KETUVIM

Prediker 1

קֹהֶלֶת
Hoofdstukken (12)
123456789101112
Getuigen
Interlinear
1
דִּבְרֵי֙ קֹהֶ֣לֶת בֶּן דָּוִ֔ד מֶ֖לֶךְ בִּ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

De woorden van den prediker, den zoon van David, den koning te Jeruzalem.

2
הֲבֵ֤ל הֲבָלִים֙ אָמַ֣ר קֹהֶ֔לֶת הֲבֵ֥ל הֲבָלִ֖ים הַ/כֹּ֥ל הָֽבֶל
STATEN

IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.

3
מַה יִּתְר֖וֹן לָֽ/אָדָ֑ם בְּ/כָל עֲמָל֔/וֹ שֶֽׁ/יַּעֲמֹ֖ל תַּ֥חַת הַ/שָּֽׁמֶשׁ
STATEN

Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon?

4
דּ֤וֹר הֹלֵךְ֙ וְ/ד֣וֹר בָּ֔א וְ/הָ/אָ֖רֶץ לְ/עוֹלָ֥ם עֹמָֽדֶת
STATEN

Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid.

5
וְ/זָרַ֥ח הַ/שֶּׁ֖מֶשׁ וּ/בָ֣א הַ/שָּׁ֑מֶשׁ וְ/אֶ֨ל מְקוֹמ֔/וֹ שׁוֹאֵ֛ף זוֹרֵ֥חַֽ ה֖וּא שָֽׁם
STATEN

Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.

6
הוֹלֵךְ֙ אֶל דָּר֔וֹם וְ/סוֹבֵ֖ב אֶל צָפ֑וֹן סוֹבֵ֤ב סֹבֵב֙ הוֹלֵ֣ךְ הָ/ר֔וּחַ וְ/עַל סְבִיבֹתָ֖י/ו שָׁ֥ב הָ/רֽוּחַ
STATEN

Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen.

7
כָּל הַ/נְּחָלִים֙ הֹלְכִ֣ים אֶל הַ/יָּ֔ם וְ/הַ/יָּ֖ם אֵינֶ֣/נּוּ מָלֵ֑א אֶל מְק֗וֹם שֶׁ֤/הַ/נְּחָלִים֙ הֹֽלְכִ֔ים שָׁ֛ם הֵ֥ם שָׁבִ֖ים לָ/לָֽכֶת
STATEN

Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keren zij weder.

8
כָּל הַ/דְּבָרִ֣ים יְגֵעִ֔ים לֹא יוּכַ֥ל אִ֖ישׁ לְ/דַבֵּ֑ר לֹא תִשְׂבַּ֥ע עַ֨יִן֙ לִ/רְא֔וֹת וְ/לֹא תִמָּלֵ֥א אֹ֖זֶן מִ/שְּׁמֹֽעַ
STATEN

Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.

9
מַה שֶּֽׁ/הָיָה֙ ה֣וּא שֶׁ/יִּהְיֶ֔ה וּ/מַה שֶׁ/נַּֽעֲשָׂ֔ה ה֖וּא שֶׁ/יֵּעָשֶׂ֑ה וְ/אֵ֥ין כָּל חָדָ֖שׁ תַּ֥חַת הַ/שָּֽׁמֶשׁ
STATEN

Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.

10
יֵ֥שׁ דָּבָ֛ר שֶׁ/יֹּאמַ֥ר רְאֵה זֶ֖ה חָדָ֣שׁ ה֑וּא כְּבָר֙ הָיָ֣ה לְ/עֹֽלָמִ֔ים אֲשֶׁ֥ר הָיָ֖ה מִ/לְּ/פָנֵֽ/נוּ
STATEN

Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen, die vóór ons geweest zijn.

11
אֵ֥ין זִכְר֖וֹן לָ/רִאשֹׁנִ֑ים וְ/גַ֨ם לָ/אַחֲרֹנִ֜ים שֶׁ/יִּהְי֗וּ לֹֽא יִהְיֶ֤ה לָ/הֶם֙ זִכָּר֔וֹן עִ֥ם שֶׁ/יִּהְי֖וּ לָ/אַחֲרֹנָֽה
STATEN

Er is geen gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, van dezelve zal ook geen gedachtenis zijn bij degenen, die namaals wezen zullen.

12
אֲנִ֣י קֹהֶ֗לֶת הָיִ֥יתִי מֶ֛לֶךְ עַל יִשְׂרָאֵ֖ל בִּ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

Ik, prediker, was koning over Israël te Jeruzalem.

13
וְ/נָתַ֣תִּי אֶת לִבִּ֗/י לִ/דְר֤וֹשׁ וְ/לָ/תוּר֙ בַּֽ/חָכְמָ֔ה עַ֛ל כָּל אֲשֶׁ֥ר נַעֲשָׂ֖ה תַּ֣חַת הַ/שָּׁמָ֑יִם ה֣וּא עִנְיַ֣ן רָ֗ע נָתַ֧ן אֱלֹהִ֛ים לִ/בְנֵ֥י הָ/אָדָ֖ם לַ/עֲנ֥וֹת בּֽ/וֹ
STATEN

En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er geschiedt onder den hemel. Deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der mensen gegeven, om zich daarin te bekommeren.

14
רָאִ֨יתִי֙ אֶת כָּל הַֽ/מַּעֲשִׂ֔ים שֶֽׁ/נַּעֲשׂ֖וּ תַּ֣חַת הַ/שָּׁ֑מֶשׁ וְ/הִנֵּ֥ה הַ/כֹּ֛ל הֶ֖בֶל וּ/רְע֥וּת רֽוּחַ
STATEN

Ik zag al de werken aan, die onder de zon geschieden; en ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes.

15
מְעֻוָּ֖ת לֹא יוּכַ֣ל לִ/תְקֹ֑ן וְ/חֶסְר֖וֹן לֹא יוּכַ֥ל לְ/הִמָּנֽוֹת
STATEN

Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden.

16
דִּבַּ֨רְתִּי אֲנִ֤י עִם לִבִּ/י֙ לֵ/אמֹ֔ר אֲנִ֗י הִנֵּ֨ה הִגְדַּ֤לְתִּי וְ/הוֹסַ֨פְתִּי֙ חָכְמָ֔ה עַ֛ל כָּל אֲשֶׁר הָיָ֥ה לְ/פָנַ֖/י עַל יְרוּשָׁלִָ֑ם וְ/לִבִּ֛/י רָאָ֥ה הַרְבֵּ֖ה חָכְמָ֥ה וָ/דָֽעַת
STATEN

Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die vóór mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.

17
וָ/אֶתְּנָ֤/ה לִבִּ/י֙ לָ/דַ֣עַת חָכְמָ֔ה וְ/דַ֥עַת הוֹלֵל֖וֹת וְ/שִׂכְל֑וּת יָדַ֕עְתִּי שֶׁ/גַּם זֶ֥ה ה֖וּא רַעְי֥וֹן רֽוּחַ
STATEN

En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.

18
כִּ֛י בְּ/רֹ֥ב חָכְמָ֖ה רָב כָּ֑עַס וְ/יוֹסִ֥יף דַּ֖עַת יוֹסִ֥יף מַכְאֽוֹב
STATEN

Want in veel wijsheid is veel verdriet; en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.