EVANGELIES

Lukas 4

Κατὰ Λουκᾶν
Hoofdstukken (24)
123456789101112131415161718192021222324
Getuigen
Interlineair
1
ιησουςδεπνευματοςαγιουπληρηςυπεστρεqεναποτουιορδανουκαιηγετοεντωπνευματιειςτηνερημον
STATEN

En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn;

2
ημεραςτεσσαρακονταπειραζομενοςυποτουδιαβολουκαιουκεφαγενουδενενταιςημεραιςεκειναιςκαισυντελεσθεισωναυτωνυστερονεπεινασεν
STATEN

En werd veertig dagen verzocht van den duivel; en at gans niet in die dagen, en als dezelve geëindigd waren, zo hongerde Hem ten laatste.

3
καιειπεναυτωοδιαβολοςειυιοςειτουθεουειπετωλιθωτουτωιναγενηταιαρτος
STATEN

En de duivel zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen, dat hij brood worde.

4
καιαπεκριθηιησουςπροςαυτονλεγωνγεγραπταιοτιουκεπαρτωμονωζησεταιοανθρωποςαλλεπιπαντιρηματιθεου
STATEN

En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods.

5
καιαναγαγωναυτονοδιαβολοςειςοροςυqηλονεδειξεναυτωπασαςταςβασιλειαςτηςοικουμενηςενστιγμηχρονου
STATEN

En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds.

6
καιειπεναυτωοδιαβολοςσοιδωσωτηνεξουσιανταυτηναπασανκαιτηνδοξαναυτωνοτιεμοιπαραδεδοταικαιωεανθελωδιδωμιαυτην
STATEN

En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil;

7
συουνεανπροσκυνησηςενωπιονμουεσταισουπαντα
STATEN

Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn.

8
καιαποκριθειςαυτωειπενοιησουςυπαγεοπισωμουσαταναγεγραπταιγαρπροσκυνησειςκυριοντονθεονσουκαιαυτωμονωλατρευσεις
STATEN

En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.

9
καιηγαγεναυτονειςιερουσαλημκαιεστησεναυτονεπιτοπτερυγιοντουιερουκαιειπεναυτωειουιοςειτουθεουβαλεσεαυτονεντευθενκατω
STATEN

En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de tinne des tempels, en zeide tot Hem: Indien Gij de Zoon Gods zijt, werp Uzelven van hier nederwaarts;

10
γεγραπταιγαροτιτοιςαγγελοιςαυτουεντελειταιπερισουτουδιαφυλαξαισε
STATEN

Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen;

11
καιοτιεπιχειρωναρουσινσεμηποτεπροσκοqηςπροςλιθοντονποδασου
STATEN

En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.

12
καιαποκριθειςειπεναυτωοιησουςοτιειρηταιουκεκπειρασειςκυριοντονθεονσου
STATEN

En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Er is gezegd: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.

13
καισυντελεσαςπανταπειρασμονοδιαβολοςαπεστηαπαυτουαχρικαιρου
STATEN

En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem voor een tijd.

14
καιυπεστρεqενοιησουςεντηδυναμειτουπνευματοςειςτηνγαλιλαιανκαιφημηεξηλθενκαθοληςτηςπεριχωρουπεριαυτου
STATEN

En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galiléa; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.

15
καιαυτοςεδιδασκενενταιςσυναγωγαιςαυτωνδοξαζομενοςυποπαντων
STATEN

En Hij leerde in hun synagogen, en werd van allen geprezen.

16
καιηλθενειςτηνναζαρεθουηντεθραμμενοςκαιεισηλθενκατατοειωθοςαυτωεντηημερατωνσαββατωνειςτηνσυναγωγηνκαιανεστηαναγνωναι
STATEN

En Hij kwam te Názareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.

17
καιεπεδοθηαυτωβιβλιονησαιουτουπροφητουκαιαναπτυξαςτοβιβλιονευρεντοντοπονουηνγεγραμμενον
STATEN

En Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats, daar geschreven was:

18
πνευμακυριουεπεμεουενεκενεχρισενμεευαγγελιζεσθαιπτωχοιςαπεσταλκενμειασασθαιτουςσυντετριμμενουςτηνκαρδιανκηρυξαιαιχμαλωτοιςαφεσινκαιτυφλοιςαναβλεqιναποστειλαιτεθραυσμενουςεναφεσει
STATEN

De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart;

19
κηρυξαιενιαυτονκυριουδεκτον
STATEN

Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren.

20
καιπτυξαςτοβιβλιοναποδουςτωυπηρετηεκαθισενκαιπαντωνεντησυναγωγηοιοφθαλμοιησανατενιζοντεςαυτω
STATEN

En als Hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen.

21
ηρξατοδελεγεινπροςαυτουςοτισημερονπεπληρωταιηγραφηαυτηεντοιςωσινυμων
STATEN

En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld.

22
καιπαντεςεμαρτυρουναυτωκαιεθαυμαζονεπιτοιςλογοιςτηςχαριτοςτοιςεκπορευομενοιςεκτουστοματοςαυτουκαιελεγονουχουτοςεστινουιοςιωσηφ
STATEN

En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef?

23
καιειπενπροςαυτουςπαντωςερειτεμοιτηνπαραβοληνταυτηνιατρεθεραπευσονσεαυτονοσαηκουσαμενγενομεναεντηκαπερναουμποιησονκαιωδεεντηπατριδισου
STATEN

En Hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot Mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester! genees Uzelven; al wat wij gehoord hebben, dat in Kapérnaüm geschied is, doe dat ook hier in Uw vaderland.

24
ειπενδεαμηνλεγωυμινοτιουδειςπροφητηςδεκτοςεστινεντηπατριδιαυτου
STATEN

En Hij zeide: Voorwaar Ik zeg u, dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderland.

25
επαληθειαςδελεγωυμινπολλαιχηραιησανενταιςημεραιςηλιουεντωισραηλοτεεκλεισθηοουρανοςεπιετητριακαιμηναςεξωςεγενετολιμοςμεγαςεπιπασαντηνγην
STATEN

Maar Ik zeg u in der waarheid: Er waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elías, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land.

26
καιπροςουδεμιαναυτωνεπεμφθηηλιαςειμηειςσαρεπτατηςσιδωνοςπροςγυναικαχηραν
STATEN

En tot geen van haar werd Elías gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was.

27
καιπολλοιλεπροιησανεπιελισσαιουτουπροφητουεντωισραηλκαιουδειςαυτωνεκαθαρισθηειμηνεεμανοσυρος
STATEN

En er waren vele melaatsen in Israël, ten tijde van den profeet Elísa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naäman, de Syriër.

28
καιεπλησθησανπαντεςθυμουεντησυναγωγηακουοντεςταυτα
STATEN

En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden.

29
καιανασταντεςεξεβαλοναυτονεξωτηςπολεωςκαιηγαγοναυτονεωςτηςοφρυοςτουορουςεφουηπολιςαυτωνωκοδομητοειςτοκατακρημνισαιαυτον
STATEN

En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op den top des bergs, op denwelken hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen.

30
αυτοςδεδιελθωνδιαμεσουαυτωνεπορευετο
STATEN

Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg.

31
καικατηλθενειςκαπερναουμπολιντηςγαλιλαιαςκαιηνδιδασκωναυτουςεντοιςσαββασιν
STATEN

En Hij kwam af te Kapérnaüm, een stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen.

32
καιεξεπλησσοντοεπιτηδιδαχηαυτουοτιενεξουσιαηνολογοςαυτου
STATEN

En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht.

33
καιεντησυναγωγηηνανθρωποςεχωνπνευμαδαιμονιουακαθαρτουκαιανεκραξενφωνημεγαλη
STATEN

En in de synagoge was een mens, hebbende een geest eens onreinen duivels; en hij riep uit met grote stemme,

34
λεγωνεατιημινκαισοιιησουναζαρηνεηλθεςαπολεσαιημαςοιδασετιςειοαγιοςτουθεου
STATEN

Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazaréner? Zijt Gij gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.

35
καιεπετιμησεναυτωοιησουςλεγωνφιμωθητικαιεξελθεεξαυτουκαιριqαναυτοντοδαιμονιονειςτομεσονεξηλθεναπαυτουμηδενβλαqαναυτον
STATEN

En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga van hem uit. En de duivel, hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen.

36
καιεγενετοθαμβοςεπιπανταςκαισυνελαλουνπροςαλληλουςλεγοντεςτιςολογοςουτοςοτιενεξουσιακαιδυναμειεπιτασσειτοιςακαθαρτοιςπνευμασινκαιεξερχονται
STATEN

En er kwam een verbaasdheid over allen; en zij spraken samen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt, en zij varen uit?

37
καιεξεπορευετοηχοςπεριαυτουειςπαντατοποντηςπεριχωρου
STATEN

En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands.

38
ανασταςδεεκτηςσυναγωγηςεισηλθενειςτηνοικιανσιμωνοςηπενθεραδετουσιμωνοςηνσυνεχομενηπυρετωμεγαλωκαιηρωτησαναυτονπεριαυτης
STATEN

En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.

39
καιεπισταςεπανωαυτηςεπετιμησεντωπυρετωκαιαφηκεναυτηνπαραχρημαδεαναστασαδιηκονειαυτοις
STATEN

En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende henlieden.

40
δυνοντοςδετουηλιουπαντεςοσοιειχονασθενουνταςνοσοιςποικιλαιςηγαγοναυτουςπροςαυτονοδεενιεκαστωαυτωνταςχειραςεπιθειςεθεραπευσεναυτους
STATEN

En als de zon onderging, brachten allen, die kranken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij legde een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve.

41
εξηρχετοδεκαιδαιμονιααποπολλωνκραζοντακαιλεγονταοτισυειοχριστοςουιοςτουθεουκαιεπιτιμωνουκειααυταλαλεινοτιηδεισαντονχριστοναυτονειναι
STATEN

En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods! En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was.

42
γενομενηςδεημεραςεξελθωνεπορευθηειςερημοντοπονκαιοιοχλοιεζητουναυτονκαιηλθονεωςαυτουκαικατειχοναυτοντουμηπορευεσθαιαπαυτων
STATEN

En als het dag werd, ging Hij uit, en trok naar een woeste plaats; en de scharen zochten Hem, en kwamen tot bij Hem, en hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan.

43
οδεειπενπροςαυτουςοτικαιταιςετεραιςπολεσινευαγγελισασθαιμεδειτηνβασιλειαντουθεουοτιειςτουτοαπεσταλμαι
STATEN

Maar Hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen; want daartoe ben Ik uitgezonden.

44
καιηνκηρυσσωνενταιςσυναγωγαιςτηςγαλιλαιας
STATEN

En Hij predikte in de synagogen van Galiléa.