Ga naar inhoud
KETUVIM

Daniël 7

דָּנִיֵּאל
Hoofdstukken (14)← → toetsen
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בִּ/שְׁנַ֣ת חֲדָ֗ה לְ/בֵלְאשַׁצַּר֙ מֶ֣לֶךְ בָּבֶ֔ל דָּנִיֵּאל֙ חֵ֣לֶם חֲזָ֔ה וְ/חֶזְוֵ֥י רֵאשֵׁ֖/הּ עַֽל מִשְׁכְּבֵ֑/הּ בֵּ/אדַ֨יִן֙ חֶלְמָ֣/א כְתַ֔ב רֵ֥אשׁ מִלִּ֖ין אֲמַֽר־׃
STATEN

In het eerste jaar van Bélsazar, den koning van Babel, zag Daniël een droom, en gezichten zijns hoofds, op zijn leger; toen schreef hij dien droom, en hij zeide de hoofdsom der zaken.

2
עָנֵ֤ה דָנִיֵּאל֙ וְ/אָמַ֔ר חָזֵ֥ה הֲוֵ֛ית בְּ/חֶזְוִ֖/י עִם לֵֽילְיָ֑/א וַ/אֲר֗וּ אַרְבַּע֙ רוּחֵ֣י שְׁמַיָּ֔/א מְגִיחָ֖ן לְ/יַמָּ֥/א רַבָּֽ/א־׃
STATEN

Daniël antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee.

3
וְ/אַרְבַּ֤ע חֵיוָן֙ רַבְרְבָ֔ן סָלְקָ֖ן מִן יַמָּ֑/א שָׁנְיָ֖ן דָּ֥א מִן דָּֽא־־׃
STATEN

En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden.

4
קַדְמָיְתָ֣/א כְ/אַרְיֵ֔ה וְ/גַפִּ֥ין דִּֽי נְשַׁ֖ר לַ֑/הּ חָזֵ֣ה הֲוֵ֡ית עַד֩ דִּי מְּרִ֨יטוּ גַפַּ֜י/הּ וּ/נְטִ֣ילַת מִן אַרְעָ֗/א וְ/עַל רַגְלַ֨יִן֙ כֶּ/אֱנָ֣שׁ הֳקִימַ֔ת וּ/לְבַ֥ב אֱנָ֖שׁ יְהִ֥יב לַֽ/הּ־־־־׃
STATEN

Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven.

5
וַ/אֲר֣וּ חֵיוָה֩ אָחֳרִ֨י תִנְיָנָ֜ה דָּמְיָ֣ה לְ/דֹ֗ב וְ/לִ/שְׂטַר חַד֙ הֳקִמַ֔ת וּ/תְלָ֥ת עִלְעִ֛ין בְּ/פֻמַּ֖/הּ בֵּ֣ין שני/ה וְ/כֵן֙ אָמְרִ֣ין לַ֔/הּ ק֥וּמִֽי אֲכֻ֖לִי בְּשַׂ֥ר שַׂגִּֽיא־׃ שִׁנַּ֑/הּ
STATEN

Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees.

6
בָּאתַ֨ר דְּנָ֜ה חָזֵ֣ה הֲוֵ֗ית וַ/אֲר֤וּ אָֽחֳרִי֙ כִּ/נְמַ֔ר וְ/לַ֨/הּ גַּפִּ֥ין אַרְבַּ֛ע דִּי ע֖וֹף עַל גבי/ה וְ/אַרְבְּעָ֤ה רֵאשִׁין֙ לְ/חֵ֣יוְתָ֔/א וְ/שָׁלְטָ֖ן יְהִ֥יב לַֽ/הּ־־׃ גַּבַּ֑/הּ
STATEN

Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.

