KETUVIM

Psalmen 9

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ֭/מְנַצֵּחַ עַלְמ֥וּת לַבֵּ֗ן מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Mûth-Labben.

2
אוֹדֶ֣ה יְ֭הוָה בְּ/כָל לִבִּ֑/י אֲ֝סַפְּרָ֗ה כָּל נִפְלְאוֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.

3
אֶשְׂמְחָ֣ה וְ/אֶעֶלְצָ֣ה בָ֑/ךְ אֲזַמְּרָ֖ה שִׁמְ/ךָ֣ עֶלְיֽוֹן
STATEN

In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!

4
בְּ/שׁוּב אוֹיְבַ֥/י אָח֑וֹר יִכָּשְׁל֥וּ וְ֝/יֹאבְד֗וּ מִ/פָּנֶֽי/ךָ
STATEN

Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.

5
כִּֽי עָ֭שִׂיתָ מִשְׁפָּטִ֣/י וְ/דִינִ֑/י יָשַׁ֥בְתָּ לְ֝/כִסֵּ֗א שׁוֹפֵ֥ט צֶֽדֶק
STATEN

Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtzaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.

6
גָּעַ֣רְתָּ ג֭וֹיִם אִבַּ֣דְתָּ רָשָׁ֑ע שְׁמָ֥/ם מָ֝חִ֗יתָ לְ/עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד
STATEN

Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.

7
הָֽ/אוֹיֵ֨ב תַּ֥מּוּ חֳרָב֗וֹת לָ֫/נֶ֥צַח וְ/עָרִ֥ים נָתַ֑שְׁתָּ אָבַ֖ד זִכְרָ֣/ם הֵֽמָּה
STATEN

O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.

8
וַֽ֭/יהוָה לְ/עוֹלָ֣ם יֵשֵׁ֑ב כּוֹנֵ֖ן לַ/מִּשְׁפָּ֣ט כִּסְאֽ/וֹ
STATEN

Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.

9
וְ/ה֗וּא יִשְׁפֹּֽט תֵּבֵ֥ל בְּ/צֶ֑דֶק יָדִ֥ין לְ֝אֻמִּ֗ים בְּ/מֵישָׁרִֽים
STATEN

En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.

10
וִ֘/יהִ֤י יְהוָ֣ה מִשְׂגָּ֣ב לַ/דָּ֑ךְ מִ֝שְׂגָּ֗ב לְ/עִתּ֥וֹת בַּצָּרָֽה
STATEN

En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor den verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.

11
וְ/יִבְטְח֣וּ בְ֭/ךָ יוֹדְעֵ֣י שְׁמֶ֑/ךָ כִּ֤י לֹֽא עָזַ֖בְתָּ דֹרְשֶׁ֣י/ךָ יְהוָֽה
STATEN

En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.

12
זַמְּר֗וּ לַ֭/יהוָה יֹשֵׁ֣ב צִיּ֑וֹן הַגִּ֥ידוּ בָ֝/עַמִּ֗ים עֲלִֽילוֹתָֽי/ו
STATEN

Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.

13
עֲנָוִֽים כִּֽי דֹרֵ֣שׁ דָּ֭מִים אוֹתָ֣/ם זָכָ֑ר לֹֽא שָׁ֝כַ֗ח צַעֲקַ֥ת עניים
STATEN

Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

14
חָֽנְנֵ֬/נִי יְהוָ֗ה רְאֵ֣ה עָ֭נְיִ/י מִ/שֹּׂנְאָ֑/י מְ֝רוֹמְמִ֗/י מִ/שַּׁ֥עֲרֵי מָֽוֶת
STATEN

Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;

15
לְמַ֥עַן אֲסַפְּרָ֗ה כָּֽל תְּהִלָּ֫תֶ֥י/ךָ בְּ/שַֽׁעֲרֵ֥י בַת צִיּ֑וֹן אָ֝גִ֗ילָה בִּ/ישׁוּעָתֶֽ/ךָ
STATEN

Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.

16
טָבְע֣וּ ג֭וֹיִם בְּ/שַׁ֣חַת עָשׂ֑וּ בְּ/רֶֽשֶׁת ז֥וּ טָ֝מָ֗נוּ נִלְכְּדָ֥ה רַגְלָֽ/ם
STATEN

De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.

17
נ֤וֹדַ֨ע יְהוָה֮ מִשְׁפָּ֪ט עָ֫שָׂ֥ה בְּ/פֹ֣עַל כַּ֭פָּי/ו נוֹקֵ֣שׁ רָשָׁ֑ע הִגָּי֥וֹן סֶֽלָה
STATEN

De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.

18
יָשׁ֣וּבוּ רְשָׁעִ֣ים לִ/שְׁא֑וֹלָ/ה כָּל גּ֝וֹיִ֗ם שְׁכֵחֵ֥י אֱלֹהִֽים
STATEN

De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.

19
עֲ֝נִיִּ֗ים כִּ֤י לֹ֣א לָ֭/נֶצַח יִשָּׁכַ֣ח אֶבְי֑וֹן תִּקְוַ֥ת ענוים תֹּאבַ֥ד לָ/עַֽד
STATEN

Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.

20
קוּמָ֣/ה יְ֭הוָה אַל יָעֹ֣ז אֱנ֑וֹשׁ יִשָּׁפְט֥וּ ג֝וֹיִ֗ם עַל פָּנֶֽי/ךָ
STATEN

Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.

21
שִׁ֘יתָ֤/ה יְהוָ֨ה מוֹרָ֗ה לָ֫/הֶ֥ם יֵדְע֥וּ גוֹיִ֑ם אֱנ֖וֹשׁ הֵ֣מָּה סֶּֽלָה
STATEN

O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela.