EVANGELIES

Lukas 1

Κατὰ Λουκᾶν
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlinear
1
επειδηπερπολλοιεπεχειρησαναναταξασθαιδιηγησινπεριτωνπεπληροφορημενωνενημινπραγματων
STATEN

Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben;

2
καθωςπαρεδοσανημινοιαπαρχηςαυτοπταικαιυπηρεταιγενομενοιτουλογου
STATEN

Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn;

3
εδοξενκαμοιπαρηκολουθηκοτιανωθενπασινακριβωςκαθεξηςσοιγραqαικρατιστεθεοφιλε
STATEN

Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theófilus!

4
ιναεπιγνωςπεριωνκατηχηθηςλογωντηνασφαλειαν
STATEN

Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt.

5
εγενετοενταιςημεραιςηρωδουτουβασιλεωςτηςιουδαιαςιερευςτιςονοματιζαχαριαςεξεφημεριαςαβιακαιηγυνηαυτουεκτωνθυγατερωνααρωνκαιτοονομααυτηςελισαβετ
STATEN

In de dagen van Heródes, den koning van Judéa, was een zeker priester, met name Zacharías, van de dagorde van Abía; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aäron, en haar naam Elizabet.

6
ησανδεδικαιοιαμφοτεροιενωπιοντουθεουπορευομενοιενπασαιςταιςεντολαιςκαιδικαιωμασιντουκυριουαμεμπτοι
STATEN

En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk.

7
καιουκηναυτοιςτεκνονκαθοτιηελισαβετηνστειρακαιαμφοτεροιπροβεβηκοτεςενταιςημεραιςαυτωνησαν
STATEN

En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren.

8
εγενετοδεεντωιερατευειναυτονεντηταξειτηςεφημεριαςαυτουεναντιτουθεου
STATEN

En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde.

9
κατατοεθοςτηςιερατειαςελαχεντουθυμιασαιεισελθωνειςτονναοντουκυριου
STATEN

Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.

10
καιπαντοπληθοςτουλαουηνπροσευχομενονεξωτηωρατουθυμιαματος
STATEN

En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.

11
ωφθηδεαυτωαγγελοςκυριουεστωςεκδεξιωντουθυσιαστηριουτουθυμιαματος
STATEN

En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechterzijde van het altaar des reukoffers.

12
καιεταραχθηζαχαριαςιδωνκαιφοβοςεπεπεσενεπαυτον
STATEN

En Zacharías, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.

13
ειπενδεπροςαυτονοαγγελοςμηφοβουζαχαριαδιοτιεισηκουσθηηδεησιςσουκαιηγυνησουελισαβετγεννησειυιονσοικαικαλεσειςτοονομααυτουιωαννην
STATEN

Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharías! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.

14
καιεσταιχαρασοικαιαγαλλιασιςκαιπολλοιεπιτηγεννησειαυτουχαρησονται
STATEN

En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.

15
εσταιγαρμεγαςενωπιοντουκυριουκαιοινονκαισικεραουμηπιηκαιπνευματοςαγιουπλησθησεταιετιεκκοιλιαςμητροςαυτου
STATEN

Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.

16
καιπολλουςτωνυιωνισραηλεπιστρεqειεπικυριοντονθεοναυτων
STATEN

En hij zal velen der kinderen Israëls bekeren tot den Heere, hun God.

17
καιαυτοςπροελευσεταιενωπιοναυτουενπνευματικαιδυναμειηλιουεπιστρεqαικαρδιαςπατερωνεπιτεκνακαιαπειθειςενφρονησειδικαιωνετοιμασαικυριωλαονκατεσκευασμενον
STATEN

En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elías, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.

18
καιειπενζαχαριαςπροςτοναγγελονκατατιγνωσομαιτουτοεγωγαρειμιπρεσβυτηςκαιηγυνημουπροβεβηκυιαενταιςημεραιςαυτης
STATEN

En Zacharías zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen.

19
καιαποκριθειςοαγγελοςειπεναυτωεγωειμιγαβριηλοπαρεστηκωςενωπιοντουθεουκαιαπεσταληνλαλησαιπροςσεκαιευαγγελισασθαισοιταυτα
STATEN

En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.

20
καιιδουεσησιωπωνκαιμηδυναμενοςλαλησαιαχριηςημεραςγενηταιταυταανθωνουκεπιστευσαςτοιςλογοιςμουοιτινεςπληρωθησονταιειςτονκαιροναυτων
STATEN

En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.

21
καιηνολαοςπροσδοκωντονζαχαριανκαιεθαυμαζονεντωχρονιζειναυτονεντωναω
STATEN

En het volk was wachtende op Zacharías, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.

22
εξελθωνδεουκηδυνατολαλησαιαυτοιςκαιεπεγνωσανοτιοπτασιανεωρακενεντωναωκαιαυτοςηνδιανευωναυτοιςκαιδιεμενενκωφος
STATEN

En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.

23
καιεγενετοωςεπλησθησαναιημεραιτηςλειτουργιαςαυτουαπηλθενειςτονοικοναυτου
STATEN

En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.

24
μεταδεταυταςταςημεραςσυνελαβενελισαβετηγυνηαυτουκαιπεριεκρυβενεαυτηνμηναςπεντελεγουσα
STATEN

En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende:

25
οτιουτωςμοιπεποιηκενοκυριοςενημεραιςαιςεπειδεναφελειντοονειδοςμουενανθρωποις
STATEN

Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.

26
ενδετωμηνιτωεκτωαπεσταληοαγγελοςγαβριηλυποτουθεουειςπολιντηςγαλιλαιαςηονομαναζαρεθ
STATEN

En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galiléa, genaamd Názareth;

27
προςπαρθενονμεμνηστευμενηνανδριωονομαιωσηφεξοικουδαβιδκαιτοονοματηςπαρθενουμαριαμ
STATEN

Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria.

28
καιεισελθωνοαγγελοςπροςαυτηνειπενχαιρεκεχαριτωμενηοκυριοςμετασουευλογημενησυενγυναιξιν
STATEN

En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen.

29
ηδειδουσαδιεταραχθηεπιτωλογωαυτουκαιδιελογιζετοποταποςειηοασπασμοςουτος
STATEN

En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overlegde, hoedanig deze groetenis mocht zijn.

30
καιειπενοαγγελοςαυτημηφοβουμαριαμευρεςγαρχαρινπαρατωθεω
STATEN

En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.

31
καιιδουσυλληqηενγαστρικαιτεξηυιονκαικαλεσειςτοονομααυτουιησουν
STATEN

En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.

32
ουτοςεσταιμεγαςκαιυιοςυqιστουκληθησεταικαιδωσειαυτωκυριοςοθεοςτονθρονονδαβιδτουπατροςαυτου
STATEN

Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.

33
καιβασιλευσειεπιτονοικονιακωβειςτουςαιωναςκαιτηςβασιλειαςαυτουουκεσταιτελος
STATEN

En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

34
ειπενδεμαριαμπροςτοναγγελονπωςεσταιτουτοεπειανδραουγινωσκω
STATEN

En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?

35
καιαποκριθειςοαγγελοςειπεναυτηπνευμααγιονεπελευσεταιεπισεκαιδυναμιςυqιστουεπισκιασεισοιδιοκαιτογεννωμενονεκσουαγιονκληθησεταιυιοςθεου
STATEN

En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.

36
καιιδουελισαβετησυγγενηςσουκαιαυτησυνειληφυιαυιονενγηρααυτηςκαιουτοςμηνεκτοςεστιναυτητηκαλουμενηστειρα
STATEN

En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.

37
οτιουκαδυνατησειπαρατωθεωπανρημα
STATEN

Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.

38
ειπενδεμαριαμιδουηδουληκυριουγενοιτομοικατατορημασουκαιαπηλθεναπαυτηςοαγγελος
STATEN

En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

39
αναστασαδεμαριαμενταιςημεραιςταυταιςεπορευθηειςτηνορεινηνμετασπουδηςειςπολινιουδα
STATEN

En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda;

40
καιεισηλθενειςτονοικονζαχαριουκαιησπασατοτηνελισαβετ
STATEN

En kwam in het huis van Zacharías, en groette Elizabet.

41
καιεγενετοωςηκουσενηελισαβεττονασπασμοντηςμαριαςεσκιρτησεντοβρεφοςεντηκοιλιααυτηςκαιεπλησθηπνευματοςαγιουηελισαβετ
STATEN

En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;

42
καιανεφωνησενφωνημεγαληκαιειπενευλογημενησυενγυναιξινκαιευλογημενοςοκαρποςτηςκοιλιαςσου
STATEN

En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!

43
καιποθενμοιτουτοιναελθηημητηρτουκυριουμουπροςμε
STATEN

En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?

44
ιδουγαρωςεγενετοηφωνητουασπασμουσουειςταωταμουεσκιρτησενεναγαλλιασειτοβρεφοςεντηκοιλιαμου
STATEN

Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.

45
καιμακαριαηπιστευσασαοτιεσταιτελειωσιςτοιςλελαλημενοιςαυτηπαρακυριου
STATEN

En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.

46
καιειπενμαριαμμεγαλυνειηqυχημουτονκυριον
STATEN

En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere;

47
καιηγαλλιασεντοπνευμαμουεπιτωθεωτωσωτηριμου
STATEN

En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker;

48
οτιεπεβλεqενεπιτηνταπεινωσιντηςδουληςαυτουιδουγαραποτουνυνμακαριουσινμεπασαιαιγενεαι
STATEN

Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.

49
οτιεποιησενμοιμεγαλειαοδυνατοςκαιαγιοντοονομααυτου
STATEN

Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.

50
καιτοελεοςαυτουειςγενεαςγενεωντοιςφοβουμενοιςαυτον
STATEN

En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.

51
εποιησενκρατοςενβραχιονιαυτουδιεσκορπισενυπερηφανουςδιανοιακαρδιαςαυτων
STATEN

Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.

52
καθειλενδυνασταςαποθρονωνκαιυqωσενταπεινους
STATEN

Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.

53
πεινωνταςενεπλησεναγαθωνκαιπλουτουνταςεξαπεστειλενκενους
STATEN

Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.

54
αντελαβετοισραηλπαιδοςαυτουμνησθηναιελεους
STATEN

Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.

55
καθωςελαλησενπροςτουςπατεραςημωντωαβρααμκαιτωσπερματιαυτουειςτοναιωνα
STATEN

(Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid.

56
εμεινενδεμαριαμσυναυτηωσειμηναςτρειςκαιυπεστρεqενειςτονοικοναυτης
STATEN

En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis.

57
τηδεελισαβετεπλησθηοχρονοςτουτεκειναυτηνκαιεγεννησενυιον
STATEN

En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde een zoon.

58
καιηκουσανοιπεριοικοικαιοισυγγενειςαυτηςοτιεμεγαλυνενκυριοςτοελεοςαυτουμεταυτηςκαισυνεχαιροναυτη
STATEN

En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd.

59
καιεγενετοεντηογδοηημεραηλθονπεριτεμειντοπαιδιονκαιεκαλουναυτοεπιτωονοματιτουπατροςαυτουζαχαριαν
STATEN

En het geschiedde, dat zij op den achtsten dag kwamen, om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharías, naar den naam zijns vaders.

60
καιαποκριθεισαημητηραυτουειπενουχιαλλακληθησεταιιωαννης
STATEN

En zijn moeder antwoordde en zeide: Niet alzo, maar hij zal Johannes heten.

61
καιειπονπροςαυτηνοτιουδειςεστινεντησυγγενειασουοςκαλειταιτωονοματιτουτω
STATEN

En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw maagschap, die met dien naam genaamd wordt.

62
ενενευονδετωπατριαυτουτοτιανθελοικαλεισθαιαυτον
STATEN

En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou worden.

63
καιαιτησαςπινακιδιονεγραqενλεγωνιωαννηςεστιντοονομααυτουκαιεθαυμασανπαντες
STATEN

En als hij een schrijftafeltje geëist had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.

64
ανεωχθηδετοστομααυτουπαραχρημακαιηγλωσσααυτουκαιελαλειευλογωντονθεον
STATEN

En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende.

65
καιεγενετοεπιπανταςφοβοςτουςπεριοικουνταςαυτουςκαιενολητηορεινητηςιουδαιαςδιελαλειτοπανταταρηματαταυτα
STATEN

En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het gehele gebergte van Judéa werd veel gesproken van al deze dingen.

66
καιεθεντοπαντεςοιακουσαντεςεντηκαρδιααυτωνλεγοντεςτιαρατοπαιδιοντουτοεσταικαιχειρκυριουηνμεταυτου
STATEN

En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem.

67
καιζαχαριαςοπατηραυτουεπλησθηπνευματοςαγιουκαιπροεφητευσενλεγων
STATEN

En Zacharías, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en profeteerde, zeggende:

68
ευλογητοςκυριοςοθεοςτουισραηλοτιεπεσκεqατοκαιεποιησενλυτρωσιντωλαωαυτου
STATEN

Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volke;

69
καιηγειρενκεραςσωτηριαςημινεντωοικωδαβιδτουπαιδοςαυτου
STATEN

En heeft een Hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;

70
καθωςελαλησενδιαστοματοςτωναγιωντωναπαιωνοςπροφητωναυτου
STATEN

Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn;

71
σωτηριανεξεχθρωνημωνκαιεκχειροςπαντωντωνμισουντωνημας
STATEN

Namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand al dergenen, die ons haten;

72
ποιησαιελεοςμετατωνπατερωνημωνκαιμνησθηναιδιαθηκηςαγιαςαυτου
STATEN

Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond;

73
ορκονονωμοσενπροςαβρααμτονπατεραημωντουδουναιημιν
STATEN

En aan den eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft, om ons te geven.

74
αφοβωςεκχειροςτωνεχθρωνημωνρυσθενταςλατρευειναυτω
STATEN

Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze.

75
ενοσιοτητικαιδικαιοσυνηενωπιοναυτουπασαςταςημεραςτηςζωηςημων
STATEN

In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens.

76
καισυπαιδιονπροφητηςυqιστουκληθησηπροπορευσηγαρπροπροσωπουκυριουετοιμασαιοδουςαυτου
STATEN

En gij, kindeken, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Zijn wegen te bereiden;

77
τουδουναιγνωσινσωτηριαςτωλαωαυτουεναφεσειαμαρτιωναυτων
STATEN

Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden,

78
διασπλαγχναελεουςθεουημωνενοιςεπεσκεqατοημαςανατοληεξυqους
STATEN

Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;

79
επιφαναιτοιςενσκοτεικαισκιαθανατουκαθημενοιςτουκατευθυναιτουςποδαςημωνειςοδονειρηνης
STATEN

Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.

80
τοδεπαιδιονηυξανενκαιεκραταιουτοπνευματικαιηνενταιςερημοιςεωςημεραςαναδειξεωςαυτουπροςτονισραηλ
STATEN

En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen, tot den dag zijner vertoning aan Israël.