7
בָּאתַ֣ר דְּנָה֩ חָזֵ֨ה הֲוֵ֜ית בְּ/חֶזְוֵ֣י לֵֽילְיָ֗/א וַ/אֲר֣וּ חֵיוָ֣ה רביעיה דְּחִילָה֩ וְ/אֵֽימְתָנִ֨י וְ/תַקִּיפָ֜א יַתִּ֗ירָא וְ/שִׁנַּ֨יִן דִּֽי פַרְזֶ֥ל לַ/הּ֙ רַבְרְבָ֔ן אָֽכְלָ֣ה וּ/מַדֱּקָ֔ה וּ/שְׁאָרָ֖/א ב/רגלי/ה רָפְסָ֑ה וְ/הִ֣יא מְשַׁנְּיָ֗ה מִן כָּל חֵֽיוָתָ/א֙ דִּ֣י קָֽדָמַ֔י/הּ וְ/קַרְנַ֥יִן עֲשַׂ֖ר לַֽ/הּ רְֽבִיעָאָ֡ה בְּ/רַגְלַ֣/הּ־־־׃
STATEN

Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.

8
מִשְׂתַּכַּ֨ל הֲוֵ֜ית בְּ/קַרְנַיָּ֗/א וַ֠/אֲלוּ קֶ֣רֶן אָחֳרִ֤י זְעֵירָה֙ סִלְקָ֣ת ביני/הון וּ/תְלָ֗ת מִן קַרְנַיָּ/א֙ קַדְמָ֣יָתָ֔/א אתעקרו מִן קדמי/ה וַ/אֲל֨וּ עַיְנִ֜ין כְּ/עַיְנֵ֤י אֲנָשָׁ/א֙ בְּ/קַרְנָ/א דָ֔א וּ/פֻ֖ם מְמַלִּ֥ל רַבְרְבָֽן בֵּֽינֵי/הֵ֔ן אֶתְעֲקַ֖רָה קֳדָמַ֑/הּ־־־׃
STATEN

Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.

9
חָזֵ֣ה הֲוֵ֗ית עַ֣ד דִּ֤י כָרְסָוָן֙ רְמִ֔יו וְ/עַתִּ֥יק יוֹמִ֖ין יְתִ֑ב לְבוּשֵׁ֣/הּ כִּ/תְלַ֣ג חִוָּ֗ר וּ/שְׂעַ֤ר רֵאשֵׁ/הּ֙ כַּ/עֲמַ֣ר נְקֵ֔א כָּרְסְיֵ/הּ֙ שְׁבִיבִ֣ין דִּי נ֔וּר גַּלְגִּלּ֖וֹ/הִי נ֥וּר דָּלִֽק׀־׃
STATEN

Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur.

10
נְהַ֣ר דִּי נ֗וּר נָגֵ֤ד וְ/נָפֵק֙ מִן קֳדָמ֔וֹ/הִי אֶ֤לֶף אלפים יְשַׁמְּשׁוּנֵּ֔/הּ וְ/רִבּ֥וֹ רבון קָֽדָמ֣וֹ/הִי יְקוּמ֑וּן דִּינָ֥/א יְתִ֖ב וְ/סִפְרִ֥ין פְּתִֽיחוּ־־׃ אַלְפִין֙ רִבְבָ֖ן
STATEN

Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.

11
חָזֵ֣ה הֲוֵ֔ית בֵּ/אדַ֗יִן מִן קָל֙ מִלַּיָּ֣/א רַבְרְבָתָ֔/א דִּ֥י קַרְנָ֖/א מְמַלֱּלָ֑ה חָזֵ֣ה הֲוֵ֡ית עַד֩ דִּ֨י קְטִילַ֤ת חֵֽיוְתָ/א֙ וְ/הוּבַ֣ד גִּשְׁמַ֔/הּ וִ/יהִיבַ֖ת לִ/יקֵדַ֥ת אֶשָּֽׁא־׃
STATEN

Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden.

12
וּ/שְׁאָר֙ חֵֽיוָתָ֔/א הֶעְדִּ֖יו שָׁלְטָנְ/ה֑וֹן וְ/אַרְכָ֧ה בְ/חַיִּ֛ין יְהִ֥יבַת לְ/ה֖וֹן עַד זְמַ֥ן וְ/עִדָּֽן־׃
STATEN

Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.

Op De Naamdragers

Blogs over Daniël 7

Nog geen artikelen die specifiek naar Daniël 7 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →