Kaf (kaf) is holle hand. Twintig is dubbel tien — een intensivering van de wet in relatie. Kippur (verzoening, Lev 16) opent met kaf: de holte waarin zonde wordt weggenomen. Aärons zegen gaat met opgeheven kaffen (Num 6).
De rabbijnen zien in kaf de handpalm die ontvangt of vasthoudt. Kol (al, alles) begint met kaf — de hand omvat alles. Jacob wrong met de engel in Peniël en zijn kaf (heupgewricht) werd aangeraakt (Gen 32:26) — teken dat God de kracht van de mens relatief maakt.
De christelijke lezer denkt aan de doorboorde handen van Jezus (Joh 20:25). De kaf wordt leeggemaakt (kenosis, Fil 2:7) — God neemt de holte van een menselijke hand aan. BDB legt kaf uit als letter k; de theologische vrucht komt uit het woord kaf zelf.
Paleo-kaf 𐤊 is een open hand. Benner: palm, cover, open, allow. Dit valt samen met de rabbijnse lezing en kleurt kapporet (verzoendeksel) als "plaats van bedekken met de hand".
Kaf is een holle hand — om te ontvangen, om te zegenen, om te dragen. Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd (Jes 49:16). God draagt u niet op de rug van zijn verplichting, maar in het midden van zijn hand, daar waar Hij u telkens ziet. Vouw ook úw hand open vandaag.