EVANGELIES

Mattheüs 7

Κατὰ Ματθαῖον
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
μηκρινετειναμηκριθητε
STATEN

Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.

2
ενωγαρκριματικρινετεκριθησεσθεκαιενωμετρωμετρειτεαντιμετρηθησεταιυμιν
STATEN

Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.

3
τιδεβλεπειςτοκαρφοςτοεντωοφθαλμωτουαδελφουσουτηνδεεντωσωοφθαλμωδοκονουκατανοεις
STATEN

En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet?

4
ηπωςερειςτωαδελφωσουαφεςεκβαλωτοκαρφοςαποτουοφθαλμουσουκαιιδουηδοκοςεντωοφθαλμωσου
STATEN

Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?

5
υποκριταεκβαλεπρωτοντηνδοκονεκτουοφθαλμουσουκαιτοτεδιαβλεqειςεκβαλειντοκαρφοςεκτουοφθαλμουτουαδελφουσου
STATEN

Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.

6
μηδωτετοαγιοντοιςκυσινμηδεβαλητετουςμαργαριταςυμωνεμπροσθεντωνχοιρωνμηποτεκαταπατησωσιναυτουςεντοιςποσιναυτωνκαιστραφεντεςρηξωσινυμας
STATEN

Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.

7
αιτειτεκαιδοθησεταιυμινζητειτεκαιευρησετεκρουετεκαιανοιγησεταιυμιν
STATEN

Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.

8
παςγαροαιτωνλαμβανεικαιοζητωνευρισκεικαιτωκρουοντιανοιγησεται
STATEN

Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

9
ητιςεστινεξυμωνανθρωποςονεαναιτησηουιοςαυτουαρτονμηλιθονεπιδωσειαυτω
STATEN

Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?

10
καιεανιχθυναιτησημηοφινεπιδωσειαυτω
STATEN

En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?

11
ειουνυμειςπονηροιοντεςοιδατεδοματααγαθαδιδοναιτοιςτεκνοιςυμωνποσωμαλλονοπατηρυμωνοεντοιςουρανοιςδωσειαγαθατοιςαιτουσιναυτον
STATEN

Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!

12
πανταουνοσαανθελητειναποιωσινυμινοιανθρωποιουτωςκαιυμειςποιειτεαυτοιςουτοςγαρεστινονομοςκαιοιπροφηται
STATEN

Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.

13
εισελθετεδιατηςστενηςπυληςοτιπλατειαηπυληκαιευρυχωροςηοδοςηαπαγουσαειςτηναπωλειανκαιπολλοιεισινοιεισερχομενοιδιαυτης
STATEN

Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;

14
οτιστενηηπυληκαιτεθλιμμενηηοδοςηαπαγουσαειςτηνζωηνκαιολιγοιεισινοιευρισκοντεςαυτην
STATEN

Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.

15
προσεχετεδεαποτωνqευδοπροφητωνοιτινεςερχονταιπροςυμαςενενδυμασινπροβατωνεσωθενδεεισινλυκοιαρπαγες
STATEN

Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.

16
αποτωνκαρπωναυτωνεπιγνωσεσθεαυτουςμητισυλλεγουσιναποακανθωνσταφυληνηαποτριβολωνσυκα
STATEN

Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?

17
ουτωςπανδενδροναγαθονκαρπουςκαλουςποιειτοδεσαπρονδενδρονκαρπουςπονηρουςποιει
STATEN

Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.

18
ουδυναταιδενδροναγαθονκαρπουςπονηρουςποιεινουδεδενδρονσαπρονκαρπουςκαλουςποιειν
STATEN

Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.

19
πανδενδρονμηποιουνκαρπονκαλονεκκοπτεταικαιειςπυρβαλλεται
STATEN

Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

20
αραγεαποτωνκαρπωναυτωνεπιγνωσεσθεαυτους
STATEN

Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen.

21
ουπαςολεγωνμοικυριεκυριεεισελευσεταιειςτηνβασιλειαντωνουρανωναλλοποιωντοθεληματουπατροςμουτουενουρανοις
STATEN

Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.

22
πολλοιερουσινμοιενεκεινητηημερακυριεκυριεουτωσωονοματιπροεφητευσαμενκαιτωσωονοματιδαιμονιαεξεβαλομενκαιτωσωονοματιδυναμειςπολλαςεποιησαμεν
STATEN

Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?

23
καιτοτεομολογησωαυτοιςοτιουδεποτεεγνωνυμαςαποχωρειτεαπεμουοιεργαζομενοιτηνανομιαν
STATEN

En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!

24
παςουνοστιςακουειμουτουςλογουςτουτουςκαιποιειαυτουςομοιωσωαυτονανδριφρονιμωοστιςωκοδομησεντηνοικιαναυτουεπιτηνπετραν
STATEN

Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;

25
καικατεβηηβροχηκαιηλθονοιποταμοικαιεπνευσανοιανεμοικαιπροσεπεσοντηοικιαεκεινηκαιουκεπεσεντεθεμελιωτογαρεπιτηνπετραν
STATEN

En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.

26
καιπαςοακουωνμουτουςλογουςτουτουςκαιμηποιωναυτουςομοιωθησεταιανδριμωρωοστιςωκοδομησεντηνοικιαναυτουεπιτηναμμον
STATEN

En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft;

27
καικατεβηηβροχηκαιηλθονοιποταμοικαιεπνευσανοιανεμοικαιπροσεκοqαντηοικιαεκεινηκαιεπεσενκαιηνηπτωσιςαυτηςμεγαλη
STATEN

En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.

28
καιεγενετοοτεσυνετελεσενοιησουςτουςλογουςτουτουςεξεπλησσοντοοιοχλοιεπιτηδιδαχηαυτου
STATEN

En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer;

29
ηνγαρδιδασκωναυτουςωςεξουσιανεχωνκαιουχωςοιγραμματεις
STATEN

Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de schriftgeleerden.