KETUVIM

Psalmen 25

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לְ/דָוִ֡ד אֵלֶ֥י/ךָ יְ֝הוָ֗ה נַפְשִׁ֥/י אֶשָּֽׂא
STATEN

Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.

2
אֱֽלֹהַ֗/י בְּ/ךָ֣ בָ֭טַחְתִּי אַל אֵב֑וֹשָׁה אַל יַֽעַלְצ֖וּ אֹיְבַ֣/י לִֽ/י
STATEN

Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.

3
גַּ֣ם כָּל קֹ֭וֶי/ךָ לֹ֣א יֵבֹ֑שׁוּ יֵ֝בֹ֗שׁוּ הַ/בּוֹגְדִ֥ים רֵיקָֽם
STATEN

Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.

4
דְּרָכֶ֣י/ךָ יְ֭הוָה הוֹדִיעֵ֑/נִי אֹ֖רְחוֹתֶ֣י/ךָ לַמְּדֵֽ/נִי
STATEN

Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.

5
הַדְרִ֘יכֵ֤/נִי בַ/אֲמִתֶּ֨/ךָ וְֽ/לַמְּדֵ֗/נִי כִּֽי אַ֭תָּה אֱלֹהֵ֣י יִשְׁעִ֑/י אוֹתְ/ךָ֥ קִ֝וִּ֗יתִי כָּל הַ/יּֽוֹם
STATEN

He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den gansen dag.

6
זְכֹר רַחֲמֶ֣י/ךָ יְ֭הוָה וַ/חֲסָדֶ֑י/ךָ כִּ֖י מֵ/עוֹלָ֣ם הֵֽמָּה
STATEN

Zain. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid.

7
חַטֹּ֤אות נְעוּרַ֨/י וּ/פְשָׁעַ֗/י אַל תִּ֫זְכֹּ֥ר כְּ/חַסְדְּ/ךָ֥ זְכָר לִ/י אַ֑תָּה לְמַ֖עַן טוּבְ/ךָ֣ יְהוָֽה
STATEN

Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!

8
טוֹב וְ/יָשָׁ֥ר יְהוָ֑ה עַל כֵּ֤ן יוֹרֶ֖ה חַטָּאִ֣ים בַּ/דָּֽרֶךְ
STATEN

Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.

9
יַדְרֵ֣ךְ עֲ֭נָוִים בַּ/מִּשְׁפָּ֑ט וִֽ/ילַמֵּ֖ד עֲנָוִ֣ים דַּרְכּֽ/וֹ
STATEN

Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren.

10
כָּל אָרְח֣וֹת יְ֭הוָה חֶ֣סֶד וֶ/אֱמֶ֑ת לְ/נֹצְרֵ֥י בְ֝רִית֗/וֹ וְ/עֵדֹתָֽי/ו
STATEN

Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.

11
לְמַֽעַן שִׁמְ/ךָ֥ יְהוָ֑ה וְֽ/סָלַחְתָּ֥ לַ֝/עֲוֺנִ֗/י כִּ֣י רַב הֽוּא
STATEN

Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.

12
מִי זֶ֣ה הָ֭/אִישׁ יְרֵ֣א יְהוָ֑ה י֝וֹרֶ֗/נּוּ בְּ/דֶ֣רֶךְ יִבְחָֽר
STATEN

Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.

13
נַ֭פְשׁ/וֹ בְּ/ט֣וֹב תָּלִ֑ין וְ֝/זַרְע֗/וֹ יִ֣ירַשׁ אָֽרֶץ
STATEN

Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beërven.

14
ס֣וֹד יְ֭הוָה לִ/ירֵאָ֑י/ו וּ֝/בְרִית֗/וֹ לְ/הוֹדִיעָֽ/ם
STATEN

Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.

15
עֵינַ֣/י תָּ֭מִיד אֶל יְהוָ֑ה כִּ֤י הֽוּא יוֹצִ֖יא מֵ/רֶ֣שֶׁת רַגְלָֽ/י
STATEN

Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.

16
פְּנֵה אֵלַ֥/י וְ/חָנֵּ֑/נִי כִּֽי יָחִ֖יד וְ/עָנִ֣י אָֽנִי
STATEN

Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.

17
צָר֣וֹת לְבָבִ֣/י הִרְחִ֑יבוּ מִ֝/מְּצֽוּקוֹתַ֗/י הוֹצִיאֵֽ/נִי
STATEN

Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.

18
רְאֵ֣ה עָ֭נְיִ/י וַ/עֲמָלִ֑/י וְ֝/שָׂ֗א לְ/כָל חַטֹּאותָֽ/י
STATEN

Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.

19
רְאֵֽה אוֹיְבַ֥/י כִּי רָ֑בּוּ וְ/שִׂנְאַ֖ת חָמָ֣ס שְׂנֵאֽוּ/נִי
STATEN

Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.

20
שָׁמְרָ֣/ה נַ֭פְשִׁ/י וְ/הַצִּילֵ֑/נִי אַל אֵ֝ב֗וֹשׁ כִּֽי חָסִ֥יתִי בָֽ/ךְ
STATEN

Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.

21
תֹּם וָ/יֹ֥שֶׁר יִצְּר֑וּ/נִי כִּ֝֗י קִוִּיתִֽי/ךָ
STATEN

Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.

22
פְּדֵ֣ה אֱ֭לֹהִים אֶת יִשְׂרָאֵ֑ל מִ֝/כֹּ֗ל צָֽרוֹתָי/ו
STATEN

O God! verlos Israël uit al zijn benauwdheden.