EVANGELIES

Mattheüs 23

Κατὰ Ματθαῖον
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
τοτεοιησουςελαλησεντοιςοχλοιςκαιτοιςμαθηταιςαυτου
STATEN

Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen,

2
λεγωνεπιτηςμωσεωςκαθεδραςεκαθισανοιγραμματειςκαιοιφαρισαιοι
STATEN

Zeggende: De schriftgeleerden en de farizeeën zijn gezeten op den stoel van Mozes;

3
πανταουνοσαανειπωσινυμιντηρειντηρειτεκαιποιειτεκαταδεταεργααυτωνμηποιειτελεγουσινγαρκαιουποιουσιν
STATEN

Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.

4
δεσμευουσινγαρφορτιαβαρεακαιδυσβαστακτακαιεπιτιθεασινεπιτουςωμουςτωνανθρωπωντωδεδακτυλωαυτωνουθελουσινκινησαιαυτα
STATEN

Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.

5
πανταδεταεργααυτωνποιουσινπροςτοθεαθηναιτοιςανθρωποιςπλατυνουσινδεταφυλακτηριααυτωνκαιμεγαλυνουσιντακρασπεδατωνιματιωναυτων
STATEN

En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot.

6
φιλουσιντετηνπρωτοκλισιανεντοιςδειπνοιςκαιταςπρωτοκαθεδριαςενταιςσυναγωγαις
STATEN

En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen;

7
καιτουςασπασμουςενταιςαγοραιςκαικαλεισθαιυποτωνανθρωπωνραββιραββι
STATEN

Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi!

8
υμειςδεμηκληθητεραββιειςγαρεστινυμωνοκαθηγητηςοχριστοςπαντεςδευμειςαδελφοιεστε
STATEN

Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.

9
καιπατεραμηκαλεσητευμωνεπιτηςγηςειςγαρεστινοπατηρυμωνοεντοιςουρανοις
STATEN

En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.

10
μηδεκληθητεκαθηγηταιειςγαρυμωνεστινοκαθηγητηςοχριστος
STATEN

Noch zult gij meesters genoemd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus.

11
οδεμειζωνυμωνεσταιυμωνδιακονος
STATEN

Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.

12
οστιςδευqωσειεαυτονταπεινωθησεταικαιοστιςταπεινωσειεαυτονυqωθησεται
STATEN

En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.

13
ουαιδευμινγραμματειςκαιφαρισαιοιυποκριταιοτικλειετετηνβασιλειαντωνουρανωνεμπροσθεντωνανθρωπωνυμειςγαρουκεισερχεσθεουδετουςεισερχομενουςαφιετεεισελθειν
STATEN

Maar wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.

14
ουαιυμινγραμματειςκαιφαρισαιοιυποκριταιοτικατεσθιετεταςοικιαςτωνχηρωνκαιπροφασειμακραπροσευχομενοιδιατουτοληqεσθεπερισσοτερονκριμα
STATEN

Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.

15
ουαιυμινγραμματειςκαιφαρισαιοιυποκριταιοτιπεριαγετετηνθαλασσανκαιτηνξηρανποιησαιεναπροσηλυτονκαιοτανγενηταιποιειτεαυτονυιονγεεννηςδιπλοτερονυμων
STATEN

Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt.

16
ουαιυμινοδηγοιτυφλοιοιλεγοντεςοςανομοσηεντωναωουδενεστινοςδανομοσηεντωχρυσωτουναουοφειλει
STATEN

Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig.

17
μωροικαιτυφλοιτιςγαρμειζωνεστινοχρυσοςηοναοςοαγιαζωντονχρυσον
STATEN

Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt?

18
καιοςεανομοσηεντωθυσιαστηριωουδενεστινοςδανομοσηεντωδωρωτωεπανωαυτουοφειλει
STATEN

En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.

19
μωροικαιτυφλοιτιγαρμειζοντοδωρονητοθυσιαστηριοντοαγιαζοντοδωρον
STATEN

Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?

20
οουνομοσαςεντωθυσιαστηριωομνυειεναυτωκαιενπασιντοιςεπανωαυτου
STATEN

Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is.

21
καιοομοσαςεντωναωομνυειεναυτωκαιεντωκατοικουντιαυτον
STATEN

En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont.

22
καιοομοσαςεντωουρανωομνυειεντωθρονωτουθεουκαιεντωκαθημενωεπανωαυτου
STATEN

En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit.

23
ουαιυμινγραμματειςκαιφαρισαιοιυποκριταιοτιαποδεκατουτετοηδυοσμονκαιτοανηθονκαιτοκυμινονκαιαφηκατεταβαρυτερατουνομουτηνκρισινκαιτονελεονκαιτηνπιστινταυταεδειποιησαικακειναμηαφιεναι
STATEN

Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.

24
οδηγοιτυφλοιοιδιυλιζοντεςτονκωνωπατηνδεκαμηλονκαταπινοντες
STATEN

Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt.

25
ουαιυμινγραμματειςκαιφαρισαιοιυποκριταιοτικαθαριζετετοεξωθεντουποτηριουκαιτηςπαροqιδοςεσωθενδεγεμουσινεξαρπαγηςκαιακρασιας
STATEN

Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.

26
φαρισαιετυφλεκαθαρισονπρωτοντοεντοςτουποτηριουκαιτηςπαροqιδοςιναγενηταικαιτοεκτοςαυτωνκαθαρον
STATEN

Gij blinde farizeeër, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde.

27
ουαιυμινγραμματειςκαιφαρισαιοιυποκριταιοτιπαρομοιαζετεταφοιςκεκονιαμενοιςοιτινεςεξωθενμενφαινονταιωραιοιεσωθενδεγεμουσινοστεωννεκρωνκαιπασηςακαθαρσιας
STATEN

Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.

28
ουτωςκαιυμειςεξωθενμενφαινεσθετοιςανθρωποιςδικαιοιεσωθενδεμεστοιεστευποκρισεωςκαιανομιας
STATEN

Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.

29
ουαιυμινγραμματειςκαιφαρισαιοιυποκριταιοτιοικοδομειτετουςταφουςτωνπροφητωνκαικοσμειτεταμνημειατωνδικαιων
STATEN

Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen;

30
καιλεγετεειημενενταιςημεραιςτωνπατερωνημωνουκανημενκοινωνοιαυτωνεντωαιματιτωνπροφητων
STATEN

En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten.

31
ωστεμαρτυρειτεεαυτοιςοτιυιοιεστετωνφονευσαντωντουςπροφητας
STATEN

Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben.

32
καιυμειςπληρωσατετομετροντωνπατερωνυμων
STATEN

Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen!

33
οφειςγεννηματαεχιδνωνπωςφυγητεαποτηςκρισεωςτηςγεεννης
STATEN

Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?

34
διατουτοιδουεγωαποστελλωπροςυμαςπροφηταςκαισοφουςκαιγραμματειςκαιεξαυτωναποκτενειτεκαισταυρωσετεκαιεξαυτωνμαστιγωσετεενταιςσυναγωγαιςυμωνκαιδιωξετεαποπολεωςειςπολιν
STATEN

Daarom ziet, Ik zende tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;

35
οπωςελθηεφυμαςπαναιμαδικαιονεκχυνομενονεπιτηςγηςαποτουαιματοςαβελτουδικαιουεωςτουαιματοςζαχαριουυιουβαραχιουονεφονευσατεμεταξυτουναουκαιτουθυσιαστηριου
STATEN

Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharía, den zoon van Barachía, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar.

36
αμηνλεγωυμινηξειταυταπανταεπιτηνγενεανταυτην
STATEN

Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.

37
ιερουσαλημιερουσαλημηαποκτεινουσατουςπροφηταςκαιλιθοβολουσατουςαπεσταλμενουςπροςαυτηνποσακιςηθελησαεπισυναγαγειντατεκνασουοντροπονεπισυναγειορνιςτανοσσιαεαυτηςυποταςπτερυγαςκαιουκηθελησατε
STATEN

Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild.

38
ιδουαφιεταιυμινοοικοςυμωνερημος
STATEN

Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.

39
λεγωγαρυμινουμημειδητεαπαρτιεωςανειπητεευλογημενοςοερχομενοςενονοματικυριου
STATEN

Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!