or ; to gain exercise dominion (over) absol. (Arist.); c. gen. (Arist., al.): , , , .† Mt 20:25 Mk 10:42 Ac 19:16 I Pe 5:3
Strong G2634
control
to lord against, i.e. control, subjugate
Glosses per perspectief
Bijbels4 glosses
voeren, over, zijnde
I exercise authority over, overpower, master.
to master
Traditioneel-Christelijk2 glosses
to lord against, i.e. control, subjugate
exercise dominion over (lordship), be lord over, overcome
Vergelijkend-wetenschappelijk1 gloss
κατα-κυριεύω [in LXX: Gen.1:28 (כָּבַשׁ), Psa.110:2 Sir.17:4, al. ;] to gain or exercise dominion (over); (a) absol. (Arist.); (b) with genitive (Arist., al.): Mat.20:25, Mrk.10:42, Act.19:16, 1Pe.5:3.† SYN.: (κατεξουσιάζω) (see Swete, Mk., l.with) (AS)
Verwante woorden
Woorden met dezelfde consonantale wortel. Vink aan om hun vindplaatsen mee te tellen.
Vindplaatsen per boek
43× totaalVerdeling over Bijbelboeken
Studie
……
Notities laden…