KETUVIM

Prediker 7

קֹהֶלֶת
Hoofdstukken (12)
123456789101112
Getuigen
Interlineair
1
ט֥וֹב שֵׁ֖ם מִ/שֶּׁ֣מֶן ט֑וֹב וְ/י֣וֹם הַ/מָּ֔וֶת מִ/יּ֖וֹם הִוָּלְדֽ/וֹ
STATEN

Beter is een goede naam, dan goede olie, en de dag des doods, dan de dag, dat iemand geboren wordt.

2
ט֞וֹב לָ/לֶ֣כֶת אֶל בֵּֽית אֵ֗בֶל מִ/לֶּ֨כֶת֙ אֶל בֵּ֣ית מִשְׁתֶּ֔ה בַּ/אֲשֶׁ֕ר ה֖וּא ס֣וֹף כָּל הָ/אָדָ֑ם וְ/הַ/חַ֖י יִתֵּ֥ן אֶל לִבּֽ/וֹ
STATEN

Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.

3
ט֥וֹב כַּ֖עַס מִ/שְּׂחֹ֑ק כִּֽי בְ/רֹ֥עַ פָּנִ֖ים יִ֥יטַב לֵֽב
STATEN

Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.

4
לֵ֤ב חֲכָמִים֙ בְּ/בֵ֣ית אֵ֔בֶל וְ/לֵ֥ב כְּסִילִ֖ים בְּ/בֵ֥ית שִׂמְחָֽה
STATEN

Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.

5
ט֕וֹב לִ/שְׁמֹ֖עַ גַּעֲרַ֣ת חָכָ֑ם מֵ/אִ֕ישׁ שֹׁמֵ֖עַ שִׁ֥יר כְּסִילִֽים
STATEN

Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.

6
כִּ֣י כְ/ק֤וֹל הַ/סִּירִים֙ תַּ֣חַת הַ/סִּ֔יר כֵּ֖ן שְׂחֹ֣ק הַ/כְּסִ֑יל וְ/גַם זֶ֖ה הָֽבֶל
STATEN

Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.

7
כִּ֥י הָ/עֹ֖שֶׁק יְהוֹלֵ֣ל חָכָ֑ם וִֽ/יאַבֵּ֥ד אֶת לֵ֖ב מַתָּנָֽה
STATEN

Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.

8
ט֛וֹב אַחֲרִ֥ית דָּבָ֖ר מֵֽ/רֵאשִׁית֑/וֹ ט֥וֹב אֶֽרֶךְ ר֖וּחַ מִ/גְּבַהּ רֽוּחַ
STATEN

Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige.

9
אַל תְּבַהֵ֥ל בְּ/רֽוּחֲ/ךָ֖ לִ/כְע֑וֹס כִּ֣י כַ֔עַס בְּ/חֵ֥יק כְּסִילִ֖ים יָנֽוּחַ
STATEN

Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.

10
אַל תֹּאמַר֙ מֶ֣ה הָיָ֔ה שֶׁ֤/הַ/יָּמִים֙ הָ/רִ֣אשֹׁנִ֔ים הָי֥וּ טוֹבִ֖ים מֵ/אֵ֑לֶּה כִּ֛י לֹ֥א מֵ/חָכְמָ֖ה שָׁאַ֥לְתָּ עַל זֶֽה
STATEN

Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.

11
טוֹבָ֥ה חָכְמָ֖ה עִֽם נַחֲלָ֑ה וְ/יֹתֵ֖ר לְ/רֹאֵ֥י הַ/שָּֽׁמֶשׁ
STATEN

De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan.

12
כִּ֛י בְּ/צֵ֥ל הַֽ/חָכְמָ֖ה בְּ/צֵ֣ל הַ/כָּ֑סֶף וְ/יִתְר֣וֹן דַּ֔עַת הַֽ/חָכְמָ֖ה תְּחַיֶּ֥ה בְעָלֶֽי/הָ
STATEN

Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.

13
רְאֵ֖ה אֶת מַעֲשֵׂ֣ה הָ/אֱלֹהִ֑ים כִּ֣י מִ֤י יוּכַל֙ לְ/תַקֵּ֔ן אֵ֖ת אֲשֶׁ֥ר עִוְּתֽ/וֹ
STATEN

Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?

14
בְּ/י֤וֹם טוֹבָה֙ הֱיֵ֣ה בְ/ט֔וֹב וּ/בְ/י֥וֹם רָעָ֖ה רְאֵ֑ה גַּ֣ם אֶת זֶ֤ה לְ/עֻמַּת זֶה֙ עָשָׂ֣ה הָֽ/אֱלֹהִ֔ים עַל דִּבְרַ֗ת שֶׁ/לֹּ֨א יִמְצָ֧א הָֽ/אָדָ֛ם אַחֲרָ֖י/ו מְאֽוּמָה
STATEN

Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, zie toe; want God maakt ook den een tegenover den ander, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn.

15
אֶת הַ/כֹּ֥ל רָאִ֖יתִי בִּ/ימֵ֣י הֶבְלִ֑/י יֵ֤שׁ צַדִּיק֙ אֹבֵ֣ד בְּ/צִדְק֔/וֹ וְ/יֵ֣שׁ רָשָׁ֔ע מַאֲרִ֖יךְ בְּ/רָעָתֽ/וֹ
STATEN

Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.

16
אַל תְּהִ֤י צַדִּיק֙ הַרְבֵּ֔ה וְ/אַל תִּתְחַכַּ֖ם יוֹתֵ֑ר לָ֖/מָּה תִּשּׁוֹמֵֽם
STATEN

Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?

17
אַל תִּרְשַׁ֥ע הַרְבֵּ֖ה וְ/אַל תְּהִ֣י סָכָ֑ל לָ֥/מָּה תָמ֖וּת בְּ/לֹ֥א עִתֶּֽ/ךָ
STATEN

Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?

18
ט֚וֹב אֲשֶׁ֣ר תֶּאֱחֹ֣ז בָּ/זֶ֔ה וְ/גַם מִ/זֶּ֖ה אַל תַּנַּ֣ח אֶת יָדֶ֑/ךָ כִּֽי יְרֵ֥א אֱלֹהִ֖ים יֵצֵ֥א אֶת כֻּלָּֽ/ם
STATEN

Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, die ontgaat dat al.

19
הַֽ/חָכְמָ֖ה תָּעֹ֣ז לֶ/חָכָ֑ם מֵֽ/עֲשָׂרָה֙ שַׁלִּיטִ֔ים אֲשֶׁ֥ר הָי֖וּ בָּ/עִֽיר
STATEN

De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.

20
כִּ֣י אָדָ֔ם אֵ֥ין צַדִּ֖יק בָּ/אָ֑רֶץ אֲשֶׁ֥ר יַעֲשֶׂה טּ֖וֹב וְ/לֹ֥א יֶחֱטָֽא
STATEN

Voorwaar, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt.

21
גַּ֤ם לְ/כָל הַ/דְּבָרִים֙ אֲשֶׁ֣ר יְדַבֵּ֔רוּ אַל תִּתֵּ֖ן לִבֶּ֑/ךָ אֲשֶׁ֥ר לֹֽא תִשְׁמַ֥ע אֶֽת עַבְדְּ/ךָ֖ מְקַלְלֶֽ/ךָ
STATEN

Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt.

22
כִּ֛י גַּם פְּעָמִ֥ים רַבּ֖וֹת יָדַ֣ע לִבֶּ֑/ךָ אֲשֶׁ֥ר גַּם את קִלַּ֥לְתָּ אֲחֵרִֽים אַתָּ֖ה
STATEN

Want uw hart heeft ook veelmalen bekend, dat gij ook anderen gevloekt hebt.

23
כָּל זֹ֖ה נִסִּ֣יתִי בַֽ/חָכְמָ֑ה אָמַ֣רְתִּי אֶחְכָּ֔מָה וְ/הִ֖יא רְחוֹקָ֥ה מִמֶּֽ/נִּי
STATEN

Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij.

24
רָח֖וֹק מַה שֶּׁ/הָיָ֑ה וְ/עָמֹ֥ק עָמֹ֖ק מִ֥י יִמְצָאֶֽ/נּוּ
STATEN

Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?

25
סַבּ֨וֹתִֽי אֲנִ֤י וְ/לִבִּ/י֙ לָ/דַ֣עַת וְ/לָ/ת֔וּר וּ/בַקֵּ֥שׁ חָכְמָ֖ה וְ/חֶשְׁבּ֑וֹן וְ/לָ/דַ֨עַת֙ רֶ֣שַׁע כֶּ֔סֶל וְ/הַ/סִּכְל֖וּת הוֹלֵלֽוֹת
STATEN

Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te speuren, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.

26
וּ/מוֹצֶ֨א אֲנִ֜י מַ֣ר מִ/מָּ֗וֶת אֶת הָֽ/אִשָּׁה֙ אֲשֶׁר הִ֨יא מְצוֹדִ֧ים וַ/חֲרָמִ֛ים לִבָּ֖/הּ אֲסוּרִ֣ים יָדֶ֑י/הָ ט֞וֹב לִ/פְנֵ֤י הָ/אֱלֹהִים֙ יִמָּלֵ֣ט מִמֶּ֔/נָּה וְ/חוֹטֵ֖א יִלָּ֥כֶד בָּֽ/הּ
STATEN

En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.

27
רְאֵה֙ זֶ֣ה מָצָ֔אתִי אָמְרָ֖ה קֹהֶ֑לֶת אַחַ֥ת לְ/אַחַ֖ת לִ/מְצֹ֥א חֶשְׁבּֽוֹן
STATEN

Ziet, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het ene bij het andere, om de sluitrede te vinden;

28
אֲשֶׁ֛ר עוֹד בִּקְשָׁ֥ה נַפְשִׁ֖/י וְ/לֹ֣א מָצָ֑אתִי אָדָ֞ם אֶחָ֤ד מֵ/אֶ֨לֶף֙ מָצָ֔אתִי וְ/אִשָּׁ֥ה בְ/כָל אֵ֖לֶּה לֹ֥א מָצָֽאתִי
STATEN

Dewelke mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: één man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.

29
לְ/בַד֙ רְאֵה זֶ֣ה מָצָ֔אתִי אֲשֶׁ֨ר עָשָׂ֧ה הָ/אֱלֹהִ֛ים אֶת הָ/אָדָ֖ם יָשָׁ֑ר וְ/הֵ֥מָּה בִקְשׁ֖וּ חִשְּׁבֹנ֥וֹת רַבִּֽים
STATEN

Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben veel vonden gezocht.