
STATEN

Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.

5
καιτινωνλεγοντωνπεριτουιερουοτιλιθοιςκαλοιςκαιαναθημασινκεκοσμηταιειπεν
STATEN

En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij met schone stenen en begiftigingen versierd was, zeide Hij:

6
ταυτααθεωρειτεελευσονταιημεραιεναιςουκαφεθησεταιλιθοςεπιλιθωοςουκαταλυθησεται
STATEN

Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.

7
επηρωτησανδεαυτονλεγοντεςδιδασκαλεποτεουνταυταεσταικαιτιτοσημειονοτανμελληταυταγινεσθαι
STATEN

En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?

8
οδεειπενβλεπετεμηπλανηθητεπολλοιγαρελευσονταιεπιτωονοματιμουλεγοντεςοτιεγωειμικαιοκαιροςηγγικενμηουνπορευθητεοπισωαυτων
STATEN

En Hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.

9
οτανδεακουσητεπολεμουςκαιακαταστασιαςμηπτοηθητεδειγαρταυταγενεσθαιπρωτοναλλουκευθεωςτοτελος
STATEN

En wanneer gij zult horen van oorlogen en beroerten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden; maar nog is terstond het einde niet.

10
τοτεελεγεναυτοιςεγερθησεταιεθνοςεπιεθνοςκαιβασιλειαεπιβασιλειαν
STATEN

Toen zeide Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.

11
σεισμοιτεμεγαλοικατατοπουςκαιλιμοικαιλοιμοιεσονταιφοβητρατεκαισημειααπουρανουμεγαλαεσται
STATEN

En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentiën; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden.

12
προδετουτωναπαντωνεπιβαλουσινεφυμαςταςχειραςαυτωνκαιδιωξουσινπαραδιδοντεςειςσυναγωγαςκαιφυλακαςαγομενουςεπιβασιλειςκαιηγεμοναςενεκεντουονοματοςμου
STATEN

Maar vóór dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil.

13
αποβησεταιδευμινειςμαρτυριον
STATEN

En dit zal u overkomen tot een getuigenis.

14
θεσθεουνειςταςκαρδιαςυμωνμηπρομελεταναπολογηθηναι
STATEN

Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult;

15
εγωγαρδωσωυμινστομακαισοφιανηουδυνησονταιαντειπεινουδεαντιστηναιπαντεςοιαντικειμενοιυμιν
STATEN

Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten.

16
παραδοθησεσθεδεκαιυπογονεωνκαιαδελφωνκαισυγγενωνκαιφιλωνκαιθανατωσουσινεξυμων
STATEN

En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden.

17
καιεσεσθεμισουμενοιυποπαντωνδιατοονομαμου
STATEN

En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil.

18
καιθριξεκτηςκεφαληςυμωνουμηαποληται
STATEN

Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan.

19
εντηυπομονηυμωνκτησασθεταςqυχαςυμων
STATEN

Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.

20
οτανδειδητεκυκλουμενηνυποστρατοπεδωντηνιερουσαλημτοτεγνωτεοτιηγγικενηερημωσιςαυτης
STATEN

Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.

21
τοτεοιεντηιουδαιαφευγετωσανειςταορηκαιοιενμεσωαυτηςεκχωρειτωσανκαιοιενταιςχωραιςμηεισερχεσθωσανειςαυτην
STATEN

Alsdan die in Judéa zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen.

22
οτιημεραιεκδικησεωςαυταιεισιντουπληρωθηναιπανταταγεγραμμενα
STATEN

Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is.

23
ουαιδεταιςενγαστριεχουσαιςκαιταιςθηλαζουσαιςενεκειναιςταιςημεραιςεσταιγαραναγκημεγαληεπιτηςγηςκαιοργηεντωλαωτουτω
STATEN

Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.

24
καιπεσουνταιστοματιμαχαιραςκαιαιχμαλωτισθησονταιειςπανταταεθνηκαιιερουσαλημεσταιπατουμενηυποεθνωναχριπληρωθωσινκαιροιεθνων
STATEN

En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.

25
καιεσταισημειαενηλιωκαισεληνηκαιαστροιςκαιεπιτηςγηςσυνοχηεθνωνεναποριαηχουσηςθαλασσηςκαισαλου
STATEN

En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;

26
αποqυχοντωνανθρωπωναποφοβουκαιπροσδοκιαςτωνεπερχομενωντηοικουμενηαιγαρδυναμειςτωνουρανωνσαλευθησονται
STATEN

En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.

27
καιτοτεοqονταιτονυιοντουανθρωπουερχομενονεννεφελημεταδυναμεωςκαιδοξηςπολλης
STATEN

En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.

28
αρχομενωνδετουτωνγινεσθαιανακυqατεκαιεπαρατεταςκεφαλαςυμωνδιοτιεγγιζειηαπολυτρωσιςυμων
STATEN

Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.

29
καιειπενπαραβοληναυτοιςιδετετηνσυκηνκαιπανταταδενδρα
STATEN

En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen.

30
οτανπροβαλωσινηδηβλεποντεςαφεαυτωνγινωσκετεοτιηδηεγγυςτοθεροςεστιν
STATEN

Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is.

31
ουτωςκαιυμειςοτανιδητεταυταγινομεναγινωσκετεοτιεγγυςεστινηβασιλειατουθεου
STATEN

Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is.

32
αμηνλεγωυμινοτιουμηπαρελθηηγενεααυτηεωςανπανταγενηται
STATEN

Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.

33
οουρανοςκαιηγηπαρελευσονταιοιδελογοιμουουμηπαρελθωσιν
STATEN

De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.

34
προσεχετεδεεαυτοιςμηποτεβαρυνθωσινυμωναικαρδιαιενκραιπαληκαιμεθηκαιμεριμναιςβιωτικαιςκαιαιφνιδιοςεφυμαςεπιστηηημεραεκεινη
STATEN

En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens overkome.

35
ωςπαγιςγαρεπελευσεταιεπιπανταςτουςκαθημενουςεπιπροσωπονπασηςτηςγης
STATEN

Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn.

36
αγρυπνειτεουνενπαντικαιρωδεομενοιινακαταξιωθητεεκφυγεινταυταπανταταμελλονταγινεσθαικαισταθηναιεμπροσθεντουυιουτουανθρωπου
STATEN

Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.

37
ηνδεταςημεραςεντωιερωδιδασκωνταςδενυκταςεξερχομενοςηυλιζετοειςτοοροςτοκαλουμενονελαιων
STATEN

Des daags nu was Hij lerende in den tempel; maar des nachts ging Hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd den Olijfberg.

38
καιπαςολαοςωρθριζενπροςαυτονεντωιερωακουειναυτου
STATEN

En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in den tempel, om Hem te horen.