Ga naar inhoud
KETUVIM

Daniël 2

דָּנִיֵּאל
Hoofdstukken (14)← → toetsen
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וּ/בִ/שְׁנַ֣ת שְׁתַּ֗יִם לְ/מַלְכוּת֙ נְבֻֽכַדְנֶצַּ֔ר חָלַ֥ם נְבֻֽכַדְנֶצַּ֖ר חֲלֹמ֑וֹת וַ/תִּתְפָּ֣עֶם רוּח֔/וֹ וּ/שְׁנָת֖/וֹ נִהְיְתָ֥ה עָלָֽי/ו׃
STATEN

In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnézar, droomde Nebukadnézar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken.

2
וַ/יֹּ֣אמֶר הַ֠/מֶּלֶךְ לִ/קְרֹ֨א לַֽ/חַרְטֻמִּ֜ים וְ/לָֽ/אַשָּׁפִ֗ים וְ/לַֽ/מְכַשְּׁפִים֙ וְ/לַ/כַּשְׂדִּ֔ים לְ/הַגִּ֥יד לַ/מֶּ֖לֶךְ חֲלֹמֹתָ֑י/ו וַ/יָּבֹ֕אוּ וַ/יַּֽעַמְד֖וּ לִ/פְנֵ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ׃
STATEN

Toen zeide de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeeën, om den koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht des konings.

3
וַ/יֹּ֧אמֶר לָ/הֶ֛ם הַ/מֶּ֖לֶךְ חֲל֣וֹם חָלָ֑מְתִּי וַ/תִּפָּ֣עֶם רוּחִ֔/י לָ/דַ֖עַת אֶֽת הַ/חֲלֽוֹם־׃
STATEN

En de koning zeide tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om dien droom te weten.

4
וַֽ/יְדַבְּר֧וּ הַ/כַּשְׂדִּ֛ים לַ/מֶּ֖לֶךְ אֲרָמִ֑ית מַלְכָּ/א֙ לְ/עָלְמִ֣ין חֱיִ֔י אֱמַ֥ר חֶלְמָ֛/א ל/עבדי/ך וּ/פִשְׁרָ֥/א נְחַוֵּֽא לְ/עַבְדָ֖/ךְ׃
STATEN

Toen spraken de Chaldeeën, tot den koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.

5
עָנֵ֤ה מַלְכָּ/א֙ וְ/אָמַ֣ר ל/כשדי/א מִלְּתָ֖/א מִנִּ֣/י אַזְדָּ֑א הֵ֣ן לָ֤א תְהֽוֹדְעוּנַּ֨/נִי֙ חֶלְמָ֣/א וּ/פִשְׁרֵ֔/הּ הַדָּמִין֙ תִּתְעַבְד֔וּן וּ/בָתֵּי/כ֖וֹן נְוָלִ֥י יִתְּשָׂמֽוּן לְ/כַשְׂדָּאֵ֔/י׃
STATEN

De koning antwoordde en zeide tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; indien gij mij den droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.

6
וְ/הֵ֨ן חֶלְמָ֤/א וּ/פִשְׁרֵ/הּ֙ תְּֽהַחֲוֺ֔ן מַתְּנָ֤ן וּ/נְבִזְבָּה֙ וִ/יקָ֣ר שַׂגִּ֔יא תְּקַבְּל֖וּן מִן קֳדָמָ֑/י לָהֵ֕ן חֶלְמָ֥/א וּ/פִשְׁרֵ֖/הּ הַחֲוֺֽ/נִי־׃
STATEN

Maar indien gijlieden den droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij den droom en zijn uitlegging te kennen.

7
עֲנ֥וֹ תִנְיָנ֖וּת וְ/אָמְרִ֑ין מַלְכָּ֕/א חֶלְמָ֛/א יֵאמַ֥ר לְ/עַבְד֖וֹ/הִי וּ/פִשְׁרָ֥/ה נְהַחֲוֵֽה׃
STATEN

Zij antwoordden ten tweeden male, en zeiden: De koning zegge zijn knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.

8
עָנֵ֤ה מַלְכָּ/א֙ וְ/אָמַ֔ר מִן יַצִּיב֙ יָדַ֣ע אֲנָ֔ה דִּ֥י עִדָּנָ֖/א אַנְתּ֣וּן זָבְנִ֑ין כָּ/ל קֳבֵל֙ דִּ֣י חֲזֵית֔וֹן דִּ֥י אַזְדָּ֖א מִנִּ֥/י מִלְּתָֽ/א־־׃
STATEN

De koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk, dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is.

9
דִּ֣י הֵן חֶלְמָ/א֩ לָ֨א תְהֽוֹדְעֻנַּ֜/נִי חֲדָה הִ֣יא דָֽתְ/כ֗וֹן וּ/מִלָּ֨ה כִדְבָ֤ה וּ/שְׁחִיתָה֙ הזמנתון לְ/מֵאמַ֣ר קָֽדָמַ֔/י עַ֛ד דִּ֥י עִדָּנָ֖/א יִשְׁתַּנֵּ֑א לָהֵ֗ן חֶלְמָ/א֙ אֱמַ֣רוּ לִ֔/י וְֽ/אִנְדַּ֕ע דִּ֥י פִשְׁרֵ֖/הּ תְּהַחֲוֻנַּֽ/נִי־־׃ הִזְדְּמִנְתּוּן֙
STATEN

Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven.

10
עֲנ֨וֹ כשדי/א קֳדָם מַלְכָּ/א֙ וְ/אָ֣מְרִ֔ין לָֽא אִיתַ֤י אֲנָשׁ֙ עַל יַבֶּשְׁתָּ֔/א דִּ֚י מִלַּ֣ת מַלְכָּ֔/א יוּכַ֖ל לְ/הַחֲוָיָ֑ה כָּ/ל קֳבֵ֗ל דִּ֚י כָּל מֶ֨לֶךְ֙ רַ֣ב וְ/שַׁלִּ֔יט מִלָּ֤ה כִ/דְנָה֙ לָ֣א שְׁאֵ֔ל לְ/כָל חַרְטֹּ֖ם וְ/אָשַׁ֥ף וְ/כַשְׂדָּֽי כַשְׂדָּאֵ֤/י־־־־־־׃
STATEN

De Chaldeeën antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enigen tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeeër.

11
וּ/מִלְּתָ֨/א דִֽי מַלְכָּ֤/ה שָׁאֵל֙ יַקִּירָ֔ה וְ/אָחֳרָן֙ לָ֣א אִיתַ֔י דִּ֥י יְחַוִּנַּ֖/הּ קֳדָ֣ם מַלְכָּ֑/א לָהֵ֣ן אֱלָהִ֔ין דִּ֚י מְדָ֣רְ/ה֔וֹן עִם בִּשְׂרָ֖/א לָ֥א אִיתֽוֹ/הִי־־׃
STATEN

Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dezelve voor den koning te kennen kan geven, dan de goden, welker woning bij het vlees niet is.

12
כָּ/ל קֳבֵ֣ל דְּנָ֔ה מַלְכָּ֕/א בְּנַ֖ס וּ/קְצַ֣ף שַׂגִּ֑יא וַ/אֲמַר֙ לְ/ה֣וֹבָדָ֔ה לְ/כֹ֖ל חַכִּימֵ֥י בָבֶֽל־׃
STATEN

Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, en zeide, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.

Op De Naamdragers

Blogs over Daniël 2

Nog geen artikelen die specifiek naar Daniël 2 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →