EVANGELIES

Mattheüs 21

Κατὰ Ματθαῖον
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
καιοτεηγγισανειςιεροσολυμακαιηλθονειςβηθφαγηπροςτοοροςτωνελαιωντοτεοιησουςαπεστειλενδυομαθητας
STATEN

En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fagé, aan den Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen:

2
λεγωναυτοιςπορευθητεειςτηνκωμηντηναπεναντιυμωνκαιευθεωςευρησετεονονδεδεμενηνκαιπωλονμεταυτηςλυσαντεςαγαγετεμοι
STATEN

Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij.

3
καιεαντιςυμινειπητιερειτεοτιοκυριοςαυτωνχρειανεχειευθεωςδεαποστελειαυτους
STATEN

En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft, en hij zal ze terstond zenden.

4
τουτοδεολονγεγονενιναπληρωθητορηθενδιατουπροφητουλεγοντος
STATEN

Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende:

5
ειπατετηθυγατρισιωνιδουοβασιλευςσουερχεταισοιπραυςκαιεπιβεβηκωςεπιονονκαιπωλονυιονυποζυγιου
STATEN

Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong ener jukdragende ezelin.

6
πορευθεντεςδεοιμαθηταικαιποιησαντεςκαθωςπροσεταξεναυτοιςοιησους
STATEN

En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had,

7
ηγαγοντηνονονκαιτονπωλονκαιεπεθηκανεπανωαυτωνταιματιααυτωνκαιεπεκαθισανεπανωαυτων
STATEN

Brachten de ezelin en het veulen, en legden hun klederen op dezelve, en zetten Hem daarop.

8
οδεπλειστοςοχλοςεστρωσανεαυτωνταιματιαεντηοδωαλλοιδεεκοπτονκλαδουςαποτωνδενδρωνκαιεστρωννυονεντηοδω
STATEN

En de meeste schare spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op den weg.

9
οιδεοχλοιοιπροαγοντεςκαιοιακολουθουντεςεκραζονλεγοντεςωσαννατωυιωδαβιδευλογημενοςοερχομενοςενονοματικυριουωσανναεντοιςυqιστοις
STATEN

En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!

10
καιεισελθοντοςαυτουειςιεροσολυμαεσεισθηπασαηπολιςλεγουσατιςεστινουτος
STATEN

En als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de gehele stad beroerd, zeggende: Wie is Deze?

11
οιδεοχλοιελεγονουτοςεστινιησουςοπροφητηςοαποναζαρεθτηςγαλιλαιας
STATEN

En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Názareth in Galiléa.

12
καιεισηλθενοιησουςειςτοιεροντουθεουκαιεξεβαλενπανταςτουςπωλουνταςκαιαγοραζονταςεντωιερωκαιταςτραπεζαςτωνκολλυβιστωνκατεστρεqενκαιταςκαθεδραςτωνπωλουντωνταςπεριστερας
STATEN

En Jezus ging in den tempel Gods, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in den tempel, en keerde om de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten.

13
καιλεγειαυτοιςγεγραπταιοοικοςμουοικοςπροσευχηςκληθησεταιυμειςδεαυτονεποιησατεσπηλαιονληστων
STATEN

En Hij zeide tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.

14
καιπροσηλθοναυτωτυφλοικαιχωλοιεντωιερωκαιεθεραπευσεναυτους
STATEN

En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in den tempel, en Hij genas dezelve.

15
ιδοντεςδεοιαρχιερειςκαιοιγραμματειςταθαυμασιααεποιησενκαιτουςπαιδαςκραζονταςεντωιερωκαιλεγονταςωσαννατωυιωδαβιδηγανακτησαν
STATEN

Als nu de overpriesters en schriftgeleerden zagen de wonderheden, die Hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk;

16
καιειποναυτωακουειςτιουτοιλεγουσινοδειησουςλεγειαυτοιςναιουδεποτεανεγνωτεοτιεκστοματοςνηπιωνκαιθηλαζοντωνκατηρτισωαινον
STATEN

En zeiden tot Hem: Hoort Gij wel, wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?

17
καικαταλιπωναυτουςεξηλθενεξωτηςπολεωςειςβηθανιανκαιηυλισθηεκει
STATEN

En hen verlatende, ging Hij van daar uit de stad, naar Bethanië, en overnachtte aldaar.

18
πρωιαςδεεπαναγωνειςτηνπολινεπεινασεν
STATEN

En des morgens vroeg, als Hij wederkeerde naar de stad, hongerde Hem.

19
καιιδωνσυκηνμιανεπιτηςοδουηλθενεπαυτηνκαιουδενευρενεναυτηειμηφυλλαμονονκαιλεγειαυτημηκετιεκσουκαρποςγενηταιειςτοναιωνακαιεξηρανθηπαραχρημαησυκη
STATEN

En ziende, een vijgeboom aan den weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets aan denzelven, dan alleenlijk bladeren; en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond.

20
καιιδοντεςοιμαθηταιεθαυμασανλεγοντεςπωςπαραχρημαεξηρανθηησυκη
STATEN

En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zo terstond verdord?

21
αποκριθειςδεοιησουςειπεναυτοιςαμηνλεγωυμινεανεχητεπιστινκαιμηδιακριθητεουμονοντοτηςσυκηςποιησετεαλλακαντωορειτουτωειπητεαρθητικαιβληθητιειςτηνθαλασσανγενησεται
STATEN

Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij geloof hadt, en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleenlijk doen, hetgeen den vijgeboom is geschied; maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou geschieden.

22
καιπανταοσααναιτησητεεντηπροσευχηπιστευοντεςληqεσθε
STATEN

En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.

23
καιελθοντιαυτωειςτοιερονπροσηλθοναυτωδιδασκοντιοιαρχιερειςκαιοιπρεσβυτεροιτουλαουλεγοντεςενποιαεξουσιαταυταποιειςκαιτιςσοιεδωκεντηνεξουσιανταυτην
STATEN

En als Hij in den tempel gekomen was, kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, de overpriesters en de ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet Gij deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven?

24
αποκριθειςδεοιησουςειπεναυτοιςερωτησωυμαςκαγωλογονεναονεανειπητεμοικαγωυμινερωενποιαεξουσιαταυταποιω
STATEN

En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk indien gij Mij zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe.

25
τοβαπτισμαιωαννουποθενηνεξουρανουηεξανθρωπωνοιδεδιελογιζοντοπαρεαυτοιςλεγοντεςεανειπωμενεξουρανουερειημινδιατιουνουκεπιστευσατεαυτω
STATEN

De doop van Johannes, van waar was die, uit den hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelven en zeiden: Indien wij zeggen: Uit den hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?

26
εανδεειπωμενεξανθρωπωνφοβουμεθατονοχλονπαντεςγαρεχουσιντονιωαννηνωςπροφητην
STATEN

En indien wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet.

27
καιαποκριθεντεςτωιησουειπονουκοιδαμενεφηαυτοιςκαιαυτοςουδεεγωλεγωυμινενποιαεξουσιαταυταποιω
STATEN

En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe.

28
τιδευμινδοκειανθρωποςειχεντεκναδυοκαιπροσελθωντωπρωτωειπεντεκνονυπαγεσημερονεργαζουεντωαμπελωνιμου
STATEN

Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot den eersten, zeide: Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard.

29
οδεαποκριθειςειπενουθελωυστερονδεμεταμεληθειςαπηλθεν
STATEN

Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen.

30
καιπροσελθωντωδευτερωειπενωσαυτωςοδεαποκριθειςειπενεγωκυριεκαιουκαπηλθεν
STATEN

En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet.

31
τιςεκτωνδυοεποιησεντοθεληματουπατροςλεγουσιναυτωοπρωτοςλεγειαυτοιςοιησουςαμηνλεγωυμινοτιοιτελωναικαιαιπορναιπροαγουσινυμαςειςτηνβασιλειαντουθεου
STATEN

Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.

32
ηλθενγαρπροςυμαςιωαννηςενοδωδικαιοσυνηςκαιουκεπιστευσατεαυτωοιδετελωναικαιαιπορναιεπιστευσαναυτωυμειςδειδοντεςουμετεμεληθητευστεροντουπιστευσαιαυτω
STATEN

Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.

33
αλληνπαραβοληνακουσατεανθρωποςτιςηνοικοδεσποτηςοστιςεφυτευσεναμπελωνακαιφραγμοναυτωπεριεθηκενκαιωρυξενεναυτωληνονκαιωκοδομησενπυργονκαιεξεδοτοαυτονγεωργοιςκαιαπεδημησεν
STATEN

Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buiten 's lands.

34
οτεδεηγγισενοκαιροςτωνκαρπωναπεστειλεντουςδουλουςαυτουπροςτουςγεωργουςλαβειντουςκαρπουςαυτου
STATEN

Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen.

35
καιλαβοντεςοιγεωργοιτουςδουλουςαυτουονμενεδειρανονδεαπεκτεινανονδεελιθοβολησαν
STATEN

En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben den een geslagen, en den anderen gedood, en den derden gestenigd.

36
παλιναπεστειλεναλλουςδουλουςπλειοναςτωνπρωτωνκαιεποιησαναυτοιςωσαυτως
STATEN

Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks.

37
υστερονδεαπεστειλενπροςαυτουςτονυιοναυτουλεγωνεντραπησονταιτονυιονμου
STATEN

En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.

38
οιδεγεωργοιιδοντεςτονυιονειπονενεαυτοιςουτοςεστινοκληρονομοςδευτεαποκτεινωμεναυτονκαικατασχωμεντηνκληρονομιαναυτου
STATEN

Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.

39
καιλαβοντεςαυτονεξεβαλονεξωτουαμπελωνοςκαιαπεκτειναν
STATEN

En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten den wijngaard, en doodden hem.

40
οτανουνελθηοκυριοςτουαμπελωνοςτιποιησειτοιςγεωργοιςεκεινοις
STATEN

Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen?

41
λεγουσιναυτωκακουςκακωςαπολεσειαυτουςκαιτοναμπελωναεκδοσεταιαλλοιςγεωργοιςοιτινεςαποδωσουσιναυτωτουςκαρπουςεντοιςκαιροιςαυτων
STATEN

Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven.

42
λεγειαυτοιςοιησουςουδεποτεανεγνωτεενταιςγραφαιςλιθονοναπεδοκιμασανοιοικοδομουντεςουτοςεγενηθηειςκεφαληνγωνιαςπαρακυριουεγενετοαυτηκαιεστινθαυμαστηενοφθαλμοιςημων
STATEN

Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

43
διατουτολεγωυμινοτιαρθησεταιαφυμωνηβασιλειατουθεουκαιδοθησεταιεθνειποιουντιτουςκαρπουςαυτης
STATEN

Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.

44
καιοπεσωνεπιτονλιθοντουτονσυνθλασθησεταιεφονδανπεσηλικμησειαυτον
STATEN

En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.

45
καιακουσαντεςοιαρχιερειςκαιοιφαρισαιοιταςπαραβολαςαυτουεγνωσανοτιπεριαυτωνλεγει
STATEN

En als de overpriesters en farizeeën deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.

46
καιζητουντεςαυτονκρατησαιεφοβηθησαντουςοχλουςεπειδηωςπροφητηναυτονειχον
STATEN

En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet.