Ga naar inhoud
KETUVIM

Daniël 9

דָּנִיֵּאל
Hoofdstukken (14)← → toetsen
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בִּ/שְׁנַ֣ת אַחַ֗ת לְ/דָרְיָ֛וֶשׁ בֶּן אֲחַשְׁוֵר֖וֹשׁ מִ/זֶּ֣רַע מָדָ֑י אֲשֶׁ֣ר הָמְלַ֔ךְ עַ֖ל מַלְכ֥וּת כַּשְׂדִּֽים־׃
STATEN

In het eerste jaar van Daríus, den zoon van Ahasvéros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën;

2
בִּ/שְׁנַ֤ת אַחַת֙ לְ/מָלְכ֔/וֹ אֲנִי֙ דָּֽנִיֵּ֔אל בִּינֹ֖תִי בַּ/סְּפָרִ֑ים מִסְפַּ֣ר הַ/שָּׁנִ֗ים אֲשֶׁ֨ר הָיָ֤ה דְבַר יְהוָה֙ אֶל יִרְמִיָ֣ה הַ/נָּבִ֔יא לְ/מַלֹּ֛אות לְ/חָרְב֥וֹת יְרוּשָׁלִַ֖ם שִׁבְעִ֥ים שָׁנָֽה־־׃
STATEN

In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet Jeremía geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was.

3
וָ/אֶתְּנָ֣/ה אֶת פָּנַ֗/י אֶל אֲדֹנָ/י֙ הָֽ/אֱלֹהִ֔ים לְ/בַקֵּ֥שׁ תְּפִלָּ֖ה וְ/תַחֲנוּנִ֑ים בְּ/צ֖וֹם וְ/שַׂ֥ק וָ/אֵֽפֶר־־׃
STATEN

En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as.

4
וָֽ/אֶתְפַּֽלְלָ֛/ה לַ/יהוָ֥ה אֱלֹהַ֖/י וָ/אֶתְוַדֶּ֑ה וָ/אֹֽמְרָ֗/ה אָנָּ֤א אֲדֹנָ/י֙ הָ/אֵ֤ל הַ/גָּדוֹל֙ וְ/הַ/נּוֹרָ֔א שֹׁמֵ֤ר הַ/בְּרִית֙ וְֽ/הַ/חֶ֔סֶד לְ/אֹהֲבָ֖י/ו וּ/לְ/שֹׁמְרֵ֥י מִצְוֺתָֽי/ו׃
STATEN

Ik bad dan tot den HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.

5
חָטָ֥אנוּ וְ/עָוִ֖ינוּ ו/הרשענו וּ/מָרָ֑דְנוּ וְ/ס֥וֹר מִ/מִּצְוֺתֶ֖/ךָ וּ/מִ/מִּשְׁפָּטֶֽי/ךָ הִרְשַׁ֣עְנוּ׃
STATEN

Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten.

6
וְ/לֹ֤א שָׁמַ֨עְנוּ֙ אֶל עֲבָדֶ֣י/ךָ הַ/נְּבִיאִ֔ים אֲשֶׁ֤ר דִּבְּרוּ֙ בְּ/שִׁמְ/ךָ֔ אֶל מְלָכֵ֥י/נוּ שָׂרֵ֖י/נוּ וַ/אֲבֹתֵ֑י/נוּ וְ/אֶ֖ל כָּל עַ֥ם הָ/אָֽרֶץ־־־׃
STATEN

En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.

7
לְ/ךָ֤ אֲדֹנָ/י֙ הַ/צְּדָקָ֔ה וְ/לָ֛/נוּ בֹּ֥שֶׁת הַ/פָּנִ֖ים כַּ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה לְ/אִ֤ישׁ יְהוּדָה֙ וּ/לְ/יוֹשְׁבֵ֣י יְרֽוּשָׁלִַ֔ם וּֽ/לְ/כָל יִשְׂרָאֵ֞ל הַ/קְּרֹבִ֣ים וְ/הָ/רְחֹקִ֗ים בְּ/כָל הָֽ/אֲרָצוֹת֙ אֲשֶׁ֣ר הִדַּחְתָּ֣/ם שָׁ֔ם בְּ/מַעֲלָ֖/ם אֲשֶׁ֥ר מָֽעֲלוּ בָֽ/ךְ־־־׃
STATEN

Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, om hun overtreding, waarmede zij tegen U overtreden hebben.

8
יְהוָ֗ה לָ֚/נוּ בֹּ֣שֶׁת הַ/פָּנִ֔ים לִ/מְלָכֵ֥י/נוּ לְ/שָׂרֵ֖י/נוּ וְ/לַ/אֲבֹתֵ֑י/נוּ אֲשֶׁ֥ר חָטָ֖אנוּ לָֽ/ךְ׃
STATEN

O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.

9
לַֽ/אדֹנָ֣/י אֱלֹהֵ֔י/נוּ הָ/רַחֲמִ֖ים וְ/הַ/סְּלִח֑וֹת כִּ֥י מָרַ֖דְנוּ בּֽ/וֹ׃
STATEN

Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.

10
וְ/לֹ֣א שָׁמַ֔עְנוּ בְּ/ק֖וֹל יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֑י/נוּ לָ/לֶ֤כֶת בְּ/תֽוֹרֹתָי/ו֙ אֲשֶׁ֣ר נָתַ֣ן לְ/פָנֵ֔י/נוּ בְּ/יַ֖ד עֲבָדָ֥י/ו הַ/נְּבִיאִֽים׃
STATEN

En wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.

11
וְ/כָל יִשְׂרָאֵ֗ל עָֽבְרוּ֙ אֶת תּ֣וֹרָתֶ֔/ךָ וְ/ס֕וֹר לְ/בִלְתִּ֖י שְׁמ֣וֹעַ בְּ/קֹלֶ֑/ךָ וַ/תִּתַּ֨ךְ עָלֵ֜י/נוּ הָ/אָלָ֣ה וְ/הַ/שְּׁבֻעָ֗ה אֲשֶׁ֤ר כְּתוּבָה֙ בְּ/תוֹרַת֙ מֹשֶׁ֣ה עֶֽבֶד הָֽ/אֱלֹהִ֔ים כִּ֥י חָטָ֖אנוּ לֽ/וֹ־־־׃
STATEN

Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uwer stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben.

12
וַ/יָּ֜קֶם אֶת דברי/ו אֲשֶׁר דִּבֶּ֣ר עָלֵ֗י/נוּ וְ/עַ֤ל שֹֽׁפְטֵ֨י/נוּ֙ אֲשֶׁ֣ר שְׁפָט֔וּ/נוּ לְ/הָבִ֥יא עָלֵ֖י/נוּ רָעָ֣ה גְדֹלָ֑ה אֲשֶׁ֣ר לֹֽא נֶעֶשְׂתָ֗ה תַּ֚חַת כָּל הַ/שָּׁמַ֔יִם כַּ/אֲשֶׁ֥ר נֶעֶשְׂתָ֖ה בִּ/ירוּשָׁלִָֽם־׀־־־׃ דְּבָר֣/וֹ
STATEN

En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.

Op De Naamdragers

Blogs over Daniël 9

Nog geen artikelen die specifiek naar Daniël 9 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →