KETUVIM

Prediker 10

קֹהֶלֶת
Hoofdstukken (12)
123456789101112
Getuigen
Interlineair
1
זְב֣וּבֵי מָ֔וֶת יַבְאִ֥ישׁ יַבִּ֖יעַ שֶׁ֣מֶן רוֹקֵ֑חַ יָקָ֛ר מֵ/חָכְמָ֥ה מִ/כָּב֖וֹד סִכְל֥וּת מְעָֽט
STATEN

Een dode vlieg doet de zalf des apothekers stinken en opwellen; alzo een weinig dwaasheid een man, die kostelijk is van wijsheid en van eer.

2
לֵ֤ב חָכָם֙ לִֽ/ימִינ֔/וֹ וְ/לֵ֥ב כְּסִ֖יל לִ/שְׂמֹאלֽ/וֹ
STATEN

Het hart des wijzen is tot zijn rechter-, maar het hart eens zots is tot zijn linkerhand.

3
וְ/גַם בַּ/דֶּ֛רֶךְ כ/ש/ה/סכל הֹלֵ֖ךְ לִבּ֣/וֹ חָסֵ֑ר וְ/אָמַ֥ר לַ/כֹּ֖ל סָכָ֥ל הֽוּא כְּ/שֶׁ/סָּכָ֥ל
STATEN

En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.

4
אִם ר֤וּחַ הַ/מּוֹשֵׁל֙ תַּעֲלֶ֣ה עָלֶ֔י/ךָ מְקוֹמְ/ךָ֖ אַל תַּנַּ֑ח כִּ֣י מַרְפֵּ֔א יַנִּ֖יחַ חֲטָאִ֥ים גְּדוֹלִֽים
STATEN

Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.

5
יֵ֣שׁ רָעָ֔ה רָאִ֖יתִי תַּ֣חַת הַ/שָּׁ֑מֶשׁ כִּ/שְׁגָגָ֕ה שֶׁ/יֹּצָ֖א מִ/לִּ/פְנֵ֥י הַ/שַּׁלִּֽיט
STATEN

Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.

6
נִתַּ֣ן הַ/סֶּ֔כֶל בַּ/מְּרוֹמִ֖ים רַבִּ֑ים וַ/עֲשִׁירִ֖ים בַּ/שֵּׁ֥פֶל יֵשֵֽׁבוּ
STATEN

Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.

7
רָאִ֥יתִי עֲבָדִ֖ים עַל סוּסִ֑ים וְ/שָׂרִ֛ים הֹלְכִ֥ים כַּ/עֲבָדִ֖ים עַל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.

8
חֹפֵ֥ר גּוּמָּ֖ץ בּ֣/וֹ יִפּ֑וֹל וּ/פֹרֵ֥ץ גָּדֵ֖ר יִשְּׁכֶ֥/נּוּ נָחָֽשׁ
STATEN

Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.

9
מַסִּ֣יעַ אֲבָנִ֔ים יֵעָצֵ֖ב בָּ/הֶ֑ם בּוֹקֵ֥עַ עֵצִ֖ים יִסָּ֥כֶן בָּֽ/ם
STATEN

Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.

10
אִם קֵהָ֣ה הַ/בַּרְזֶ֗ל וְ/הוּא֙ לֹא פָנִ֣ים קִלְקַ֔ל וַ/חֲיָלִ֖ים יְגַבֵּ֑ר וְ/יִתְר֥וֹן הכשיר חָכְמָֽה הַכְשֵׁ֖ר
STATEN

Indien hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen; maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken.

11
אִם יִשֹּׁ֥ךְ הַ/נָּחָ֖שׁ בְּ/לוֹא לָ֑חַשׁ וְ/אֵ֣ין יִתְר֔וֹן לְ/בַ֖עַל הַ/לָּשֽׁוֹן
STATEN

Indien de slang gebeten heeft, eer der bezwering geschied is, dan is er geen nuttigheid voor den allerwelsprekendsten bezweerder.

12
דִּבְרֵ֥י פִי חָכָ֖ם חֵ֑ן וְ/שִׂפְת֥וֹת כְּסִ֖יל תְּבַלְּעֶֽ/נּוּ
STATEN

De woorden van den mond eens wijzen zijn aangenaam; maar de lippen eens zots verslinden hemzelven.

13
תְּחִלַּ֥ת דִּבְרֵי פִ֖י/הוּ סִכְל֑וּת וְ/אַחֲרִ֣ית פִּ֔י/הוּ הוֹלֵל֖וּת רָעָֽה
STATEN

Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.

14
וְ/הַ/סָּכָ֖ל יַרְבֶּ֣ה דְבָרִ֑ים לֹא יֵדַ֤ע הָ/אָדָם֙ מַה שֶׁ/יִּֽהְיֶ֔ה וַ/אֲשֶׁ֤ר יִֽהְיֶה֙ מֵֽ/אַחֲרָ֔י/ו מִ֖י יַגִּ֥יד לֽ/וֹ
STATEN

De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?

15
עֲמַ֥ל הַ/כְּסִילִ֖ים תְּיַגְּעֶ֑/נּוּ אֲשֶׁ֥ר לֹֽא יָדַ֖ע לָ/לֶ֥כֶת אֶל עִֽיר
STATEN

De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.

16
אִֽי לָ֣/ךְ אֶ֔רֶץ שֶׁ/מַּלְכֵּ֖/ךְ נָ֑עַר וְ/שָׂרַ֖יִ/ךְ בַּ/בֹּ֥קֶר יֹאכֵֽלוּ
STATEN

Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in den morgenstond eten!

17
אַשְׁרֵ֣י/ךְ אֶ֔רֶץ שֶׁ/מַּלְכֵּ֖/ךְ בֶּן חוֹרִ֑ים וְ/שָׂרַ֨יִ/ךְ֙ בָּ/עֵ֣ת יֹאכֵ֔לוּ בִּ/גְבוּרָ֖ה וְ/לֹ֥א בַ/שְּׁתִֽי
STATEN

Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij.

18
בַּ/עֲצַלְתַּ֖יִם יִמַּ֣ךְ הַ/מְּקָרֶ֑ה וּ/בְ/שִׁפְל֥וּת יָדַ֖יִם יִדְלֹ֥ף הַ/בָּֽיִת
STATEN

Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.

19
לִ/שְׂחוֹק֙ עֹשִׂ֣ים לֶ֔חֶם וְ/יַ֖יִן יְשַׂמַּ֣ח חַיִּ֑ים וְ/הַ/כֶּ֖סֶף יַעֲנֶ֥ה אֶת הַ/כֹּֽל
STATEN

Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles.

20
גַּ֣ם בְּ/מַדָּֽעֲ/ךָ֗ מֶ֚לֶךְ אַל תְּקַלֵּ֔ל וּ/בְ/חַדְרֵי֙ מִשְׁכָּ֣בְ/ךָ֔ אַל תְּקַלֵּ֖ל עָשִׁ֑יר כִּ֣י ע֤וֹף הַ/שָּׁמַ֨יִם֙ יוֹלִ֣יךְ אֶת הַ/קּ֔וֹל וּ/בַ֥עַל ה/כנפים יַגֵּ֥יד דָּבָֽר כְּנָפַ֖יִם
STATEN

Vloek den koning niet, zelfs in uw gedachte, en vloek den rijke niet in het binnenste uwer slaapkamer; want het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven.