KETUVIM

Psalmen 119

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
אַשְׁרֵ֥י תְמִֽימֵי דָ֑רֶךְ הַֽ֝/הֹלְכִ֗ים בְּ/תוֹרַ֥ת יְהוָֽה
STATEN

Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.

2
אַ֭שְׁרֵי נֹצְרֵ֥י עֵדֹתָ֗י/ו בְּ/כָל לֵ֥ב יִדְרְשֽׁוּ/הוּ
STATEN

Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;

3
אַ֭ף לֹֽא פָעֲל֣וּ עַוְלָ֑ה בִּ/דְרָכָ֥י/ו הָלָֽכוּ
STATEN

Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.

4
אַ֭תָּה צִוִּ֥יתָה פִקֻּדֶ֗י/ךָ לִ/שְׁמֹ֥ר מְאֹֽד
STATEN

HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.

5
אַ֭חֲלַי יִכֹּ֥נוּ דְרָכָ֗/י לִ/שְׁמֹ֥ר חֻקֶּֽי/ךָ
STATEN

Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!

6
אָ֥ז לֹא אֵב֑וֹשׁ בְּ֝/הַבִּיטִ֗/י אֶל כָּל מִצְוֺתֶֽי/ךָ
STATEN

Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.

7
א֭וֹדְ/ךָ בְּ/יֹ֣שֶׁר לֵבָ֑ב בְּ֝/לָמְדִ֗/י מִשְׁפְּטֵ֥י צִדְקֶֽ/ךָ
STATEN

Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.

8
אֶת חֻקֶּ֥י/ךָ אֶשְׁמֹ֑ר אַֽל תַּעַזְבֵ֥/נִי עַד מְאֹֽד
STATEN

Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.

9
בַּ/מֶּ֣ה יְזַכֶּה נַּ֭עַר אֶת אָרְח֑/וֹ לִ֝/שְׁמֹ֗ר כִּ/דְבָרֶֽ/ךָ
STATEN

Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.

10
בְּ/כָל לִבִּ֥/י דְרַשְׁתִּ֑י/ךָ אַל תַּ֝שְׁגֵּ֗/נִי מִ/מִּצְוֺתֶֽי/ךָ
STATEN

Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.

11
בְּ֭/לִבִּ/י צָפַ֣נְתִּי אִמְרָתֶ֑/ךָ לְ֝מַ֗עַן לֹ֣א אֶֽחֱטָא לָֽ/ךְ
STATEN

Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.

12
בָּר֖וּךְ אַתָּ֥ה יְהוָ֗ה לַמְּדֵ֥/נִי חֻקֶּֽי/ךָ
STATEN

HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.

13
בִּ/שְׂפָתַ֥/י סִפַּ֑רְתִּי כֹּ֝֗ל מִשְׁפְּטֵי פִֽי/ךָ
STATEN

Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.

14
בְּ/דֶ֖רֶךְ עֵדְוֺתֶ֥י/ךָ שַׂ֗שְׂתִּי כְּ/עַ֣ל כָּל הֽוֹן
STATEN

Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.

15
בְּ/פִקֻּדֶ֥י/ךָ אָשִׂ֑יחָה וְ֝/אַבִּ֗יטָה אֹרְחֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.

16
בְּ/חֻקֹּתֶ֥י/ךָ אֶֽשְׁתַּעֲשָׁ֑ע לֹ֭א אֶשְׁכַּ֣ח דְּבָרֶֽ/ךָ
STATEN

Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.

17
גְּמֹ֖ל עַֽל עַבְדְּ/ךָ֥ אֶֽחְיֶ֗ה וְ/אֶשְׁמְרָ֥ה דְבָרֶֽ/ךָ
STATEN

Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.

18
גַּל עֵינַ֥/י וְ/אַבִּ֑יטָה נִ֝פְלָא֗וֹת מִ/תּוֹרָתֶֽ/ךָ
STATEN

Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.

19
גֵּ֣ר אָנֹכִ֣י בָ/אָ֑רֶץ אַל תַּסְתֵּ֥ר מִ֝מֶּ֗/נִּי מִצְוֺתֶֽי/ךָ
STATEN

Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.

20
גָּרְסָ֣ה נַפְשִׁ֣/י לְ/תַאֲבָ֑ה אֶֽל מִשְׁפָּטֶ֥י/ךָ בְ/כָל עֵֽת
STATEN

Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.

21
גָּ֭עַרְתָּ זֵדִ֣ים אֲרוּרִ֑ים הַ֝/שֹּׁגִים מִ/מִּצְוֺתֶֽי/ךָ
STATEN

Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.

22
גַּ֣ל מֵֽ֭/עָלַ/י חֶרְפָּ֣ה וָ/ב֑וּז כִּ֖י עֵדֹתֶ֣י/ךָ נָצָֽרְתִּי
STATEN

Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.

23
גַּ֤ם יָֽשְׁב֣וּ שָׂ֭רִים בִּ֣/י נִדְבָּ֑רוּ עַ֝בְדְּ/ךָ֗ יָשִׂ֥יחַ בְּ/חֻקֶּֽי/ךָ
STATEN

Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.

24
גַּֽם עֵ֭דֹתֶי/ךָ שַׁעֲשֻׁעָ֗/י אַנְשֵׁ֥י עֲצָתִֽ/י
STATEN

Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen en mijn raadslieden.

25
דָּֽבְקָ֣ה לֶ/עָפָ֣ר נַפְשִׁ֑/י חַ֝יֵּ֗/נִי כִּ/דְבָרֶֽ/ךָ
STATEN

Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.

26
דְּרָכַ֣/י סִ֭פַּרְתִּי וַֽ/תַּעֲנֵ֗/נִי לַמְּדֵ֥/נִי חֻקֶּֽי/ךָ
STATEN

Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.

27
דֶּֽרֶךְ פִּקּוּדֶ֥י/ךָ הֲבִינֵ֑/נִי וְ֝/אָשִׂ֗יחָה בְּ/נִפְלְאוֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.

28
דָּלְפָ֣ה נַ֭פְשִׁ/י מִ/תּוּגָ֑ה קַ֝יְּמֵ֗/נִי כִּ/דְבָרֶֽ/ךָ
STATEN

Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.

29
דֶּֽרֶךְ שֶׁ֭קֶר הָסֵ֣ר מִמֶּ֑/נִּי וְֽ/תוֹרָתְ/ךָ֥ חָנֵּֽ/נִי
STATEN

Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.

30
דֶּֽרֶךְ אֱמוּנָ֥ה בָחָ֑רְתִּי מִשְׁפָּטֶ֥י/ךָ שִׁוִּֽיתִי
STATEN

Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.

31
דָּבַ֥קְתִּי בְ/עֵֽדְוֺתֶ֑י/ךָ יְ֝הוָ֗ה אַל תְּבִישֵֽׁ/נִי
STATEN

Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.

32
דֶּֽרֶךְ מִצְוֺתֶ֥י/ךָ אָר֑וּץ כִּ֖י תַרְחִ֣יב לִבִּֽ/י
STATEN

Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.

33
הוֹרֵ֣/נִי יְ֭הוָה דֶּ֥רֶךְ חֻקֶּ֗י/ךָ וְ/אֶצְּרֶ֥/נָּה עֵֽקֶב
STATEN

HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.

34
הֲ֭בִינֵ/נִי וְ/אֶצְּרָ֥ה תֽוֹרָתֶ֗/ךָ וְ/אֶשְׁמְרֶ֥/נָּה בְ/כָל לֵֽב
STATEN

Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.

35
הַ֭דְרִיכֵ/נִי בִּ/נְתִ֣יב מִצְוֺתֶ֑י/ךָ כִּי ב֥/וֹ חָפָֽצְתִּי
STATEN

Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.

36
הַט לִ֭בִּ/י אֶל עֵדְוֺתֶ֗י/ךָ וְ/אַ֣ל אֶל בָּֽצַע
STATEN

Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.

37
הַעֲבֵ֣ר עֵ֭ינַ/י מֵ/רְא֣וֹת שָׁ֑וְא בִּ/דְרָכֶ֥/ךָ חַיֵּֽ/נִי
STATEN

Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.

38
הָקֵ֣ם לְ֭/עַבְדְּ/ךָ אִמְרָתֶ֑/ךָ אֲ֝שֶׁ֗ר לְ/יִרְאָתֶֽ/ךָ
STATEN

Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.

39
הַעֲבֵ֣ר חֶ֭רְפָּתִ/י אֲשֶׁ֣ר יָגֹ֑רְתִּי כִּ֖י מִשְׁפָּטֶ֣י/ךָ טוֹבִֽים
STATEN

Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.

40
הִ֭נֵּה תָּאַ֣בְתִּי לְ/פִקֻּדֶ֑י/ךָ בְּ/צִדְקָתְ/ךָ֥ חַיֵּֽ/נִי
STATEN

Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.

41
וִֽ/יבֹאֻ֣/נִי חֲסָדֶ֣/ךָ יְהוָ֑ה תְּ֝שֽׁוּעָתְ/ךָ֗ כְּ/אִמְרָתֶֽ/ךָ
STATEN

Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;

42
וְ/אֶֽעֱנֶ֣ה חֹרְפִ֣/י דָבָ֑ר כִּֽי בָ֝טַחְתִּי בִּ/דְבָרֶֽ/ךָ
STATEN

Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.

43
וְֽ/אַל תַּצֵּ֬ל מִ/פִּ֣/י דְבַר אֱמֶ֣ת עַד מְאֹ֑ד כִּ֖י לְ/מִשְׁפָּטֶ֣/ךָ יִחָֽלְתִּי
STATEN

En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.

44
וְ/אֶשְׁמְרָ֖ה תוֹרָתְ/ךָ֥ תָמִ֗יד לְ/עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד
STATEN

Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.

45
וְ/אֶתְהַלְּכָ֥ה בָ/רְחָבָ֑ה כִּ֖י פִקֻּדֶ֣י/ךָ דָרָֽשְׁתִּי
STATEN

En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.

46
וַ/אֲדַבְּרָ֣ה בְ֭/עֵדֹתֶי/ךָ נֶ֥גֶד מְלָכִ֗ים וְ/לֹ֣א אֵבֽוֹשׁ
STATEN

Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.

47
וְ/אֶשְׁתַּֽעֲשַׁ֥ע בְּ/מִצְוֺתֶ֗י/ךָ אֲשֶׁ֣ר אָהָֽבְתִּי
STATEN

En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.

48
וְ/אֶשָּֽׂא כַפַּ֗/י אֶֽל מִ֭צְוֺתֶי/ךָ אֲשֶׁ֥ר אָהָ֗בְתִּי וְ/אָשִׂ֥יחָה בְ/חֻקֶּֽי/ךָ
STATEN

En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.

49
זְכֹר דָּבָ֥ר לְ/עַבְדֶּ֑/ךָ עַ֝֗ל אֲשֶׁ֣ר יִֽחַלְתָּֽ/נִי
STATEN

Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.

50
זֹ֣את נֶחָמָתִ֣/י בְ/עָנְיִ֑/י כִּ֖י אִמְרָתְ/ךָ֣ חִיָּֽתְ/נִי
STATEN

Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.

51
זֵ֭דִים הֱלִיצֻ֣/נִי עַד מְאֹ֑ד מִ֝/תּֽוֹרָתְ/ךָ֗ לֹ֣א נָטִֽיתִי
STATEN

De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.

52
זָ֘כַ֤רְתִּי מִשְׁפָּטֶ֖י/ךָ מֵ/עוֹלָ֥ם יְהוָ֗ה וָֽ/אֶתְנֶחָֽם
STATEN

Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.

53
זַלְעָפָ֣ה אֲ֭חָזַתְ/נִי מֵ/רְשָׁעִ֑ים עֹ֝זְבֵ֗י תּוֹרָתֶֽ/ךָ
STATEN

Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.

54
זְ֭מִרוֹת הָֽיוּ לִ֥/י חֻקֶּ֗י/ךָ בְּ/בֵ֣ית מְגוּרָֽ/י
STATEN

Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.

55
זָ֘כַ֤רְתִּי בַ/לַּ֣יְלָה שִׁמְ/ךָ֣ יְהוָ֑ה וָֽ֝/אֶשְׁמְרָ֗/ה תּוֹרָתֶֽ/ךָ
STATEN

HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.

56
זֹ֥את הָֽיְתָה לִּ֑/י כִּ֖י פִקֻּדֶ֣י/ךָ נָצָֽרְתִּי
STATEN

Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.

57
חֶלְקִ֖/י יְהוָ֥ה אָמַ֗רְתִּי לִ/שְׁמֹ֥ר דְּבָרֶֽי/ךָ
STATEN

De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.

58
חִלִּ֣יתִי פָנֶ֣י/ךָ בְ/כָל לֵ֑ב חָ֝נֵּ֗/נִי כְּ/אִמְרָתֶֽ/ךָ
STATEN

Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.

59
חִשַּׁ֥בְתִּי דְרָכָ֑/י וָ/אָשִׁ֥יבָ/ה רַ֝גְלַ֗/י אֶל עֵדֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.

60
חַ֭שְׁתִּי וְ/לֹ֣א הִתְמַהְמָ֑הְתִּי לִ֝/שְׁמֹ֗ר מִצְוֺתֶֽי/ךָ
STATEN

Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.

61
חֶבְלֵ֣י רְשָׁעִ֣ים עִוְּדֻ֑/נִי תּֽ֝וֹרָתְ/ךָ֗ לֹ֣א שָׁכָֽחְתִּי
STATEN

De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.

62
חֲצֽוֹת לַ֗יְלָה אָ֭קוּם לְ/הוֹד֣וֹת לָ֑/ךְ עַ֝֗ל מִשְׁפְּטֵ֥י צִדְקֶֽ/ךָ
STATEN

Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.

63
חָבֵ֣ר אָ֭נִי לְ/כָל אֲשֶׁ֣ר יְרֵא֑וּ/ךָ וּ֝/לְ/שֹׁמְרֵ֗י פִּקּוּדֶֽי/ךָ
STATEN

Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.

64
חַסְדְּ/ךָ֣ יְ֭הוָה מָלְאָ֥ה הָ/אָ֗רֶץ חֻקֶּ֥י/ךָ לַמְּדֵֽ/נִי
STATEN

HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.

65
ט֭וֹב עָשִׂ֣יתָ עִֽם עַבְדְּ/ךָ֑ יְ֝הוָ֗ה כִּ/דְבָרֶֽ/ךָ
STATEN

Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.

66
ט֤וּב טַ֣עַם וָ/דַ֣עַת לַמְּדֵ֑/נִי כִּ֖י בְ/מִצְוֺתֶ֣י/ךָ הֶאֱמָֽנְתִּי
STATEN

Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.

67
טֶ֣רֶם אֶ֭עֱנֶה אֲנִ֣י שֹׁגֵ֑ג וְ֝/עַתָּ֗ה אִמְרָתְ/ךָ֥ שָׁמָֽרְתִּי
STATEN

Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.

68
טוֹב אַתָּ֥ה וּ/מֵטִ֗יב לַמְּדֵ֥/נִי חֻקֶּֽי/ךָ
STATEN

Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.

69
טָפְל֬וּ עָלַ֣/י שֶׁ֣קֶר זֵדִ֑ים אֲ֝נִ֗י בְּ/כָל לֵ֤ב אֱצֹּ֬ר פִּקּוּדֶֽי/ךָ
STATEN

De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.

70
טָפַ֣שׁ כַּ/חֵ֣לֶב לִבָּ֑/ם אֲ֝נִ֗י תּוֹרָתְ/ךָ֥ שִֽׁעֲשָֽׁעְתִּי
STATEN

Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.

71
טֽוֹב לִ֥/י כִֽי עֻנֵּ֑יתִי לְ֝מַ֗עַן אֶלְמַ֥ד חֻקֶּֽי/ךָ
STATEN

Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.

72
טֽוֹב לִ֥/י תֽוֹרַת פִּ֑י/ךָ מֵ֝/אַלְפֵ֗י זָהָ֥ב וָ/כָֽסֶף
STATEN

De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.

73
יָדֶ֣י/ךָ עָ֭שׂוּ/נִי וַֽ/יְכוֹנְנ֑וּ/נִי הֲ֝בִינֵ֗/נִי וְ/אֶלְמְדָ֥ה מִצְוֺתֶֽי/ךָ
STATEN

Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.

74
יְ֭רֵאֶי/ךָ יִרְא֣וּ/נִי וְ/יִשְׂמָ֑חוּ כִּ֖י לִ/דְבָרְ/ךָ֣ יִחָֽלְתִּי
STATEN

Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.

75
יָדַ֣עְתִּי יְ֭הוָה כִּי צֶ֣דֶק מִשְׁפָּטֶ֑י/ךָ וֶ֝/אֱמוּנָ֗ה עִנִּיתָֽ/נִי
STATEN

Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.

76
יְהִי נָ֣א חַסְדְּ/ךָ֣ לְ/נַחֲמֵ֑/נִי כְּ/אִמְרָתְ/ךָ֥ לְ/עַבְדֶּֽ/ךָ
STATEN

Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.

77
יְבֹא֣וּ/נִי רַחֲמֶ֣י/ךָ וְ/אֶֽחְיֶ֑ה כִּי תֽ֝וֹרָתְ/ךָ֗ שַֽׁעֲשֻׁעָֽ/י
STATEN

Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.

78
יֵבֹ֣שׁוּ זֵ֭דִים כִּי שֶׁ֣קֶר עִוְּת֑וּ/נִי אֲ֝נִ֗י אָשִׂ֥יחַ בְּ/פִקּוּדֶֽי/ךָ
STATEN

Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.

79
יָשׁ֣וּבוּ לִ֣/י יְרֵאֶ֑י/ךָ ו/ידעו עֵדֹתֶֽי/ךָ וְ֝/יֹדְעֵ֗י
STATEN

Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.

80
יְהִֽי לִבִּ֣/י תָמִ֣ים בְּ/חֻקֶּ֑י/ךָ לְ֝מַ֗עַן לֹ֣א אֵבֽוֹשׁ
STATEN

Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.

81
כָּלְתָ֣ה לִ/תְשׁוּעָתְ/ךָ֣ נַפְשִׁ֑/י לִ/דְבָרְ/ךָ֥ יִחָֽלְתִּי
STATEN

Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.

82
כָּל֣וּ עֵ֭ינַ/י לְ/אִמְרָתֶ֑/ךָ לֵ֝/אמֹ֗ר מָתַ֥י תְּֽנַחֲמֵֽ/נִי
STATEN

Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?

83
כִּֽי הָ֭יִיתִי כְּ/נֹ֣אד בְּ/קִיט֑וֹר חֻ֝קֶּ֗י/ךָ לֹ֣א שָׁכָֽחְתִּי
STATEN

Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.

84
כַּ/מָּ֥ה יְמֵֽי עַבְדֶּ֑/ךָ מָתַ֬י תַּעֲשֶׂ֖ה בְ/רֹדְפַ֣/י מִשְׁפָּֽט
STATEN

Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?

85
כָּֽרוּ לִ֣/י זֵדִ֣ים שִׁיח֑וֹת אֲ֝שֶׁ֗ר לֹ֣א כְ/תוֹרָתֶֽ/ךָ
STATEN

De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.

86
כָּל מִצְוֺתֶ֥י/ךָ אֱמוּנָ֑ה שֶׁ֖קֶר רְדָפ֣וּ/נִי עָזְרֵֽ/נִי
STATEN

Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.

87
כִּ֭/מְעַט כִּלּ֣וּ/נִי בָ/אָ֑רֶץ וַ֝/אֲנִ֗י לֹא עָזַ֥בְתִּי פִקֻּודֶֽי/ךָ
STATEN

Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.

88
כְּ/חַסְדְּ/ךָ֥ חַיֵּ֑/נִי וְ֝/אֶשְׁמְרָ֗ה עֵד֥וּת פִּֽי/ךָ
STATEN

Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.

89
לְ/עוֹלָ֥ם יְהוָ֑ה דְּ֝בָרְ/ךָ֗ נִצָּ֥ב בַּ/שָּׁמָֽיִם
STATEN

O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.

90
לְ/דֹ֣ר וָ֭/דֹר אֱמֽוּנָתֶ֑/ךָ כּוֹנַ֥נְתָּ אֶ֝֗רֶץ וַֽ/תַּעֲמֹֽד
STATEN

Uw getrouwheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;

91
לְֽ֭/מִשְׁפָּטֶי/ךָ עָמְד֣וּ הַ/יּ֑וֹם כִּ֖י הַ/כֹּ֣ל עֲבָדֶֽי/ךָ
STATEN

Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.

92
לוּלֵ֣י ת֭וֹרָתְ/ךָ שַׁעֲשֻׁעָ֑/י אָ֝֗ז אָבַ֥דְתִּי בְ/עָנְיִֽ/י
STATEN

Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.

93
לְ֭/עוֹלָם לֹא אֶשְׁכַּ֣ח פִּקּוּדֶ֑י/ךָ כִּ֥י בָ֝֗/ם חִיִּיתָֽ/נִי
STATEN

Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.

94
לְֽ/ךָ אֲ֭נִי הוֹשִׁיעֵ֑/נִי כִּ֖י פִקּוּדֶ֣י/ךָ דָרָֽשְׁתִּי
STATEN

Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.

95
לִ֤/י קִוּ֣וּ רְשָׁעִ֣ים לְ/אַבְּדֵ֑/נִי עֵ֝דֹתֶ֗י/ךָ אֶתְבּוֹנָֽן
STATEN

De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.

96
לְֽ/כָל תִּ֭כְלָה רָאִ֣יתִי קֵ֑ץ רְחָבָ֖ה מִצְוָתְ/ךָ֣ מְאֹֽד
STATEN

In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.

97
מָֽה אָהַ֥בְתִּי תוֹרָתֶ֑/ךָ כָּל הַ֝/יּ֗וֹם הִ֣יא שִׂיחָתִֽ/י
STATEN

Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.

98
מֵ֭/אֹ֣יְבַ/י תְּחַכְּמֵ֣/נִי מִצְוֺתֶ֑/ךָ כִּ֖י לְ/עוֹלָ֣ם הִיא לִֽ/י
STATEN

Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.

99
מִ/כָּל מְלַמְּדַ֥/י הִשְׂכַּ֑לְתִּי כִּ֥י עֵ֝דְוֺתֶ֗י/ךָ שִׂ֣יחָה לִֽֿ/י
STATEN

Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.

100
מִ/זְּקֵנִ֥ים אֶתְבּוֹנָ֑ן כִּ֖י פִקּוּדֶ֣י/ךָ נָצָֽרְתִּי
STATEN

Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.

101
מִ/כָּל אֹ֣רַח רָ֭ע כָּלִ֣אתִי רַגְלָ֑/י לְ֝מַ֗עַן אֶשְׁמֹ֥ר דְּבָרֶֽ/ךָ
STATEN

Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.

102
מִ/מִּשְׁפָּטֶ֥י/ךָ לֹא סָ֑רְתִּי כִּֽי אַ֝תָּ֗ה הוֹרֵתָֽ/נִי
STATEN

Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.

103
מַה נִּמְלְצ֣וּ לְ֭/חִכִּ/י אִמְרָתֶ֗/ךָ מִ/דְּבַ֥שׁ לְ/פִֽ/י
STATEN

Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!

104
מִ/פִּקּוּדֶ֥י/ךָ אֶתְבּוֹנָ֑ן עַל כֵּ֝֗ן שָׂנֵ֤אתִי כָּל אֹ֬רַח שָֽׁקֶר
STATEN

Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.

105
נֵר לְ/רַגְלִ֥/י דְבָרֶ֑/ךָ וְ֝/א֗וֹר לִ/נְתִיבָתִֽ/י
STATEN

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

106
נִשְׁבַּ֥עְתִּי וָ/אֲקַיֵּ֑מָ/ה לִ֝/שְׁמֹ֗ר מִשְׁפְּטֵ֥י צִדְקֶֽ/ךָ
STATEN

Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.

107
נַעֲנֵ֥יתִי עַד מְאֹ֑ד יְ֝הוָ֗ה חַיֵּ֥/נִי כִ/דְבָרֶֽ/ךָ
STATEN

Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.

108
נִדְב֣וֹת פִּ֭/י רְצֵה נָ֣א יְהוָ֑ה וּֽ/מִשְׁפָּטֶ֥י/ךָ לַמְּדֵֽ/נִי
STATEN

Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.

109
נַפְשִׁ֣/י בְ/כַפִּ֣/י תָמִ֑יד וְ֝/תֽוֹרָתְ/ךָ֗ לֹ֣א שָׁכָֽחְתִּי
STATEN

Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.

110
נָתְנ֬וּ רְשָׁעִ֣ים פַּ֣ח לִ֑/י וּ֝/מִ/פִּקּוּדֶ֗י/ךָ לֹ֣א תָעִֽיתִי
STATEN

De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.

111
נָחַ֣לְתִּי עֵדְוֺתֶ֣י/ךָ לְ/עוֹלָ֑ם כִּֽי שְׂשׂ֖וֹן לִבִּ֣/י הֵֽמָּה
STATEN

Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.

112
נָטִ֣יתִי לִ֭בִּ/י לַ/עֲשׂ֥וֹת חֻקֶּ֗י/ךָ לְ/עוֹלָ֥ם עֵֽקֶב
STATEN

Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.

113
סֵעֲפִ֥ים שָׂנֵ֑אתִי וְֽ/תוֹרָתְ/ךָ֥ אָהָֽבְתִּי
STATEN

Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.

114
סִתְרִ֣/י וּ/מָגִנִּ֣/י אָ֑תָּה לִ/דְבָרְ/ךָ֥ יִחָֽלְתִּי
STATEN

Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.

115
סֽוּרוּ מִמֶּ֥/נִּי מְרֵעִ֑ים וְ֝/אֶצְּרָ֗ה מִצְוֺ֥ת אֱלֹהָֽ/י
STATEN

Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.

116
סָמְכֵ֣/נִי כְ/אִמְרָתְ/ךָ֣ וְ/אֶֽחְיֶ֑ה וְ/אַל תְּ֝בִישֵׁ֗/נִי מִ/שִּׂבְרִֽ/י
STATEN

Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.

117
סְעָדֵ֥/נִי וְ/אִוָּשֵׁ֑עָה וְ/אֶשְׁעָ֖ה בְ/חֻקֶּ֣י/ךָ תָמִֽיד
STATEN

Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.

118
סָ֭לִיתָ כָּל שׁוֹגִ֣ים מֵ/חֻקֶּ֑י/ךָ כִּי שֶׁ֝֗קֶר תַּרְמִיתָֽ/ם
STATEN

Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.

119
סִגִ֗ים הִשְׁבַּ֥תָּ כָל רִשְׁעֵי אָ֑רֶץ לָ֝/כֵ֗ן אָהַ֥בְתִּי עֵדֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.

120
סָמַ֣ר מִ/פַּחְדְּ/ךָ֣ בְשָׂרִ֑/י וּֽ/מִ/מִּשְׁפָּטֶ֥י/ךָ יָרֵֽאתִי
STATEN

Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.

121
עָ֭שִׂיתִי מִשְׁפָּ֣ט וָ/צֶ֑דֶק בַּל תַּ֝נִּיחֵ֗/נִי לְ/עֹֽשְׁקָֽ/י
STATEN

Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.

122
עֲרֹ֣ב עַבְדְּ/ךָ֣ לְ/ט֑וֹב אַֽל יַעַשְׁקֻ֥/נִי זֵדִֽים
STATEN

Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.

123
עֵ֭ינַ/י כָּל֣וּ לִֽ/ישׁוּעָתֶ֑/ךָ וּ/לְ/אִמְרַ֥ת צִדְקֶֽ/ךָ
STATEN

Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.

124
עֲשֵׂ֖ה עִם עַבְדְּ/ךָ֥ כְ/חַסְדֶּ֗/ךָ וְ/חֻקֶּ֥י/ךָ לַמְּדֵֽ/נִי
STATEN

Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.

125
עַבְדְּ/ךָ אָ֥נִי הֲבִינֵ֑/נִי וְ֝/אֵדְעָ֗ה עֵדֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.

126
עֵ֭ת לַ/עֲשׂ֣וֹת לַ/יהוָ֑ה הֵ֝פֵ֗רוּ תּוֹרָתֶֽ/ךָ
STATEN

Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.

127
עַל כֵּ֭ן אָהַ֣בְתִּי מִצְוֺתֶ֑י/ךָ מִ/זָּהָ֥ב וּ/מִ/פָּֽז
STATEN

Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.

128
עַל כֵּ֤ן כָּל פִּקּ֣וּדֵי כֹ֣ל יִשָּׁ֑רְתִּי כָּל אֹ֖רַח שֶׁ֣קֶר שָׂנֵֽאתִי
STATEN

Daarom heb ik al Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.

129
פְּלָא֥וֹת עֵדְוֺתֶ֑י/ךָ עַל כֵּ֝֗ן נְצָרָ֥תַ/ם נַפְשִֽׁ/י
STATEN

Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.

130
פֵּ֖תַח דְּבָרֶ֥י/ךָ יָאִ֗יר מֵבִ֥ין פְּתָיִֽים
STATEN

De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.

131
פִּֽ/י פָ֭עַרְתִּי וָ/אֶשְׁאָ֑פָ/ה כִּ֖י לְ/מִצְוֺתֶ֣י/ךָ יָאָֽבְתִּי
STATEN

Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.

132
פְּנֵה אֵלַ֥/י וְ/חָנֵּ֑/נִי כְּ֝/מִשְׁפָּ֗ט לְ/אֹהֲבֵ֥י שְׁמֶֽ/ךָ
STATEN

Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.

133
פְּ֭עָמַ/י הָכֵ֣ן בְּ/אִמְרָתֶ֑/ךָ וְֽ/אַל תַּשְׁלֶט בִּ֥/י כָל אָֽוֶן
STATEN

Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.

134
פְּ֭דֵ/נִי מֵ/עֹ֣שֶׁק אָדָ֑ם וְ֝/אֶשְׁמְרָ֗ה פִּקּוּדֶֽי/ךָ
STATEN

Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.

135
פָּ֭נֶי/ךָ הָאֵ֣ר בְּ/עַבְדֶּ֑/ךָ וְ֝/לַמְּדֵ֗/נִי אֶת חֻקֶּֽי/ךָ
STATEN

Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.

136
פַּלְגֵי מַ֭יִם יָרְד֣וּ עֵינָ֑/י עַ֝֗ל לֹא שָׁמְר֥וּ תוֹרָתֶֽ/ךָ
STATEN

Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.

137
צַדִּ֣יק אַתָּ֣ה יְהוָ֑ה וְ֝/יָשָׁ֗ר מִשְׁפָּטֶֽי/ךָ
STATEN

HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.

138
צִ֭וִּיתָ צֶ֣דֶק עֵדֹתֶ֑י/ךָ וֶֽ/אֱמוּנָ֥ה מְאֹֽד
STATEN

Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.

139
צִמְּתַ֥תְ/נִי קִנְאָתִ֑/י כִּֽי שָׁכְח֖וּ דְבָרֶ֣י/ךָ צָרָֽ/י
STATEN

Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.

140
צְרוּפָ֖ה אִמְרָתְ/ךָ֥ מְאֹ֗ד וְֽ/עַבְדְּ/ךָ֥ אֲהֵבָֽ/הּ
STATEN

Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.

141
צָעִ֣יר אָנֹכִ֣י וְ/נִבְזֶ֑ה פִּ֝קֻּדֶ֗י/ךָ לֹ֣א שָׁכָֽחְתִּי
STATEN

Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.

142
צִדְקָתְ/ךָ֣ צֶ֣דֶק לְ/עוֹלָ֑ם וְֽ/תוֹרָתְ/ךָ֥ אֱמֶֽת
STATEN

Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.

143
צַר וּ/מָצ֥וֹק מְצָא֑וּ/נִי מִ֝צְוֺתֶ֗י/ךָ שַׁעֲשֻׁעָֽ/י
STATEN

Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.

144
צֶ֖דֶק עֵדְוֺתֶ֥י/ךָ לְ/עוֹלָ֗ם הֲבִינֵ֥/נִי וְ/אֶחְיֶֽה
STATEN

De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.

145
קָרָ֣אתִי בְ/כָל לֵ֭ב עֲנֵ֥/נִי יְהוָ֗ה חֻקֶּ֥י/ךָ אֶצֹּֽרָה
STATEN

Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.

146
קְרָאתִ֥י/ךָ הוֹשִׁיעֵ֑/נִי וְ֝/אֶשְׁמְרָ֗ה עֵדֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.

147
קִדַּ֣מְתִּי בַ֭/נֶּשֶׁף וָ/אֲשַׁוֵּ֑עָ/ה ל/דברי/ך יִחָֽלְתִּי לִ/דְבָרְ/ךָ֥
STATEN

Ik ben de morgenschemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.

148
קִדְּמ֣וּ עֵ֭ינַ/י אַשְׁמֻר֑וֹת לָ֝/שִׂ֗יחַ בְּ/אִמְרָתֶֽ/ךָ
STATEN

Mijn ogen komen de nachtwaken voor, om Uw rede te betrachten.

149
ק֭וֹלִ/י שִׁמְעָ֣/ה כְ/חַסְדֶּ֑/ךָ יְ֝הוָ֗ה כְּֽ/מִשְׁפָּטֶ֥/ךָ חַיֵּֽ/נִי
STATEN

Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.

150
קָ֭רְבוּ רֹדְפֵ֣י זִמָּ֑ה מִ/תּוֹרָתְ/ךָ֥ רָחָֽקוּ
STATEN

Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.

151
קָר֣וֹב אַתָּ֣ה יְהוָ֑ה וְֽ/כָל מִצְוֺתֶ֥י/ךָ אֱמֶֽת
STATEN

Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.

152
קֶ֣דֶם יָ֭דַעְתִּי מֵ/עֵדֹתֶ֑י/ךָ כִּ֖י לְ/עוֹלָ֣ם יְסַדְתָּֽ/ם
STATEN

Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.

153
רְאֵֽה עָנְיִ֥/י וְ/חַלְּצֵ֑/נִי כִּי תֽ֝וֹרָתְ/ךָ֗ לֹ֣א שָׁכָֽחְתִּי
STATEN

Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.

154
רִיבָ֣/ה רִ֭יבִ/י וּ/גְאָלֵ֑/נִי לְ/אִמְרָתְ/ךָ֥ חַיֵּֽ/נִי
STATEN

Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.

155
רָח֣וֹק מֵ/רְשָׁעִ֣ים יְשׁוּעָ֑ה כִּֽי חֻ֝קֶּי/ךָ לֹ֣א דָרָֽשׁוּ
STATEN

Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.

156
רַחֲמֶ֖י/ךָ רַבִּ֥ים יְהוָ֑ה כְּֽ/מִשְׁפָּטֶ֥י/ךָ חַיֵּֽ/נִי
STATEN

HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.

157
רַ֭בִּים רֹדְפַ֣/י וְ/צָרָ֑/י מֵ֝/עֵדְוֺתֶ֗י/ךָ לֹ֣א נָטִֽיתִי
STATEN

Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.

158
רָאִ֣יתִי בֹ֭גְדִים וָֽ/אֶתְקוֹטָ֑טָ/ה אֲשֶׁ֥ר אִ֝מְרָתְ/ךָ֗ לֹ֣א שָׁמָֽרוּ
STATEN

Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.

159
רְ֭אֵה כִּי פִקּוּדֶ֣י/ךָ אָהָ֑בְתִּי יְ֝הוָ֗ה כְּֽ/חַסְדְּ/ךָ֥ חַיֵּֽ/נִי
STATEN

Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.

160
רֹאשׁ דְּבָרְ/ךָ֥ אֱמֶ֑ת וּ֝/לְ/עוֹלָ֗ם כָּל מִשְׁפַּ֥ט צִדְקֶֽ/ךָ
STATEN

Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.

161
שָׂ֭רִים רְדָפ֣וּ/נִי חִנָּ֑ם ו/מ/דברי/ך פָּחַ֥ד לִבִּֽ/י וּ֝/מִ/דְּבָרְ/ךָ֗
STATEN

De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.

162
שָׂ֣שׂ אָ֭נֹכִֽי עַל אִמְרָתֶ֑/ךָ כְּ֝/מוֹצֵ֗א שָׁלָ֥ל רָֽב
STATEN

Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.

163
שֶׁ֣קֶר שָׂ֭נֵאתִי וַ/אֲתַעֵ֑בָה תּוֹרָתְ/ךָ֥ אָהָֽבְתִּי
STATEN

Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.

164
שֶׁ֣בַע בַּ֭/יּוֹם הִלַּלְתִּ֑י/ךָ עַ֝֗ל מִשְׁפְּטֵ֥י צִדְקֶֽ/ךָ
STATEN

Ik loof U zevenmaal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.

165
שָׁל֣וֹם רָ֭ב לְ/אֹהֲבֵ֣י תוֹרָתֶ֑/ךָ וְ/אֵֽין לָ֥/מוֹ מִכְשֽׁוֹל
STATEN

Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.

166
שִׂבַּ֣רְתִּי לִֽ/ישׁוּעָתְ/ךָ֣ יְהוָ֑ה וּֽ/מִצְוֺתֶ֥י/ךָ עָשִֽׂיתִי
STATEN

O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.

167
שָֽׁמְרָ֣ה נַ֭פְשִׁ/י עֵדֹתֶ֑י/ךָ וָ/אֹהֲבֵ֥/ם מְאֹֽד
STATEN

Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.

168
שָׁמַ֣רְתִּי פִ֭קּוּדֶי/ךָ וְ/עֵדֹתֶ֑י/ךָ כִּ֖י כָל דְּרָכַ֣/י נֶגְדֶּֽ/ךָ
STATEN

Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.

169
תִּקְרַ֤ב רִנָּתִ֣/י לְ/פָנֶ֣י/ךָ יְהוָ֑ה כִּ/דְבָרְ/ךָ֥ הֲבִינֵֽ/נִי
STATEN

O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.

170
תָּב֣וֹא תְּחִנָּתִ֣/י לְ/פָנֶ֑י/ךָ כְּ֝/אִמְרָתְ/ךָ֗ הַצִּילֵֽ/נִי
STATEN

Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.

171
תַּבַּ֣עְנָה שְׂפָתַ֣/י תְּהִלָּ֑ה כִּ֖י תְלַמְּדֵ֣/נִי חֻקֶּֽי/ךָ
STATEN

Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.

172
תַּ֣עַן לְ֭שׁוֹנִ/י אִמְרָתֶ֑/ךָ כִּ֖י כָל מִצְוֺתֶ֣י/ךָ צֶּֽדֶק
STATEN

Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.

173
תְּהִֽי יָדְ/ךָ֥ לְ/עָזְרֵ֑/נִי כִּ֖י פִקּוּדֶ֣י/ךָ בָחָֽרְתִּי
STATEN

Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.

174
תָּאַ֣בְתִּי לִֽ/ישׁוּעָתְ/ךָ֣ יְהוָ֑ה וְ֝/תֽוֹרָתְ/ךָ֗ שַׁעֲשֻׁעָֽ/י
STATEN

O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.

175
תְּֽחִי נַ֭פְשִׁ/י וּֽ/תְהַֽלְלֶ֑/ךָּ וּֽ/מִשְׁפָּטֶ֥/ךָ יַעֲזְרֻֽ/נִי
STATEN

Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.

176
תָּעִ֗יתִי כְּ/שֶׂ֣ה אֹ֭בֵד בַּקֵּ֣שׁ עַבְדֶּ֑/ךָ כִּ֥י מִ֝צְוֺתֶ֗י/ךָ לֹ֣א שָׁכָֽחְתִּי
STATEN

Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.