EVANGELIES

Lukas 11

Κατὰ Λουκᾶν
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
καιεγενετοεντωειναιαυτονεντοπωτινιπροσευχομενονωςεπαυσατοειπεντιςτωνμαθητωναυτουπροςαυτονκυριεδιδαξονημαςπροσευχεσθαικαθωςκαιιωαννηςεδιδαξεντουςμαθηταςαυτου
STATEN

En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.

2
ειπενδεαυτοιςοτανπροσευχησθελεγετεπατερημωνοεντοιςουρανοιςαγιασθητωτοονομασουελθετωηβασιλειασουγενηθητωτοθελημασουωςενουρανωκαιεπιτηςγης
STATEN

En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.

3
τοναρτονημωντονεπιουσιονδιδουημιντοκαθημεραν
STATEN

Geef ons elken dag ons dagelijks brood.

4
καιαφεςημινταςαμαρτιαςημωνκαιγαραυτοιαφιεμενπαντιοφειλοντιημινκαιμηεισενεγκηςημαςειςπειρασμοναλλαρυσαιημαςαποτουπονηρου
STATEN

En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.

5
καιειπενπροςαυτουςτιςεξυμωνεξειφιλονκαιπορευσεταιπροςαυτονμεσονυκτιουκαιειπηαυτωφιλεχρησονμοιτρειςαρτους
STATEN

En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal ter middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden;

6
επειδηφιλοςμουπαρεγενετοεξοδουπροςμεκαιουκεχωοπαραθησωαυτω
STATEN

Overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet, dat ik hem voorzette;

7
κακεινοςεσωθεναποκριθειςειπημημοικοπουςπαρεχεηδηηθυρακεκλεισταικαιταπαιδιαμουμετεμουειςτηνκοιτηνεισινουδυναμαιανασταςδουναισοι
STATEN

En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan, om u te geven.

8
λεγωυμινεικαιουδωσειαυτωανασταςδιατοειναιαυτουφιλονδιαγετηναναιδειαναυτουεγερθειςδωσειαυτωοσωνχρηζει
STATEN

Ik zeg ulieden: Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, nochtans om zijner onbeschaamdheid wil, zal hij opstaan, en hem geven zoveel als hij er behoeft.

9
καγωυμινλεγωαιτειτεκαιδοθησεταιυμινζητειτεκαιευρησετεκρουετεκαιανοιγησεταιυμιν
STATEN

En Ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.

10
παςγαροαιτωνλαμβανεικαιοζητωνευρισκεικαιτωκρουοντιανοιγησεται
STATEN

Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

11
τιναδευμωντονπατερααιτησειουιοςαρτονμηλιθονεπιδωσειαυτωεικαιιχθυνμηαντιιχθυοςοφινεπιδωσειαυτω
STATEN

En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?

12
ηκαιεαναιτησηωονμηεπιδωσειαυτωσκορπιον
STATEN

Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven?

13
ειουνυμειςπονηροιυπαρχοντεςοιδατεαγαθαδοματαδιδοναιτοιςτεκνοιςυμωνποσωμαλλονοπατηροεξουρανουδωσειπνευμααγιοντοιςαιτουσιναυτον
STATEN

Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?

14
καιηνεκβαλλωνδαιμονιονκαιαυτοηνκωφονεγενετοδετουδαιμονιουεξελθοντοςελαλησενοκωφοςκαιεθαυμασανοιοχλοι
STATEN

En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het geschiedde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich.

15
τινεςδεεξαυτωνειπονενβεελζεβουλαρχοντιτωνδαιμονιωνεκβαλλειταδαιμονια
STATEN

Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, den overste der duivelen.

16
ετεροιδεπειραζοντεςσημειονπαραυτουεζητουνεξουρανου
STATEN

En anderen, Hem verzoekende, begeerden van Hem een teken uit den hemel.

17
αυτοςδεειδωςαυτωνταδιανοηματαειπεναυτοιςπασαβασιλειαεφεαυτηνδιαμερισθεισαερημουταικαιοικοςεπιοικονπιπτει
STATEN

Maar Hij, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis, tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt.

18
ειδεκαιοσαταναςεφεαυτονδιεμερισθηπωςσταθησεταιηβασιλειααυτουοτιλεγετεενβεελζεβουλεκβαλλεινμεταδαιμονια
STATEN

Indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Dewijl gij zegt, dat Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp.

19
ειδεεγωενβεελζεβουλεκβαλλωταδαιμονιαοιυιοιυμωνεντινιεκβαλλουσινδιατουτοκριταιυμωναυτοιεσονται
STATEN

En indien Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze uw zonen uit? Daarom zullen dezen uw rechters zijn.

20
ειδεενδακτυλωθεουεκβαλλωταδαιμονιααραεφθασενεφυμαςηβασιλειατουθεου
STATEN

Maar indien Ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.

21
οτανοισχυροςκαθωπλισμενοςφυλασσητηνεαυτουαυληνενειρηνηεστινταυπαρχοντααυτου
STATEN

Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.

22
επανδεοισχυροτεροςαυτουεπελθωννικησηαυτοντηνπανοπλιαναυτουαιρειεφηεπεποιθεικαιτασκυλααυτουδιαδιδωσιν
STATEN

Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit.

23
ομηωνμετεμουκατεμουεστινκαιομησυναγωνμετεμουσκορπιζει
STATEN

Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.

24
οταντοακαθαρτονπνευμαεξελθηαποτουανθρωπουδιερχεταιδιανυδρωντοπωνζητουναναπαυσινκαιμηευρισκονλεγειυποστρεqωειςτονοικονμουοθενεξηλθον
STATEN

Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben.

25
καιελθονευρισκεισεσαρωμενονκαικεκοσμημενον
STATEN

En komende, vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd.

26
τοτεπορευεταικαιπαραλαμβανειεπταετεραπνευματαπονηροτεραεαυτουκαιεισελθοντακατοικειεκεικαιγινεταιταεσχατατουανθρωπουεκεινουχειρονατωνπρωτων
STATEN

Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van dien mens wordt erger dan het eerste.

27
εγενετοδεεντωλεγειναυτονταυταεπαρασατιςγυνηφωνηνεκτουοχλουειπεναυτωμακαριαηκοιλιαηβαστασασασεκαιμαστοιουςεθηλασας
STATEN

En het geschiedde, als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw, de stem verheffende uit de schare, tot Hem zeide: Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen.

28
αυτοςδεειπενμενουνγεμακαριοιοιακουοντεςτονλογοντουθεουκαιφυλασσοντεςαυτον
STATEN

Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en hetzelve bewaren.

29
τωνδεοχλωνεπαθροιζομενωνηρξατολεγεινηγενεααυτηπονηραεστινσημειονεπιζητεικαισημειονουδοθησεταιαυτηειμητοσημειονιωνατουπροφητου
STATEN

En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelve zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.

30
καθωςγαρεγενετοιωναςσημειοντοιςνινευιταιςουτωςεσταικαιουιοςτουανθρωπουτηγενεαταυτη
STATEN

Want gelijk Jonas den Nínevieten een teken geweest is, alzo zal ook de Zoon des mensen zijn dezen geslachte.

31
βασιλισσανοτουεγερθησεταιεντηκρισειμετατωνανδρωντηςγενεαςταυτηςκαικατακρινειαυτουςοτιηλθενεκτωνπερατωντηςγηςακουσαιτηνσοφιανσολομωντοςκαιιδουπλειονσολομωντοςωδε
STATEN

De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen de wijsheid van Sálomo; en ziet, meer dan Sálomo is hier.

32
ανδρεςνινευιαναστησονταιεντηκρισειμετατηςγενεαςταυτηςκαικατακρινουσιναυτηνοτιμετενοησανειςτοκηρυγμαιωνακαιιδουπλειονιωναωδε
STATEN

De mannen van Nínevé, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!

33
ουδειςδελυχνοναqαςειςκρυπτοντιθησινουδευποτονμοδιοναλλεπιτηνλυχνιανιναοιεισπορευομενοιτοφεγγοςβλεπωσιν
STATEN

En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen, noch onder een koornmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.

34
ολυχνοςτουσωματοςεστινοοφθαλμοςοτανουνοοφθαλμοςσουαπλουςηκαιολοντοσωμασουφωτεινονεστινεπανδεπονηροςηκαιτοσωμασουσκοτεινον
STATEN

De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.

35
σκοπειουνμητοφωςτοενσοισκοτοςεστιν
STATEN

Zie dan toe, dat niet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij.

36
ειουντοσωμασουολονφωτεινονμηεχοντιμεροςσκοτεινονεσταιφωτεινονολονωςοτανολυχνοςτηαστραπηφωτιζησε
STATEN

Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel, dat duister is, zo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.

37
ενδετωλαλησαιηρωτααυτονφαρισαιοςτιςοπωςαριστησηπαραυτωεισελθωνδεανεπεσεν
STATEN

Als Hij nu dit sprak, bad Hem een zeker farizeeër, dat Hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat Hij aan.

38
οδεφαρισαιοςιδωνεθαυμασενοτιουπρωτονεβαπτισθηπροτουαριστου
STATEN

En de farizeeër, dat ziende, verwonderde zich, dat Hij niet eerst, voor het middagmaal, Zich gewassen had.

