Ga naar inhoud
KETUVIM

Prediker 2

קֹהֶלֶת
Hoofdstukken (12)← → toetsen
123456789101112
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
אָמַ֤רְתִּֽי אֲנִי֙ בְּ/לִבִּ֔/י לְכָ/ה נָּ֛א אֲנַסְּ/כָ֛ה בְ/שִׂמְחָ֖ה וּ/רְאֵ֣ה בְ/ט֑וֹב וְ/הִנֵּ֥ה גַם ה֖וּא הָֽבֶל־־׃
STATEN

Ik zeide in mijn hart: Nu, welaan, ik zal u beproeven door vreugde; derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid.

2
לִ/שְׂח֖וֹק אָמַ֣רְתִּי מְהוֹלָ֑ל וּ/לְ/שִׂמְחָ֖ה מַה זֹּ֥ה עֹשָֽׂה־׃
STATEN

Tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze?

3
תַּ֣רְתִּי בְ/לִבִּ֔/י לִ/מְשׁ֥וֹךְ בַּ/יַּ֖יִן אֶת בְּשָׂרִ֑/י וְ/לִבִּ֞/י נֹהֵ֤ג בַּֽ/חָכְמָה֙ וְ/לֶ/אֱחֹ֣ז בְּ/סִכְל֔וּת עַ֣ד אֲשֶׁר אֶרְאֶ֗ה אֵי זֶ֨ה ט֜וֹב לִ/בְנֵ֤י הָ/אָדָם֙ אֲשֶׁ֤ר יַעֲשׂוּ֙ תַּ֣חַת הַ/שָּׁמַ֔יִם מִסְפַּ֖ר יְמֵ֥י חַיֵּי/הֶֽם־־־׃
STATEN

Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vlees op te houden in den wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat den kinderen der mensen het best ware, dat zij doen zouden onder den hemel, gedurende het getal der dagen huns levens.

4
הִגְדַּ֖לְתִּי מַעֲשָׂ֑/י בָּנִ֤יתִי לִ/י֙ בָּתִּ֔ים נָטַ֥עְתִּי לִ֖/י כְּרָמִֽים׃
STATEN

Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.

5
עָשִׂ֣יתִי לִ֔/י גַּנּ֖וֹת וּ/פַרְדֵּסִ֑ים וְ/נָטַ֥עְתִּי בָ/הֶ֖ם עֵ֥ץ כָּל פֶּֽרִי־׃
STATEN

Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte bomen in dezelve, van allerlei vrucht.

6
עָשִׂ֥יתִי לִ֖/י בְּרֵכ֣וֹת מָ֑יִם לְ/הַשְׁק֣וֹת מֵ/הֶ֔ם יַ֖עַר צוֹמֵ֥חַ עֵצִֽים׃
STATEN

Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud, dat met bomen groende.

7
קָנִ֨יתִי֙ עֲבָדִ֣ים וּ/שְׁפָח֔וֹת וּ/בְנֵי בַ֖יִת הָ֣יָה לִ֑/י גַּ֣ם מִקְנֶה֩ בָקָ֨ר וָ/צֹ֤אן הַרְבֵּה֙ הָ֣יָה לִ֔/י מִ/כֹּ֛ל שֶֽׁ/הָי֥וּ לְ/פָנַ֖/י בִּ/ירוּשָׁלִָֽם־׃
STATEN

Ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen, die vóór mij te Jeruzalem geweest waren.

8
כָּנַ֤סְתִּי לִ/י֙ גַּם כֶּ֣סֶף וְ/זָהָ֔ב וּ/סְגֻלַּ֥ת מְלָכִ֖ים וְ/הַ/מְּדִינ֑וֹת עָשִׂ֨יתִי לִ֜/י שָׁרִ֣ים וְ/שָׁר֗וֹת וְ/תַעֲנוּגֹ֛ת בְּנֵ֥י הָ/אָדָ֖ם שִׁדָּ֥ה וְ/שִׁדּֽוֹת־׃
STATEN

Ik vergaderde mij ook zilver en goud, en kleinoden der koningen en der landschappen; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden der mensenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel.

9
וְ/גָדַ֣לְתִּי וְ/הוֹסַ֔פְתִּי מִ/כֹּ֛ל שֶׁ/הָיָ֥ה לְ/פָנַ֖/י בִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם אַ֥ף חָכְמָתִ֖/י עָ֥מְדָה לִּֽ/י׃
STATEN

En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die vóór mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijn wijsheid mij bij.

10
וְ/כֹל֙ אֲשֶׁ֣ר שָֽׁאֲל֣וּ עֵינַ֔/י לֹ֥א אָצַ֖לְתִּי מֵ/הֶ֑ם לֹֽא מָנַ֨עְתִּי אֶת לִבִּ֜/י מִ/כָּל שִׂמְחָ֗ה כִּֽי לִבִּ֤/י שָׂמֵ֨חַ֙ מִ/כָּל עֲמָלִ֔/י וְ/זֶֽה הָיָ֥ה חֶלְקִ֖/י מִ/כָּל עֲמָלִֽ/י־־־־־־־׃
STATEN

En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik hun niet; ik wederhield mijn hart niet van enige blijdschap, maar mijn hart was verblijd vanwege al mijn arbeid; en dit was mijn deel van al mijn arbeid.

11
וּ/פָנִ֣יתִֽי אֲנִ֗י בְּ/כָל מַעֲשַׂ/י֙ שֶֽׁ/עָשׂ֣וּ יָדַ֔/י וּ/בֶֽ/עָמָ֖ל שֶׁ/עָמַ֣לְתִּי לַ/עֲשׂ֑וֹת וְ/הִנֵּ֨ה הַ/כֹּ֥ל הֶ֨בֶל֙ וּ/רְע֣וּת ר֔וּחַ וְ/אֵ֥ין יִתְר֖וֹן תַּ֥חַת הַ/שָּֽׁמֶשׁ־׃
STATEN

Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot den arbeid, dien ik werkende gearbeid had; ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes, en daarin was geen voordeel onder de zon.

12
וּ/פָנִ֤יתִֽי אֲנִי֙ לִ/רְא֣וֹת חָכְמָ֔ה וְ/הוֹלֵל֖וֹת וְ/סִכְל֑וּת כִּ֣י מֶ֣ה הָ/אָדָ֗ם שֶׁ/יָּבוֹא֙ אַחֲרֵ֣י הַ/מֶּ֔לֶךְ אֵ֥ת אֲשֶׁר כְּבָ֖ר עָשֽׂוּ/הוּ׀־׃
STATEN

Daarna wendde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zou een mens, die den koning nakomen zal, doen hetgeen alrede gedaan is?

Op De Naamdragers

Blogs over Prediker 2

Nog geen artikelen die specifiek naar Prediker 2 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →