Ga naar inhoud
KETUVIM

Daniël 1

דָּנִיֵּאל
Hoofdstukken (14)← → toetsen
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בִּ/שְׁנַ֣ת שָׁל֔וֹשׁ לְ/מַלְכ֖וּת יְהוֹיָקִ֣ים מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֑ה בָּ֣א נְבוּכַדְנֶאצַּ֧ר מֶֽלֶךְ בָּבֶ֛ל יְרוּשָׁלִַ֖ם וַ/יָּ֥צַר עָלֶֽי/הָ־־׃
STATEN

In het derde jaar des koninkrijks van Jójakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnézar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.

2
וַ/יִּתֵּן֩ אֲדֹנָ֨/י בְּ/יָד֜/וֹ אֶת יְהוֹיָקִ֣ים מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֗ה וּ/מִ/קְצָת֙ כְּלֵ֣י בֵית הָֽ/אֱלֹהִ֔ים וַ/יְבִיאֵ֥/ם אֶֽרֶץ שִׁנְעָ֖ר בֵּ֣ית אֱלֹהָ֑י/ו וְ/אֶת הַ/כֵּלִ֣ים הֵבִ֔יא בֵּ֖ית אוֹצַ֥ר אֱלֹהָֽי/ו־־־־־׃
STATEN

En de Heere gaf Jójakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.

3
וַ/יֹּ֣אמֶר הַ/מֶּ֔לֶךְ לְ/אַשְׁפְּנַ֖ז רַ֣ב סָרִיסָ֑י/ו לְ/הָבִ֞יא מִ/בְּנֵ֧י יִשְׂרָאֵ֛ל וּ/מִ/זֶּ֥רַע הַ/מְּלוּכָ֖ה וּ/מִן הַֽ/פַּרְתְּמִֽים־׃
STATEN

En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israëls, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen;

4
יְלָדִ֣ים אֲשֶׁ֣ר אֵֽין בָּ/הֶ֣ם כָּל מאום וְ/טוֹבֵ֨י מַרְאֶ֜ה וּ/מַשְׂכִּילִ֣ים בְּ/כָל חָכְמָ֗ה וְ/יֹ֤דְעֵי דַ֨עַת֙ וּ/מְבִינֵ֣י מַדָּ֔ע וַ/אֲשֶׁר֙ כֹּ֣חַ בָּ/הֶ֔ם לַ/עֲמֹ֖ד בְּ/הֵיכַ֣ל הַ/מֶּ֑לֶךְ וּֽ/לֲ/לַמְּדָ֥/ם סֵ֖פֶר וּ/לְשׁ֥וֹן כַּשְׂדִּֽים־־־׃ מוּם֩
STATEN

Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeeën.

5
וַ/יְמַן֩ לָ/הֶ֨ם הַ/מֶּ֜לֶךְ דְּבַר י֣וֹם בְּ/יוֹמ֗/וֹ מִ/פַּת בַּ֤ג הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ וּ/מִ/יֵּ֣ין מִשְׁתָּ֔י/ו וּֽ/לְ/גַדְּלָ֖/ם שָׁנִ֣ים שָׁל֑וֹשׁ וּ/מִ֨/קְצָתָ֔/ם יַֽעַמְד֖וּ לִ/פְנֵ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ־־׃
STATEN

En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des konings.

6
וַ/יְהִ֥י בָ/הֶ֖ם מִ/בְּנֵ֣י יְהוּדָ֑ה דָּנִיֵּ֣אל חֲנַנְיָ֔ה מִֽישָׁאֵ֖ל וַ/עֲזַרְיָֽה׃
STATEN

Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniël, Hanánja, Mísaël en Azárja.

7
וַ/יָּ֧שֶׂם לָ/הֶ֛ם שַׂ֥ר הַ/סָּרִיסִ֖ים שֵׁמ֑וֹת וַ/יָּ֨שֶׂם לְ/דָֽנִיֵּ֜אל בֵּ֣לְטְשַׁאצַּ֗ר וְ/לַֽ/חֲנַנְיָה֙ שַׁדְרַ֔ךְ וּ/לְ/מִֽישָׁאֵ֣ל מֵישַׁ֔ךְ וְ/לַ/עֲזַרְיָ֖ה עֲבֵ֥ד נְגֽוֹ׃
STATEN

En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Béltsazar, en Hanánja Sadrach, en Mísaël Mesach, en Azárja Abéd-nego.

8
וַ/יָּ֤שֶׂם דָּנִיֵּאל֙ עַל לִבּ֔/וֹ אֲשֶׁ֧ר לֹֽא יִתְגָּאַ֛ל בְּ/פַתְבַּ֥ג הַ/מֶּ֖לֶךְ וּ/בְ/יֵ֣ין מִשְׁתָּ֑י/ו וַ/יְבַקֵּשׁ֙ מִ/שַּׂ֣ר הַ/סָּרִיסִ֔ים אֲשֶׁ֖ר לֹ֥א יִתְגָּאָֽל־־׃
STATEN

Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.

9
וַ/יִּתֵּ֤ן הָֽ/אֱלֹהִים֙ אֶת דָּ֣נִיֵּ֔אל לְ/חֶ֖סֶד וּֽ/לְ/רַחֲמִ֑ים לִ/פְנֵ֖י שַׂ֥ר הַ/סָּרִיסִֽים־׃
STATEN

En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.

10
וַ/יֹּ֜אמֶר שַׂ֤ר הַ/סָּרִיסִים֙ לְ/דָ֣נִיֵּ֔אל יָרֵ֤א אֲנִי֙ אֶת אֲדֹנִ֣/י הַ/מֶּ֔לֶךְ אֲשֶׁ֣ר מִנָּ֔ה אֶת מַאֲכַלְ/כֶ֖ם וְ/אֶת מִשְׁתֵּי/כֶ֑ם אֲשֶׁ֡ר לָ/מָּה֩ יִרְאֶ֨ה אֶת פְּנֵי/כֶ֜ם זֹֽעֲפִ֗ים מִן הַ/יְלָדִים֙ אֲשֶׁ֣ר כְּ/גִֽילְ/כֶ֔ם וְ/חִיַּבְתֶּ֥ם אֶת רֹאשִׁ֖/י לַ/מֶּֽלֶךְ־־־־־־׃
STATEN

Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniël: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.

11
וַ/יֹּ֥אמֶר דָּנִיֵּ֖אל אֶל הַ/מֶּלְצַ֑ר אֲשֶׁ֤ר מִנָּה֙ שַׂ֣ר הַ/סָּֽרִיסִ֔ים עַל דָּנִיֵּ֣אל חֲנַנְיָ֔ה מִֽישָׁאֵ֖ל וַ/עֲזַרְיָֽה־־׃
STATEN

Toen zeide Daniël tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniël, Hanánja, Mísaël en Azárja:

12
נַס נָ֥א אֶת עֲבָדֶ֖י/ךָ יָמִ֣ים עֲשָׂרָ֑ה וְ/יִתְּנוּ לָ֜/נוּ מִן הַ/זֵּרֹעִ֛ים וְ/נֹאכְלָ֖ה וּ/מַ֥יִם וְ/נִשְׁתֶּֽה־־־־׃
STATEN

Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.

Op De Naamdragers

Blogs over Daniël 1

Nog geen artikelen die specifiek naar Daniël 1 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →