EVANGELIES

Mattheüs 27

Κατὰ Ματθαῖον
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
πρωιαςδεγενομενηςσυμβουλιονελαβονπαντεςοιαρχιερειςκαιοιπρεσβυτεροιτουλαουκατατουιησουωστεθανατωσαιαυτον
STATEN

Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden.

2
καιδησαντεςαυτοναπηγαγονκαιπαρεδωκαναυτονποντιωπιλατωτωηγεμονι
STATEN

En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder.

3
τοτειδωνιουδαςοπαραδιδουςαυτονοτικατεκριθημεταμεληθειςαπεστρεqεντατριακοντααργυριατοιςαρχιερευσινκαιτοιςπρεσβυτεροις
STATEN

Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht,

4
λεγωνημαρτονπαραδουςαιμααθωονοιδεειποντιπροςημαςσυοqει
STATEN

Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.

5
καιριqαςτααργυριαεντωναωανεχωρησενκαιαπελθωναπηγξατο
STATEN

En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde zichzelven.

6
οιδεαρχιερειςλαβοντεςτααργυριαειπονουκεξεστινβαλειναυταειςτονκορβανανεπειτιμηαιματοςεστιν
STATEN

En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.

7
συμβουλιονδελαβοντεςηγορασανεξαυτωντοναγροντουκεραμεωςειςταφηντοιςξενοις
STATEN

En te zamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.

8
διοεκληθηοαγροςεκεινοςαγροςαιματοςεωςτηςσημερον
STATEN

Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag.

9
τοτεεπληρωθητορηθενδιαιερεμιουτουπροφητουλεγοντοςκαιελαβοντατριακοντααργυριατηντιμηντουτετιμημενουονετιμησαντοαπουιωνισραηλ
STATEN

Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremía, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israëls, Denwelken zij gewaardeerd hebben;

10
καιεδωκαναυταειςτοναγροντουκεραμεωςκαθασυνεταξενμοικυριος
STATEN

En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.

11
οδειησουςεστηεμπροσθεντουηγεμονοςκαιεπηρωτησεναυτονοηγεμωνλεγωνσυειοβασιλευςτωνιουδαιωνοδειησουςεφηαυτωσυλεγεις
STATEN

En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het.

12
καιεντωκατηγορεισθαιαυτονυποτωναρχιερεωνκαιτωνπρεσβυτερωνουδεναπεκρινατο
STATEN

En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.

13
τοτελεγειαυτωοπιλατοςουκακουειςποσασουκαταμαρτυρουσιν
STATEN

Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen?

14
καιουκαπεκριθηαυτωπροςουδεενρημαωστεθαυμαζειντονηγεμοναλιαν
STATEN

Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.

15
καταδεεορτηνειωθειοηγεμωναπολυεινενατωοχλωδεσμιονονηθελον
STATEN

En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welken zij wilden.

16
ειχονδετοτεδεσμιονεπισημονλεγομενονβαραββαν
STATEN

En zij hadden toen een welbekenden gevangene, genaamd Bar-abbas.

17
συνηγμενωνουναυτωνειπεναυτοιςοπιλατοςτιναθελετεαπολυσωυμινβαραββανηιησουντονλεγομενονχριστον
STATEN

Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?

18
ηδειγαροτιδιαφθονονπαρεδωκαναυτον
STATEN

Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.

19
καθημενουδεαυτουεπιτουβηματοςαπεστειλενπροςαυτονηγυνηαυτουλεγουσαμηδενσοικαιτωδικαιωεκεινωπολλαγαρεπαθονσημερονκατοναρδιαυτον
STATEN

En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.

20
οιδεαρχιερειςκαιοιπρεσβυτεροιεπεισαντουςοχλουςινααιτησωνταιτονβαραββαντονδειησουναπολεσωσιν
STATEN

Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.

21
αποκριθειςδεοηγεμωνειπεναυτοιςτιναθελετεαποτωνδυοαπολυσωυμινοιδεειπονβαραββαν
STATEN

En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas.

22
λεγειαυτοιςοπιλατοςτιουνποιησωιησουντονλεγομενονχριστονλεγουσιναυτωπαντεςσταυρωθητω
STATEN

Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.

23
οδεηγεμωνεφητιγαρκακονεποιησενοιδεπερισσωςεκραζονλεγοντεςσταυρωθητω
STATEN

Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!

24
ιδωνδεοπιλατοςοτιουδενωφελειαλλαμαλλονθορυβοςγινεταιλαβωνυδωραπενιqατοταςχειραςαπεναντιτουοχλουλεγωναθωοςειμιαποτουαιματοςτουδικαιουτουτουυμειςοqεσθε
STATEN

Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.

25
καιαποκριθειςπαςολαοςειπεντοαιμααυτουεφημαςκαιεπιτατεκναημων
STATEN

En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.

26
τοτεαπελυσεναυτοιςτονβαραββαντονδειησουνφραγελλωσαςπαρεδωκενινασταυρωθη
STATEN

Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.

27
τοτεοιστρατιωταιτουηγεμονοςπαραλαβοντεςτονιησουνειςτοπραιτωριονσυνηγαγονεπαυτονοληντηνσπειραν
STATEN

Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over Hem de ganse bende.

28
καιεκδυσαντεςαυτονπεριεθηκαναυτωχλαμυδακοκκινην
STATEN

En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;

29
καιπλεξαντεςστεφανονεξακανθωνεπεθηκανεπιτηνκεφαληναυτουκαικαλαμονεπιτηνδεξιαναυτουκαιγονυπετησαντεςεμπροσθεναυτουενεπαιζοναυτωλεγοντεςχαιρεοβασιλευςτωνιουδαιων
STATEN

En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!

30
καιεμπτυσαντεςειςαυτονελαβοντονκαλαμονκαιετυπτονειςτηνκεφαληναυτου
STATEN

En op Hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn hoofd.

31
καιοτεενεπαιξαναυτωεξεδυσαναυτοντηνχλαμυδακαιενεδυσαναυτονταιματιααυτουκαιαπηγαγοναυτονειςτοσταυρωσαι
STATEN

En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.

32
εξερχομενοιδεευρονανθρωπονκυρηναιονονοματισιμωνατουτονηγγαρευσανινααρητονσταυροναυτου
STATEN

En uitgaande, vonden zij een man van Cyréne, met name Simon; dezen dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg.

33
καιελθοντεςειςτοπονλεγομενονγολγοθαοςεστινλεγομενοςκρανιουτοπος
STATEN

En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,

34
εδωκαναυτωπιεινοξοςμεταχοληςμεμιγμενονκαιγευσαμενοςουκηθελενπιειν
STATEN

Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.

35
σταυρωσαντεςδεαυτονδιεμερισαντοταιματιααυτουβαλλοντεςκληρονιναπληρωθητορηθενυποτουπροφητουδιεμερισαντοταιματιαμουεαυτοιςκαιεπιτονιματισμονμουεβαλονκληρον
STATEN

Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.

36
καικαθημενοιετηρουναυτονεκει
STATEN

En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.

37
καιεπεθηκανεπανωτηςκεφαληςαυτουτηναιτιαναυτουγεγραμμενηνουτοςεστινιησουςοβασιλευςτωνιουδαιων
STATEN

En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN.

38
τοτεσταυρουνταισυναυτωδυολησταιειςεκδεξιωνκαιειςεξευωνυμων
STATEN

Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linkerzijde.

39
οιδεπαραπορευομενοιεβλασφημουναυτονκινουντεςταςκεφαλαςαυτων
STATEN

En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden,

40
καιλεγοντεςοκαταλυωντονναονκαιεντρισινημεραιςοικοδομωνσωσονσεαυτονειυιοςειτουθεουκαταβηθιαποτουσταυρου
STATEN

En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis.

41
ομοιωςδεκαιοιαρχιερειςεμπαιζοντεςμετατωνγραμματεωνκαιπρεσβυτερωνελεγον
STATEN

En desgelijks ook de overpriesters met de schriftgeleerden, en ouderlingen, en farizeeën, Hem bespottende, zeiden:

42
αλλουςεσωσενεαυτονουδυναταισωσαιειβασιλευςισραηλεστινκαταβατωνυναποτουσταυρουκαιπιστευσομεναυτω
STATEN

Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israëls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.

43
πεποιθενεπιτονθεονρυσασθωνυναυτονειθελειαυτονειπενγαροτιθεουειμιυιος
STATEN

Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.

44
τοδαυτοκαιοιλησταιοισυσταυρωθεντεςαυτωωνειδιζοναυτω
STATEN

En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren.

45
αποδεεκτηςωραςσκοτοςεγενετοεπιπασαντηνγηνεωςωραςεννατης
STATEN

En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.

46
περιδετηνεννατηνωρανανεβοησενοιησουςφωνημεγαληλεγωνηλιηλιλαμασαβαχθανιτουτεστινθεεμουθεεμουινατιμεεγκατελιπες
STATEN

En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!

47
τινεςδετωνεκειεστωτωνακουσαντεςελεγονοτιηλιανφωνειουτος
STATEN

En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept Elías.

48
καιευθεωςδραμωνειςεξαυτωνκαιλαβωνσπογγονπλησαςτεοξουςκαιπεριθειςκαλαμωεποτιζεναυτον
STATEN

En terstond een van hen toelopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.

49
οιδελοιποιελεγοναφεςιδωμενειερχεταιηλιαςσωσωναυτον
STATEN

Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elías komt, om Hem te verlossen.

50
οδειησουςπαλινκραξαςφωνημεγαληαφηκεντοπνευμα
STATEN

En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.

51
καιιδουτοκαταπετασματουναουεσχισθηειςδυοαποανωθενεωςκατωκαιηγηεσεισθηκαιαιπετραιεσχισθησαν
STATEN

En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.

52
καιταμνημειαανεωχθησανκαιπολλασωματατωνκεκοιμημενωναγιωνηγερθη
STATEN

En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt;

53
καιεξελθοντεςεκτωνμνημειωνμετατηνεγερσιναυτουεισηλθονειςτηναγιανπολινκαιενεφανισθησανπολλοις
STATEN

En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.

54
οδεεκατονταρχοςκαιοιμεταυτουτηρουντεςτονιησουνιδοντεςτονσεισμονκαιταγενομεναεφοβηθησανσφοδραλεγοντεςαληθωςθεουυιοςηνουτος
STATEN

En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon!

55
ησανδεεκειγυναικεςπολλαιαπομακροθενθεωρουσαιαιτινεςηκολουθησαντωιησουαποτηςγαλιλαιαςδιακονουσαιαυτω
STATEN

En aldaar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa, om Hem te dienen.

56
εναιςηνμαριαημαγδαληνηκαιμαριαητουιακωβουκαιιωσημητηρκαιημητηρτωνυιωνζεβεδαιου
STATEN

Onder dewelke was Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedéüs.

57
οqιαςδεγενομενηςηλθενανθρωποςπλουσιοςαποαριμαθαιαςτουνομαιωσηφοςκαιαυτοςεμαθητευσεντωιησου
STATEN

En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.

58
ουτοςπροσελθωντωπιλατωητησατοτοσωματουιησουτοτεοπιλατοςεκελευσεναποδοθηναιτοσωμα
STATEN

Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zou worden.

59
καιλαβωντοσωμαοιωσηφενετυλιξεναυτοσινδονικαθαρα
STATEN

En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad.

60
καιεθηκεναυτοεντωκαινωαυτουμνημειωοελατομησενεντηπετρακαιπροσκυλισαςλιθονμεγαντηθυρατουμνημειουαπηλθεν
STATEN

En leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.

61
ηνδεεκειμαριαημαγδαληνηκαιηαλλημαριακαθημεναιαπεναντιτουταφου
STATEN

En aldaar was Maria Magdaléna, en de andere Maria, zittende tegenover het graf.

62
τηδεεπαυριονητιςεστινμετατηνπαρασκευηνσυνηχθησανοιαρχιερειςκαιοιφαρισαιοιπροςπιλατον
STATEN

Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeeën tot Pilatus,

63
λεγοντεςκυριεεμνησθημενοτιεκεινοςοπλανοςειπενετιζωνμετατρειςημεραςεγειρομαι
STATEN

Zeggende: Heer, wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan.

64
κελευσονουνασφαλισθηναιτονταφονεωςτηςτριτηςημεραςμηποτεελθοντεςοιμαθηταιαυτουνυκτοςκλεqωσιναυτονκαιειπωσιντωλαωηγερθηαποτωννεκρωνκαιεσταιηεσχατηπλανηχειρωντηςπρωτης
STATEN

Beveel dan, dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden; en zo zal de laatste dwaling erger zijn, dan de eerste.

65
εφηδεαυτοιςοπιλατοςεχετεκουστωδιανυπαγετεασφαλισασθεωςοιδατε
STATEN

En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt een wacht; gaat heen, verzekert het, gelijk gij het verstaat.

66
οιδεπορευθεντεςησφαλισαντοτονταφονσφραγισαντεςτονλιθονμετατηςκουστωδιας
STATEN

En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.