EVANGELIES

Lukas 17

Κατὰ Λουκᾶν
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
ειπενδεπροςτουςμαθηταςανενδεκτονεστιντουμηελθειντασκανδαλαουαιδεδιουερχεται
STATEN

En Hij zeide tot de discipelen: Het kan niet wezen, dat er geen ergernissen komen; doch wee hem, door welken zij komen;

2
λυσιτελειαυτωειμυλοςονικοςπερικειταιπεριτοντραχηλοναυτουκαιερριπταιειςτηνθαλασσανηινασκανδαλισηενατωνμικρωντουτων
STATEN

Het zoude hem nuttiger zijn, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en hij in de zee geworpen, dan dat hij een van deze kleinen zou ergeren.

3
προσεχετεεαυτοιςεανδεαμαρτηειςσεοαδελφοςσουεπιτιμησοναυτωκαιεανμετανοησηαφεςαυτω
STATEN

Wacht uzelven. En indien uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en indien het hem leed is, zo vergeef het hem.

4
καιεανεπτακιςτηςημεραςαμαρτηειςσεκαιεπτακιςτηςημεραςεπιστρεqηεπισελεγωνμετανοωαφησειςαυτω
STATEN

En indien hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult gij het hem vergeven.

5
καιειπονοιαποστολοιτωκυριωπροσθεςημινπιστιν
STATEN

En de apostelen zeiden tot den Heere: Vermeerder ons het geloof.

6
ειπενδεοκυριοςειειχετεπιστινωςκοκκονσιναπεωςελεγετεαντησυκαμινωταυτηεκριζωθητικαιφυτευθητιεντηθαλασσηκαιυπηκουσενανυμιν
STATEN

En de Heere zeide: Zo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tegen dezen moerbeziënboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.

7
τιςδεεξυμωνδουλονεχωναροτριωνταηποιμαινονταοςεισελθοντιεκτουαγρουερειευθεωςπαρελθωναναπεσαι
STATEN

En wie van u heeft een dienstknecht ploegende, of de beesten hoedende, die tot hem, als hij van den akker inkomt, terstond zal zeggen: Kom bij, en zit aan?

8
αλλουχιερειαυτωετοιμασοντιδειπνησωκαιπεριζωσαμενοςδιακονειμοιεωςφαγωκαιπιωκαιμεταταυταφαγεσαικαιπιεσαισυ
STATEN

Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid, dat ik te avond zal eten, en omgord u, en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; en eet en drink gij daarna?

9
μηχαρινεχειτωδουλωεκεινωοτιεποιησενταδιαταχθεντααυτωουδοκω
STATEN

Dankt hij ook denzelven dienstknecht omdat hij gedaan heeft, hetgeen hem bevolen was? Ik meen, neen.

10
ουτωςκαιυμειςοτανποιησητεπανταταδιαταχθενταυμινλεγετεοτιδουλοιαχρειοιεσμενοτιοωφειλομενποιησαιπεποιηκαμεν
STATEN

Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.

11
καιεγενετοεντωπορευεσθαιαυτονειςιερουσαλημκαιαυτοςδιηρχετοδιαμεσουσαμαρειαςκαιγαλιλαιας
STATEN

En het geschiedde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galiléa ging.

12
καιεισερχομενουαυτουειςτινακωμηναπηντησαναυτωδεκαλεπροιανδρεςοιεστησανπορρωθεν
STATEN

En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;

13
καιαυτοιηρανφωνηνλεγοντεςιησουεπισταταελεησονημας
STATEN

En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer!

14
καιιδωνειπεναυτοιςπορευθεντεςεπιδειξατεεαυτουςτοιςιερευσινκαιεγενετοεντωυπαγειναυτουςεκαθαρισθησαν
STATEN

En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven den priesteren. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.

15
ειςδεεξαυτωνιδωνοτιιαθηυπεστρεqενμεταφωνηςμεγαληςδοξαζωντονθεον
STATEN

En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende.

16
καιεπεσενεπιπροσωπονπαρατουςποδαςαυτουευχαριστωναυτωκαιαυτοςηνσαμαρειτης
STATEN

En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan;

17
αποκριθειςδεοιησουςειπενουχιοιδεκαεκαθαρισθησανοιδεεννεαπου
STATEN

En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?

