EVANGELIES

Lukas 23

Κατὰ Λουκᾶν
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
καιανασταναπαντοπληθοςαυτωνηγαγεναυτονεπιτονπιλατον
STATEN

En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus.

2
ηρξαντοδεκατηγορειναυτουλεγοντεςτουτονευρομενδιαστρεφοντατοεθνοςκαικωλυοντακαισαριφορουςδιδοναιλεγονταεαυτονχριστονβασιλεαειναι
STATEN

En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.

3
οδεπιλατοςεπηρωτησεναυτονλεγωνσυειοβασιλευςτωνιουδαιωνοδεαποκριθειςαυτωεφησυλεγεις
STATEN

En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.

4
οδεπιλατοςειπενπροςτουςαρχιερειςκαιτουςοχλουςουδενευρισκωαιτιονεντωανθρωπωτουτω
STATEN

En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen Mens.

5
οιδεεπισχυονλεγοντεςοτιανασειειτονλαονδιδασκωνκαθοληςτηςιουδαιαςαρξαμενοςαποτηςγαλιλαιαςεωςωδε
STATEN

En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Galiléa tot hier toe.

6
πιλατοςδεακουσαςγαλιλαιανεπηρωτησενειοανθρωποςγαλιλαιοςεστιν
STATEN

Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraagde hij, of die Mens een Galileeër was;

7
καιεπιγνουςοτιεκτηςεξουσιαςηρωδουεστινανεπεμqεναυτονπροςηρωδηνοντακαιαυτονενιεροσολυμοιςενταυταιςταιςημεραις
STATEN

En verstaande, dat Hij uit het gebied van Heródes was, zond hij Hem heen tot Heródes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.

8
οδεηρωδηςιδωντονιησουνεχαρηλιανηνγαρθελωνεξικανουιδειναυτονδιατοακουεινπολλαπεριαυτουκαιηλπιζεντισημειονιδεινυπαυτουγινομενον
STATEN

En als Heródes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.

9
επηρωταδεαυτονενλογοιςικανοιςαυτοςδεουδεναπεκρινατοαυτω
STATEN

En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.

10
ειστηκεισανδεοιαρχιερειςκαιοιγραμματειςευτονωςκατηγορουντεςαυτου
STATEN

En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftiglijk.

11
εξουθενησαςδεαυτονοηρωδηςσυντοιςστρατευμασιναυτουκαιεμπαιξαςπεριβαλωναυτονεσθηταλαμπρανανεπεμqεναυτοντωπιλατω
STATEN

En Heródes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.

12
εγενοντοδεφιλοιοτεπιλατοςκαιοηρωδηςεναυτητηημεραμεταλληλωνπρουπηρχονγαρενεχθραοντεςπροςεαυτους
STATEN

En op denzelfde dag werden Pilatus en Heródes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap de een tegen den anderen.

13
πιλατοςδεσυγκαλεσαμενοςτουςαρχιερειςκαιτουςαρχονταςκαιτονλαον
STATEN

En als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk bijeengeroepen had, zeide hij tot hen:

14
ειπενπροςαυτουςπροσηνεγκατεμοιτονανθρωποντουτονωςαποστρεφοντατονλαονκαιιδουεγωενωπιονυμωνανακριναςουδενευρονεντωανθρωπωτουτωαιτιονωνκατηγορειτεκαταυτου
STATEN

Gij hebt dezen Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen Mens geen schuld gevonden, van hetgeen daar gij Hem mede beschuldigt;

15
αλλουδεηρωδηςανεπεμqαγαρυμαςπροςαυτονκαιιδουουδεναξιονθανατουεστινπεπραγμενοναυτω
STATEN

Ja, ook Heródes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is.

16
παιδευσαςουναυτοναπολυσω
STATEN

Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.

17
αναγκηνδεειχεναπολυειναυτοιςκαταεορτηνενα
STATEN

En hij moest hun op het feest een loslaten.

18
ανεκραξανδεπαμπληθειλεγοντεςαιρετουτοναπολυσονδεημιντονβαραββαν
STATEN

Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat ons Bar-abbas los.

19
οστιςηνδιαστασιντιναγενομενηνεντηπολεικαιφονονβεβλημενοςειςφυλακην
STATEN

Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen.

20
παλινουνοπιλατοςπροσεφωνησενθελωναπολυσαιτονιησουν
STATEN

Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.

21
οιδεεπεφωνουνλεγοντεςσταυρωσονσταυρωσοναυτον
STATEN

Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem!

22
οδετριτονειπενπροςαυτουςτιγαρκακονεποιησενουτοςουδεναιτιονθανατουευρονεναυτωπαιδευσαςουναυτοναπολυσω
STATEN

En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.

23
οιδεεπεκειντοφωναιςμεγαλαιςαιτουμενοιαυτονσταυρωθηναικαικατισχυοναιφωναιαυτωνκαιτωναρχιερεων
STATEN

Maar zij hielden aan met groot geroep, eisende, dat Hij zou gekruist worden; en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger.

24
οδεπιλατοςεπεκρινενγενεσθαιτοαιτημααυτων
STATEN

En Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou.

25
απελυσενδεαυτοιςτονδιαστασινκαιφονονβεβλημενονειςτηνφυλακηνονητουντοτονδειησουνπαρεδωκεντωθεληματιαυτων
STATEN

En hij liet hun los dengene, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëist hadden; maar Jezus gaf hij over tot hun wil.

26
καιωςαπηγαγοναυτονεπιλαβομενοισιμωνοςτινοςκυρηναιουτουερχομενουαπαγρουεπεθηκαναυτωτονσταυρονφερεινοπισθεντουιησου
STATEN

En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyréne, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.

27
ηκολουθειδεαυτωπολυπληθοςτουλαουκαιγυναικωναικαιεκοπτοντοκαιεθρηνουναυτον
STATEN

En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden.

28
στραφειςδεπροςαυταςοιησουςειπενθυγατερεςιερουσαλημμηκλαιετεεπεμεπληνεφεαυταςκλαιετεκαιεπιτατεκναυμων
STATEN

En Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen.

29
οτιιδουερχονταιημεραιεναιςερουσινμακαριαιαιστειραικαικοιλιαιαιουκεγεννησανκαιμαστοιοιουκεθηλασαν
STATEN

Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.

30
τοτεαρξονταιλεγειντοιςορεσινπεσετεεφημαςκαιτοιςβουνοιςκαλυqατεημας
STATEN

Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons.

31
οτιειεντωυγρωξυλωταυταποιουσινεντωξηρωτιγενηται
STATEN

Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?

32
ηγοντοδεκαιετεροιδυοκακουργοισυναυτωαναιρεθηναι
STATEN

En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem gedood te worden.

33
καιοτεαπηλθονεπιτοντοποντονκαλουμενονκρανιονεκειεσταυρωσαναυτονκαιτουςκακουργουςονμενεκδεξιωνονδεεξαριστερων
STATEN

En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter-, en den ander ter linkerzijde.

34
οδειησουςελεγενπατεραφεςαυτοιςουγαροιδασιντιποιουσινδιαμεριζομενοιδεταιματιααυτουεβαλονκληρον
STATEN

En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.

35
καιειστηκειολαοςθεωρωνεξεμυκτηριζονδεκαιοιαρχοντεςσυναυτοιςλεγοντεςαλλουςεσωσενσωσατωεαυτονειουτοςεστινοχριστοςοτουθεουεκλεκτος
STATEN

En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.

36
ενεπαιζονδεαυτωκαιοιστρατιωταιπροσερχομενοικαιοξοςπροσφεροντεςαυτω
STATEN

En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik;

37
καιλεγοντεςεισυειοβασιλευςτωνιουδαιωνσωσονσεαυτον
STATEN

En zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.

38
ηνδεκαιεπιγραφηγεγραμμενηεπαυτωγραμμασινελληνικοιςκαιρωμαικοιςκαιεβραικοιςουτοςεστινοβασιλευςτωνιουδαιων
STATEN

En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN.

39
ειςδετωνκρεμασθεντωνκακουργωνεβλασφημειαυτονλεγωνεισυειοχριστοςσωσονσεαυτονκαιημας
STATEN

En een der kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons.

40
αποκριθειςδεοετεροςεπετιμααυτωλεγωνουδεφοβησυτονθεονοτιεντωαυτωκριματιει
STATEN

Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?

41
καιημειςμενδικαιωςαξιαγαρωνεπραξαμεναπολαμβανομενουτοςδεουδενατοπονεπραξεν
STATEN

En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.

42
καιελεγεντωιησουμνησθητιμουκυριεοτανελθηςεντηβασιλειασου
STATEN

En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.

43
καιειπεναυτωοιησουςαμηνλεγωσοισημερονμετεμουεσηεντωπαραδεισω
STATEN

En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.

44
ηνδεωσειωραεκτηκαισκοτοςεγενετοεφοληντηνγηνεωςωραςεννατης
STATEN

En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.

45
καιεσκοτισθηοηλιοςκαιεσχισθητοκαταπετασματουναουμεσον
STATEN

En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde middendoor.

46
καιφωνησαςφωνημεγαληοιησουςειπενπατερειςχειραςσουπαραθησομαιτοπνευμαμουκαιταυταειπωνεξεπνευσεν
STATEN

En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.

47
ιδωνδεοεκατονταρχοςτογενομενονεδοξασεντονθεονλεγωνοντωςοανθρωποςουτοςδικαιοςην
STATEN

Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.

48
καιπαντεςοισυμπαραγενομενοιοχλοιεπιτηνθεωριανταυτηνθεωρουντεςταγενομενατυπτοντεςεαυτωνταστηθηυπεστρεφον
STATEN

En al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hun borsten.

49
ειστηκεισανδεπαντεςοιγνωστοιαυτουμακροθενκαιγυναικεςαισυνακολουθησασαιαυτωαποτηςγαλιλαιαςορωσαιταυτα
STATEN

En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem te zamen gevolgd waren van Galiléa, en zagen dit aan.

50
καιιδουανηρονοματιιωσηφβουλευτηςυπαρχωνανηραγαθοςκαιδικαιος
STATEN

En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man,

51
ουτοςουκηνσυγκατατεθειμενοςτηβουληκαιτηπραξειαυτωναποαριμαθαιαςπολεωςτωνιουδαιωνοςκαιπροσεδεχετοκαιαυτοςτηνβασιλειαντουθεου
STATEN

(Deze had niet mede bewilligd in hun raad en handel) van Arimathéa, een stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte;

52
ουτοςπροσελθωντωπιλατωητησατοτοσωματουιησου
STATEN

Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.

53
καικαθελωναυτοενετυλιξεναυτοσινδονικαιεθηκεναυτοενμνηματιλαξευτωουουκηνουδεπωουδειςκειμενος
STATEN

En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.

54
καιημεραηνπαρασκευηκαισαββατονεπεφωσκεν
STATEN

En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.

55
κατακολουθησασαιδεκαιγυναικεςαιτινεςησανσυνεληλυθυιαιαυτωεκτηςγαλιλαιαςεθεασαντοτομνημειονκαιωςετεθητοσωμααυτου
STATEN

En ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galiléa, volgden na en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd.

56
υποστρεqασαιδεητοιμασαναρωματακαιμυρακαιτομενσαββατονησυχασανκατατηνεντολην
STATEN

En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod.