Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 1

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בְּ/רֵאשִׁ֖ית בָּרָ֣א אֱלֹהִ֑ים אֵ֥ת הַ/שָּׁמַ֖יִם וְ/אֵ֥ת הָ/אָֽרֶץ׃
STATEN

In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

2
וְ/הָ/אָ֗רֶץ הָיְתָ֥ה תֹ֨הוּ֙ וָ/בֹ֔הוּ וְ/חֹ֖שֶׁךְ עַל פְּנֵ֣י תְה֑וֹם וְ/ר֣וּחַ אֱלֹהִ֔ים מְרַחֶ֖פֶת עַל פְּנֵ֥י הַ/מָּֽיִם־־׃
STATEN

De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.

3
וַ/יֹּ֥אמֶר אֱלֹהִ֖ים יְהִ֣י א֑וֹר וַֽ/יְהִי אֽוֹר־׃
STATEN

En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.

4
וַ/יַּ֧רְא אֱלֹהִ֛ים אֶת הָ/א֖וֹר כִּי ט֑וֹב וַ/יַּבְדֵּ֣ל אֱלֹהִ֔ים בֵּ֥ין הָ/א֖וֹר וּ/בֵ֥ין הַ/חֹֽשֶׁךְ־־׃
STATEN

En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.

5
וַ/יִּקְרָ֨א אֱלֹהִ֤ים לָ/אוֹר֙ י֔וֹם וְ/לַ/חֹ֖שֶׁךְ קָ֣רָא לָ֑יְלָה וַֽ/יְהִי עֶ֥רֶב וַֽ/יְהִי בֹ֖קֶר י֥וֹם אֶחָֽד׀־־׃פ
STATEN

En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.

6
וַ/יֹּ֣אמֶר אֱלֹהִ֔ים יְהִ֥י רָקִ֖יעַ בְּ/ת֣וֹךְ הַ/מָּ֑יִם וִ/יהִ֣י מַבְדִּ֔יל בֵּ֥ין מַ֖יִם לָ/מָֽיִם׃
STATEN

En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!

7
וַ/יַּ֣עַשׂ אֱלֹהִים֮ אֶת הָ/רָקִיעַ֒ וַ/יַּבְדֵּ֗ל בֵּ֤ין הַ/מַּ֨יִם֙ אֲשֶׁר֙ מִ/תַּ֣חַת לָ/רָקִ֔יעַ וּ/בֵ֣ין הַ/מַּ֔יִם אֲשֶׁ֖ר מֵ/עַ֣ל לָ/רָקִ֑יעַ וַֽ/יְהִי כֵֽן־־׃
STATEN

En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo.

8
וַ/יִּקְרָ֧א אֱלֹהִ֛ים לָֽ/רָקִ֖יעַ שָׁמָ֑יִם וַֽ/יְהִי עֶ֥רֶב וַֽ/יְהִי בֹ֖קֶר י֥וֹם שֵׁנִֽי־־׃פ
STATEN

En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.

9
וַ/יֹּ֣אמֶר אֱלֹהִ֗ים יִקָּו֨וּ הַ/מַּ֜יִם מִ/תַּ֤חַת הַ/שָּׁמַ֨יִם֙ אֶל מָק֣וֹם אֶחָ֔ד וְ/תֵרָאֶ֖ה הַ/יַּבָּשָׁ֑ה וַֽ/יְהִי כֵֽן־־׃
STATEN

En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo.

10
וַ/יִּקְרָ֨א אֱלֹהִ֤ים לַ/יַּבָּשָׁה֙ אֶ֔רֶץ וּ/לְ/מִקְוֵ֥ה הַ/מַּ֖יִם קָרָ֣א יַמִּ֑ים וַ/יַּ֥רְא אֱלֹהִ֖ים כִּי טֽוֹב׀־׃
STATEN

En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.

11
וַ/יֹּ֣אמֶר אֱלֹהִ֗ים תַּֽדְשֵׁ֤א הָ/אָ֨רֶץ֙ דֶּ֔שֶׁא עֵ֚שֶׂב מַזְרִ֣יעַ זֶ֔רַע עֵ֣ץ פְּרִ֞י עֹ֤שֶׂה פְּרִי֙ לְ/מִינ֔/וֹ אֲשֶׁ֥ר זַרְע/וֹ ב֖/וֹ עַל הָ/אָ֑רֶץ וַֽ/יְהִי כֵֽן־־־׃
STATEN

En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo.

12
וַ/תּוֹצֵ֨א הָ/אָ֜רֶץ דֶּ֠שֶׁא עֵ֣שֶׂב מַזְרִ֤יעַ זֶ֨רַע֙ לְ/מִינֵ֔/הוּ וְ/עֵ֧ץ עֹֽשֶׂה פְּרִ֛י אֲשֶׁ֥ר זַרְע/וֹ ב֖/וֹ לְ/מִינֵ֑/הוּ וַ/יַּ֥רְא אֱלֹהִ֖ים כִּי טֽוֹב־־־׃
STATEN

En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 1

Artikelen waarin De Naamdragers schrijvers naar deze passage verwijzen.