KETUVIM
Psalmen 9
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ֭/מְנַצֵּחַ עַלְמ֥וּת לַבֵּ֗ן מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד׃
STATEN
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Mûth-Labben.
אוֹדֶ֣ה יְ֭הוָה בְּ/כָל לִבִּ֑/י אֲ֝סַפְּרָ֗ה כָּל נִפְלְאוֹתֶֽי/ךָ־־׃
STATEN
Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.
אֶשְׂמְחָ֣ה וְ/אֶעֶלְצָ֣ה בָ֑/ךְ אֲזַמְּרָ֖ה שִׁמְ/ךָ֣ עֶלְיֽוֹן׃
STATEN
In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!
בְּ/שׁוּב אוֹיְבַ֥/י אָח֑וֹר יִכָּשְׁל֥וּ וְ֝/יֹאבְד֗וּ מִ/פָּנֶֽי/ךָ־׃
STATEN
Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.
כִּֽי עָ֭שִׂיתָ מִשְׁפָּטִ֣/י וְ/דִינִ֑/י יָשַׁ֥בְתָּ לְ֝/כִסֵּ֗א שׁוֹפֵ֥ט צֶֽדֶק־׃
STATEN
Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtzaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.
גָּעַ֣רְתָּ ג֭וֹיִם אִבַּ֣דְתָּ רָשָׁ֑ע שְׁמָ֥/ם מָ֝חִ֗יתָ לְ/עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד׃
STATEN
Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.
הָֽ/אוֹיֵ֨ב תַּ֥מּוּ חֳרָב֗וֹת לָ֫/נֶ֥צַח וְ/עָרִ֥ים נָתַ֑שְׁתָּ אָבַ֖ד זִכְרָ֣/ם הֵֽמָּה׀׃
STATEN
O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.
וַֽ֭/יהוָה לְ/עוֹלָ֣ם יֵשֵׁ֑ב כּוֹנֵ֖ן לַ/מִּשְׁפָּ֣ט כִּסְאֽ/וֹ׃
STATEN
Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
וְ/ה֗וּא יִשְׁפֹּֽט תֵּבֵ֥ל בְּ/צֶ֑דֶק יָדִ֥ין לְ֝אֻמִּ֗ים בְּ/מֵישָׁרִֽים־׃
STATEN
En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.
וִ֘/יהִ֤י יְהוָ֣ה מִשְׂגָּ֣ב לַ/דָּ֑ךְ מִ֝שְׂגָּ֗ב לְ/עִתּ֥וֹת בַּצָּרָֽה׃
STATEN
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor den verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.
וְ/יִבְטְח֣וּ בְ֭/ךָ יוֹדְעֵ֣י שְׁמֶ֑/ךָ כִּ֤י לֹֽא עָזַ֖בְתָּ דֹרְשֶׁ֣י/ךָ יְהוָֽה־׃
STATEN
En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
זַמְּר֗וּ לַ֭/יהוָה יֹשֵׁ֣ב צִיּ֑וֹן הַגִּ֥ידוּ בָ֝/עַמִּ֗ים עֲלִֽילוֹתָֽי/ו׃
STATEN
Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.