EVANGELIES

Mattheüs 17

Κατὰ Ματθαῖον
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
καιμεθημεραςεξπαραλαμβανειοιησουςτονπετρονκαιιακωβονκαιιωαννηντοναδελφοναυτουκαιαναφερειαυτουςειςοροςυqηλονκατιδιαν
STATEN

En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hogen berg alleen.

2
καιμετεμορφωθηεμπροσθεναυτωνκαιελαμqεντοπροσωποναυτουωςοηλιοςταδειματιααυτουεγενετολευκαωςτοφως
STATEN

En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.

3
καιιδουωφθησαναυτοιςμωσηςκαιηλιαςμεταυτουσυλλαλουντες
STATEN

En ziet, van hen werden gezien Mozes en Elías, met Hem samensprekende.

4
αποκριθειςδεοπετροςειπεντωιησουκυριεκαλονεστινημαςωδεειναιειθελειςποιησωμενωδετρειςσκηναςσοιμιανκαιμωσημιανκαιμιανηλια
STATEN

En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Heere! het is goed, dat wij hier zijn; zo Gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor U één, en voor Mozes één, en één voor Elías.

5
ετιαυτουλαλουντοςιδουνεφεληφωτεινηεπεσκιασεναυτουςκαιιδουφωνηεκτηςνεφεληςλεγουσαουτοςεστινουιοςμουοαγαπητοςενωευδοκησααυτουακουετε
STATEN

Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!

6
καιακουσαντεςοιμαθηταιεπεσονεπιπροσωποναυτωνκαιεφοβηθησανσφοδρα
STATEN

En de discipelen, dit horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd.

7
καιπροσελθωνοιησουςηqατοαυτωνκαιειπενεγερθητεκαιμηφοβεισθε
STATEN

En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zeide: Staat op en vreest niet.

8
επαραντεςδετουςοφθαλμουςαυτωνουδεναειδονειμητονιησουνμονον
STATEN

En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen.

9
καικαταβαινοντωναυτωναποτουορουςενετειλατοαυτοιςοιησουςλεγωνμηδενιειπητετοοραμαεωςουουιοςτουανθρωπουεκνεκρωναναστη
STATEN

En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des mensen zal opgestaan zijn uit de doden.

10
καιεπηρωτησαναυτονοιμαθηταιαυτουλεγοντεςτιουνοιγραμματειςλεγουσινοτιηλιανδειελθεινπρωτον
STATEN

En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat zeggen dan de schriftgeleerden, dat Elías eerst moet komen?

11
οδειησουςαποκριθειςειπεναυτοιςηλιαςμενερχεταιπρωτονκαιαποκαταστησειπαντα
STATEN

Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Elías zal wel eerst komen, en alles weder oprichten.

12
λεγωδευμινοτιηλιαςηδηηλθενκαιουκεπεγνωσαναυτοναλλεποιησανεναυτωοσαηθελησανουτωςκαιουιοςτουανθρωπουμελλειπασχεινυπαυτων
STATEN

Maar Ik zeg u, dat Elías nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; doch zij hebben aan hem gedaan, al wat zij hebben gewild; alzo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden.

13
τοτεσυνηκανοιμαθηταιοτιπεριιωαννουτουβαπτιστουειπεναυτοις
STATEN

Toen verstonden de discipelen dat Hij hun van Johannes den Doper gesproken had.

14
καιελθοντωναυτωνπροςτονοχλονπροσηλθεναυτωανθρωποςγονυπετωναυτω
STATEN

En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieën, en zeggende:

15
καιλεγωνκυριεελεησονμουτονυιονοτισεληνιαζεταικαικακωςπασχειπολλακιςγαρπιπτειειςτοπυρκαιπολλακιςειςτουδωρ
STATEN

Heere! ontferm U over mijn zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in het vuur, en menigmaal in het water.

16
καιπροσηνεγκααυτοντοιςμαθηταιςσουκαιουκηδυνηθησαναυτονθεραπευσαι
STATEN

En ik heb hem tot Uw discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.

17
αποκριθειςδεοιησουςειπενωγενεααπιστοςκαιδιεστραμμενηεωςποτεεσομαιμεθυμωνεωςποτεανεξομαιυμωνφερετεμοιαυτονωδε
STATEN

En Jezus, antwoordende, zeide: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.

18
καιεπετιμησεναυτωοιησουςκαιεξηλθεναπαυτουτοδαιμονιονκαιεθεραπευθηοπαιςαποτηςωραςεκεινης
STATEN

En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.

19
τοτεπροσελθοντεςοιμαθηταιτωιησουκατιδιανειπονδιατιημειςουκηδυνηθημενεκβαλειναυτο
STATEN

Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?

20
οδειησουςειπεναυτοιςδιατηναπιστιανυμωναμηνγαρλεγωυμινεανεχητεπιστινωςκοκκονσιναπεωςερειτετωορειτουτωμεταβηθιεντευθενεκεικαιμεταβησεταικαιουδεναδυνατησειυμιν
STATEN

En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga heen van hier derwaarts, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn.

21
τουτοδετογενοςουκεκπορευεταιειμηενπροσευχηκαινηστεια
STATEN

Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten.

22
αναστρεφομενωνδεαυτωνεντηγαλιλαιαειπεναυτοιςοιησουςμελλειουιοςτουανθρωπουπαραδιδοσθαιειςχειραςανθρωπων
STATEN

En als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen;

23
καιαποκτενουσιναυτονκαιτητριτηημεραεγερθησεταικαιελυπηθησανσφοδρα
STATEN

En zij zullen Hem doden, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd.

24
ελθοντωνδεαυτωνειςκαπερναουμπροσηλθονοιταδιδραχμαλαμβανοντεςτωπετρωκαιειπονοδιδασκαλοςυμωνουτελειταδιδραχμα
STATEN

En als zij te Kapérnaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?

25
λεγειναικαιοτεεισηλθενειςτηνοικιανπροεφθασεναυτονοιησουςλεγωντισοιδοκεισιμωνοιβασιλειςτηςγηςαποτινωνλαμβανουσιντεληηκηνσοναποτωνυιωναυτωνηαποτωναλλοτριων
STATEN

Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden?

26
λεγειαυτωοπετροςαποτωναλλοτριωνεφηαυτωοιησουςαραγεελευθεροιεισινοιυιοι
STATEN

Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.

27
ιναδεμησκανδαλισωμεναυτουςπορευθειςειςτηνθαλασσανβαλεαγκιστρονκαιτοναναβανταπρωτονιχθυναρονκαιανοιξαςτοστομααυτουευρησειςστατηραεκεινονλαβωνδοςαυτοιςαντιεμουκαισου
STATEN

Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp den angel uit, en den eersten vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien, en geef hem aan hen voor Mij en u.