18
ουχευρεθησανυποστρεqαντεςδουναιδοξαντωθεωειμηοαλλογενηςουτος
STATEN

En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?

19
καιειπεναυτωανασταςπορευουηπιστιςσουσεσωκενσε
STATEN

En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.

20
επερωτηθειςδευποτωνφαρισαιωνποτεερχεταιηβασιλειατουθεουαπεκριθηαυτοιςκαιειπενουκερχεταιηβασιλειατουθεουμεταπαρατηρησεως
STATEN

En gevraagd zijnde van de farizeeën, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat.

21
ουδεερουσινιδουωδεηιδουεκειιδουγαρηβασιλειατουθεουεντοςυμωνεστιν
STATEN

En men zal niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar, want, ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden.

22
ειπενδεπροςτουςμαθηταςελευσονταιημεραιοτεεπιθυμησετεμιαντωνημερωντουυιουτουανθρωπουιδεινκαιουκοqεσθε
STATEN

En Hij zeide tot de discipelen: Er zullen dagen komen, wanneer gij zult begeren een der dagen van den Zoon des mensen te zien, en gij zult dien niet zien.

23
καιερουσινυμινιδουωδεηιδουεκειμηαπελθητεμηδεδιωξητε
STATEN

En zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of ziet daar is Hij; gaat niet heen, en volgt niet.

24
ωσπεργαρηαστραπηηαστραπτουσαεκτηςυπουρανονειςτηνυπουρανονλαμπειουτωςεσταικαιουιοςτουανθρωπουεντηημερααυτου
STATEN

Want gelijk de bliksem, die van het ene einde onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel schijnt, alzo zal ook de Zoon des mensen wezen in Zijn dag.

25
πρωτονδεδειαυτονπολλαπαθεινκαιαποδοκιμασθηναιαποτηςγενεαςταυτης
STATEN

Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden van dit geslacht.

26
καικαθωςεγενετοενταιςημεραιςτουνωεουτωςεσταικαιενταιςημεραιςτουυιουτουανθρωπου
STATEN

En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen.

27
ησθιονεπινονεγαμουνεξεγαμιζοντοαχριηςημεραςεισηλθεννωεειςτηνκιβωτονκαιηλθενοκατακλυσμοςκαιαπωλεσεναπαντας
STATEN

Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen.

28
ομοιωςκαιωςεγενετοενταιςημεραιςλωτησθιονεπινονηγοραζονεπωλουνεφυτευονωκοδομουν
STATEN

Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden;

29
ηδεημεραεξηλθενλωταποσοδομωνεβρεξενπυρκαιθειοναπουρανουκαιαπωλεσεναπαντας
STATEN

Maar op den dag, op welken Lot van Sódom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen.

30
καταταυταεσταιηημεραουιοςτουανθρωπουαποκαλυπτεται
STATEN

Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.

31
ενεκεινητηημεραοςεσταιεπιτουδωματοςκαιτασκευηαυτουεντηοικιαμηκαταβατωαραιαυτακαιοεντωαγρωομοιωςμηεπιστρεqατωειςταοπισω
STATEN

In dienzelven dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die kere desgelijks niet naar hetgeen, dat achter is.

32
μνημονευετετηςγυναικοςλωτ
STATEN

Gedenkt aan de vrouw van Lot.

33
οςεανζητησητηνqυχηναυτουσωσαιαπολεσειαυτηνκαιοςεαναπολεσηαυτηνζωογονησειαυτην
STATEN

Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in het leven behouden.

34
λεγωυμινταυτητηνυκτιεσονταιδυοεπικλινηςμιαςοειςπαραληφθησεταικαιοετεροςαφεθησεται
STATEN

Ik zeg u: In dien nacht zullen twee op een bed zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.

35
δυοεσονταιαληθουσαιεπιτοαυτοημιαπαραληφθησεταικαιηετερααφεθησεται
STATEN

Twee vrouwen zullen te zamen malen; de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.

36

δυο εσονται εν τω αγρω ο εις παραληφθησεται και ο ετερος αφεθησεται

STATEN

Twee zullen op den akker zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.

37
καιαποκριθεντεςλεγουσιναυτωπουκυριεοδεειπεναυτοιςοπουτοσωμαεκεισυναχθησονταιοιαετοι
STATEN

En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heere? En Hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.