39
ειπενδεοκυριοςπροςαυτοννυνυμειςοιφαρισαιοιτοεξωθεντουποτηριουκαιτουπινακοςκαθαριζετετοδεεσωθενυμωνγεμειαρπαγηςκαιπονηριας
STATEN

En de Heere zeide tot hem: Nu gij farizeeën, gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid.

40
αφρονεςουχοποιησαςτοεξωθενκαιτοεσωθενεποιησεν
STATEN

Gij onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt?

41
πληνταενονταδοτεελεημοσυνηνκαιιδουπαντακαθαραυμινεστιν
STATEN

Doch geeft tot aalmoes, hetgeen daarin is; en ziet, alles is u rein.

42
αλλουαιυμιντοιςφαρισαιοιςοτιαποδεκατουτετοηδυοσμονκαιτοπηγανονκαιπανλαχανονκαιπαρερχεσθετηνκρισινκαιτηναγαπηντουθεουταυταεδειποιησαικακειναμηαφιεναι
STATEN

Maar wee u, farizeeën, want gij vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten.

43
ουαιυμιντοιςφαρισαιοιςοτιαγαπατετηνπρωτοκαθεδριανενταιςσυναγωγαιςκαιτουςασπασμουςενταιςαγοραις
STATEN

Wee u, farizeeën, want gij bemint het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten.

44
ουαιυμινγραμματειςκαιφαρισαιοιυποκριταιοτιεστεωςταμνημειατααδηλακαιοιανθρωποιοιπεριπατουντεςεπανωουκοιδασιν
STATEN

Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij zijt gelijk de graven, die niet openbaar zijn, en de mensen, die daarover wandelen, weten het niet.

45
αποκριθειςδετιςτωννομικωνλεγειαυτωδιδασκαλεταυταλεγωνκαιημαςυβριζεις
STATEN

En een van de wetgeleerden, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! als Gij deze dingen zegt, zo doet Gij ook ons smaadheid aan.

46
οδεειπενκαιυμιντοιςνομικοιςουαιοτιφορτιζετετουςανθρωπουςφορτιαδυσβαστακτακαιαυτοιενιτωνδακτυλωνυμωνουπροσqαυετετοιςφορτιοις
STATEN

Doch Hij zeide: Wee ook u, wetgeleerden! want gij belast de mensen met lasten, zwaar om te dragen, en zelven raakt gij die lasten niet aan met een van uw vingeren.

47
ουαιυμινοτιοικοδομειτεταμνημειατωνπροφητωνοιδεπατερεςυμωναπεκτειναναυτους
STATEN

Wee u, want gij bouwt de graven der profeten, en uw vaders hebben dezelve gedood.

48
αραμαρτυρειτεκαισυνευδοκειτετοιςεργοιςτωνπατερωνυμωνοτιαυτοιμεναπεκτειναναυτουςυμειςδεοικοδομειτεαυτωνταμνημεια
STATEN

Zo getuigt gij dan, dat gij mede behagen hebt aan de werken uwer vaderen; want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hun graven.

49
διατουτοκαιησοφιατουθεουειπεναποστελωειςαυτουςπροφηταςκαιαποστολουςκαιεξαυτωναποκτενουσινκαιεκδιωξουσιν
STATEN

Waarom ook de Wijsheid Gods zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen;

50
ιναεκζητηθητοαιμαπαντωντωνπροφητωντοεκχυνομενοναποκαταβοληςκοσμουαποτηςγενεαςταυτης
STATEN

Opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af.

51
αποτουαιματοςαβελεωςτουαιματοςζαχαριουτουαπολομενουμεταξυτουθυσιαστηριουκαιτουοικουναιλεγωυμινεκζητηθησεταιαποτηςγενεαςταυτης
STATEN

Van het bloed van Abel, tot het bloed van Zacharía, die gedood is tussen het altaar en het huis Gods; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht!

52
ουαιυμιντοιςνομικοιςοτιηρατετηνκλειδατηςγνωσεωςαυτοιουκεισηλθετεκαιτουςεισερχομενουςεκωλυσατε
STATEN

Wee u, gij wetgeleerden, want gij hebt den sleutel der kennis weggenomen; gijzelven zijt niet ingegaan, en die ingingen, hebt gij verhinderd.

53
λεγοντοςδεαυτουταυταπροςαυτουςηρξαντοοιγραμματειςκαιοιφαρισαιοιδεινωςενεχεινκαιαποστοματιζειναυτονπεριπλειονων
STATEN

En als Hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de schriftgeleerden en farizeeën hard aan te houden, en Hem van vele dingen te doen spreken;

54
ενεδρευοντεςαυτονκαιζητουντεςθηρευσαιτιεκτουστοματοςαυτουινακατηγορησωσιναυτου
STATEN

Hem lagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten.