KETUVIM

Psalmen 34

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לְ/דָוִ֗ד בְּ/שַׁנּוֹת֣/וֹ אֶת טַ֭עְמ/וֹ לִ/פְנֵ֣י אֲבִימֶ֑לֶךְ וַֽ֝/יְגָרֲשֵׁ֗/הוּ וַ/יֵּלַֽךְ
STATEN

Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimélech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.

2
אֲבָרֲכָ֣ה אֶת יְהוָ֣ה בְּ/כָל עֵ֑ת תָּ֝מִ֗יד תְּֽהִלָּת֥/וֹ בְּ/פִֽ/י
STATEN

Aleph. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.

3
בַּ֭/יהוָה תִּתְהַלֵּ֣ל נַפְשִׁ֑/י יִשְׁמְע֖וּ עֲנָוִ֣ים וְ/יִשְׂמָֽחוּ
STATEN

Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.

4
גַּדְּל֣וּ לַ/יהוָ֣ה אִתִּ֑/י וּ/נְרוֹמְמָ֖ה שְׁמ֣/וֹ יַחְדָּֽו
STATEN

Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.

5
דָּרַ֣שְׁתִּי אֶת יְהוָ֣ה וְ/עָנָ֑/נִי וּ/מִ/כָּל מְ֝גוּרוֹתַ֗/י הִצִּילָֽ/נִי
STATEN

Daleth. Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.

6
הִבִּ֣יטוּ אֵלָ֣י/ו וְ/נָהָ֑רוּ וּ֝/פְנֵי/הֶ֗ם אַל יֶחְפָּֽרוּ
STATEN

He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

7
זֶ֤ה עָנִ֣י קָ֭רָא וַ/יהוָ֣ה שָׁמֵ֑עַ וּ/מִ/כָּל צָ֝רוֹתָ֗י/ו הוֹשִׁיעֽ/וֹ
STATEN

Zain. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.

8
חֹנֶ֤ה מַלְאַךְ יְהוָ֓ה סָ֘בִ֤יב לִֽ/ירֵאָ֗י/ו וַֽ/יְחַלְּצֵֽ/ם
STATEN

Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.

9
טַעֲמ֣וּ וּ֭/רְאוּ כִּי ט֣וֹב יְהוָ֑ה אַֽשְׁרֵ֥י הַ֝/גֶּ֗בֶר יֶחֱסֶה בּֽ/וֹ
STATEN

Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.

10
יְר֣אוּ אֶת יְהוָ֣ה קְדֹשָׁ֑י/ו כִּי אֵ֥ין מַ֝חְס֗וֹר לִ/ירֵאָֽי/ו
STATEN

Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.

11
כְּ֭פִירִים רָשׁ֣וּ וְ/רָעֵ֑בוּ וְ/דֹרְשֵׁ֥י יְ֝הוָ֗ה לֹא יַחְסְר֥וּ כָל טֽוֹב
STATEN

Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.

12
לְֽכוּ בָ֭נִים שִׁמְעוּ לִ֑/י יִֽרְאַ֥ת יְ֝הוָ֗ה אֲלַמֶּדְ/כֶֽם
STATEN

Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.

13
מִֽי הָ֭/אִישׁ הֶ/חָפֵ֣ץ חַיִּ֑ים אֹהֵ֥ב יָ֝מִ֗ים לִ/רְא֥וֹת טֽוֹב
STATEN

Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

14
נְצֹ֣ר לְשׁוֹנְ/ךָ֣ מֵ/רָ֑ע וּ֝/שְׂפָתֶ֗י/ךָ מִ/דַּבֵּ֥ר מִרְמָֽה
STATEN

Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.

15
ס֣וּר מֵ֭/רָע וַ/עֲשֵׂה ט֑וֹב בַּקֵּ֖שׁ שָׁל֣וֹם וְ/רָדְפֵֽ/הוּ
STATEN

Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.

16
עֵינֵ֣י יְ֭הוָה אֶל צַדִּיקִ֑ים וְ֝/אָזְנָ֗י/ו אֶל שַׁוְעָתָֽ/ם
STATEN

Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.

17
פְּנֵ֣י יְ֭הוָה בְּ/עֹ֣שֵׂי רָ֑ע לְ/הַכְרִ֖ית מֵ/אֶ֣רֶץ זִכְרָֽ/ם
STATEN

Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.

18
צָעֲק֣וּ וַ/יהוָ֣ה שָׁמֵ֑עַ וּ/מִ/כָּל צָ֝רוֹתָ֗/ם הִצִּילָֽ/ם
STATEN

Tsade. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.

19
קָר֣וֹב יְ֭הוָה לְ/נִשְׁבְּרֵי לֵ֑ב וְֽ/אֶת דַּכְּאֵי ר֥וּחַ יוֹשִֽׁיעַ
STATEN

Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.

20
רַ֭בּוֹת רָע֣וֹת צַדִּ֑יק וּ֝/מִ/כֻּלָּ֗/ם יַצִּילֶ֥/נּוּ יְהוָֽה
STATEN

Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.

21
שֹׁמֵ֥ר כָּל עַצְמוֹתָ֑י/ו אַחַ֥ת מֵ֝/הֵ֗נָּה לֹ֣א נִשְׁבָּֽרָה
STATEN

Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet één van die wordt gebroken.

22
תְּמוֹתֵ֣ת רָשָׁ֣ע רָעָ֑ה וְ/שֹׂנְאֵ֖י צַדִּ֣יק יֶאְשָֽׁמוּ
STATEN

Thau. De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden.

23
פּוֹדֶ֣ה יְ֭הוָה נֶ֣פֶשׁ עֲבָדָ֑י/ו וְ/לֹ֥א יֶ֝אְשְׁמ֗וּ כָּֽל הַ/חֹסִ֥ים בּֽ/וֹ
STATEN

De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.