Ga naar inhoud
KETUVIM

Daniël 8

דָּנִיֵּאל
Hoofdstukken (14)← → toetsen
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בִּ/שְׁנַ֣ת שָׁל֔וֹשׁ לְ/מַלְכ֖וּת בֵּלְאשַׁצַּ֣ר הַ/מֶּ֑לֶךְ חָז֞וֹן נִרְאָ֤ה אֵלַ/י֙ אֲנִ֣י דָנִיֵּ֔אל אַחֲרֵ֛י הַ/נִּרְאָ֥ה אֵלַ֖/י בַּ/תְּחִלָּֽה׃
STATEN

In het derde jaar des koninkrijks van den koning Bélsazar, verscheen mij een gezicht, mij Daniël, na hetgeen mij in het eerste verschenen was.

2
וָֽ/אֶרְאֶה֮ בֶּ/חָזוֹן֒ וַ/יְהִי֙ בִּ/רְאֹתִ֔/י וַ/אֲנִי֙ בְּ/שׁוּשַׁ֣ן הַ/בִּירָ֔ה אֲשֶׁ֖ר בְּ/עֵילָ֣ם הַ/מְּדִינָ֑ה וָ/אֶרְאֶה֙ בֶּֽ/חָז֔וֹן וַ/אֲנִ֥י הָיִ֖יתִי עַל אוּבַ֥ל אוּלָֽי־׃
STATEN

En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan den vloed Ulai was.

3
וָ/אֶשָּׂ֤א עֵינַ/י֙ וָ/אֶרְאֶ֔ה וְ/הִנֵּ֣ה אַ֣יִל אֶחָ֗ד עֹמֵ֛ד לִ/פְנֵ֥י הָ/אֻבָ֖ל וְ/ל֣/וֹ קְרָנָ֑יִם וְ/הַ/קְּרָנַ֣יִם גְּבֹה֗וֹת וְ/הָ/אַחַת֙ גְּבֹהָ֣ה מִן הַ/שֵּׁנִ֔ית וְ/הַ֨/גְּבֹהָ֔ה עֹלָ֖ה בָּ/אַחֲרֹנָֽה׀־׃
STATEN

En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op.

4
רָאִ֣יתִי אֶת הָ/אַ֡יִל מְנַגֵּחַ֩ יָ֨מָּ/ה וְ/צָפ֜וֹנָ/ה וָ/נֶ֗גְבָּ/ה וְ/כָל חַיּוֹת֙ לֹֽא יַֽעַמְד֣וּ לְ/פָנָ֔י/ו וְ/אֵ֥ין מַצִּ֖יל מִ/יָּד֑/וֹ וְ/עָשָׂ֥ה כִ/רְצֹנ֖/וֹ וְ/הִגְדִּֽיל־־־׃
STATEN

Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.

5
וַ/אֲנִ֣י הָיִ֣יתִי מֵבִ֗ין וְ/הִנֵּ֤ה צְפִיר הָֽ/עִזִּים֙ בָּ֤א מִן הַֽ/מַּעֲרָב֙ עַל פְּנֵ֣י כָל הָ/אָ֔רֶץ וְ/אֵ֥ין נוֹגֵ֖עַ בָּ/אָ֑רֶץ וְ/הַ֨/צָּפִ֔יר קֶ֥רֶן חָז֖וּת בֵּ֥ין עֵינָֽי/ו׀־־־־׃
STATEN

Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over den gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen.

6
וַ/יָּבֹ֗א עַד הָ/אַ֨יִל֙ בַּ֣עַל הַ/קְּרָנַ֔יִם אֲשֶׁ֣ר רָאִ֔יתִי עֹמֵ֖ד לִ/פְנֵ֣י הָ/אֻבָ֑ל וַ/יָּ֥רָץ אֵלָ֖י/ו בַּ/חֲמַ֥ת כֹּחֽ/וֹ־׃
STATEN

En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht.

7
וּ/רְאִיתִ֞י/ו מַגִּ֣יעַ אֵ֣צֶל הָ/אַ֗יִל וַ/יִּתְמַרְמַ֤ר אֵלָי/ו֙ וַ/יַּ֣ךְ אֶת הָ/אַ֔יִל וַ/יְשַׁבֵּר֙ אֶת שְׁתֵּ֣י קְרָנָ֔י/ו וְ/לֹא הָ֥יָה כֹ֛חַ בָּ/אַ֖יִל לַ/עֲמֹ֣ד לְ/פָנָ֑י/ו וַ/יַּשְׁלִיכֵ֤/הוּ אַ֨רְצָ/ה֙ וַֽ/יִּרְמְסֵ֔/הוּ וְ/לֹא הָיָ֥ה מַצִּ֛יל לָ/אַ֖יִל מִ/יָּדֽ/וֹ׀־־־־׃
STATEN

En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste.

8
וּ/צְפִ֥יר הָ/עִזִּ֖ים הִגְדִּ֣יל עַד מְאֹ֑ד וּ/כְ/עָצְמ֗/וֹ נִשְׁבְּרָה֙ הַ/קֶּ֣רֶן הַ/גְּדוֹלָ֔ה וַֽ/תַּעֲלֶ֜נָה חָז֤וּת אַרְבַּע֙ תַּחְתֶּ֔י/הָ לְ/אַרְבַּ֖ע רוּח֥וֹת הַ/שָּׁמָֽיִם־׃
STATEN

En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels.

9
וּ/מִן הָ/אַחַ֣ת מֵ/הֶ֔ם יָצָ֥א קֶֽרֶן אַחַ֖ת מִ/צְּעִירָ֑ה וַ/תִּגְדַּל יֶ֛תֶר אֶל הַ/נֶּ֥גֶב וְ/אֶל הַ/מִּזְרָ֖ח וְ/אֶל הַ/צֶּֽבִי־־־־־־׃
STATEN

En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.

10
וַ/תִּגְדַּ֖ל עַד צְבָ֣א הַ/שָּׁמָ֑יִם וַ/תַּפֵּ֥ל אַ֛רְצָ/ה מִן הַ/צָּבָ֥א וּ/מִן הַ/כּוֹכָבִ֖ים וַֽ/תִּרְמְסֵֽ/ם־־־׃
STATEN

En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.

11
וְ/עַ֥ד שַֽׂר הַ/צָּבָ֖א הִגְדִּ֑יל וּ/מִמֶּ֨/נּוּ֙ הרים הַ/תָּמִ֔יד וְ/הֻשְׁלַ֖ךְ מְכ֥וֹן מִקְדָּשֽׁ/וֹ־׃ הוּרַ֣ם
STATEN

Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.

12
וְ/צָבָ֛א תִּנָּתֵ֥ן עַל הַ/תָּמִ֖יד בְּ/פָ֑שַׁע וְ/תַשְׁלֵ֤ךְ אֱמֶת֙ אַ֔רְצָ/ה וְ/עָשְׂתָ֖ה וְ/הִצְלִֽיחָה־׃
STATEN

En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.

Op De Naamdragers

Blogs over Daniël 8

Nog geen artikelen die specifiek naar Daniël 8 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →