Ga naar inhoud
NEVIIM

1 Samuël 10

שְׁמוּאֵל א
Hoofdstukken (31)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּקַּ֨ח שְׁמוּאֵ֜ל אֶת פַּ֥ךְ הַ/שֶּׁ֛מֶן וַ/יִּצֹ֥ק עַל רֹאשׁ֖/וֹ וַ/יִּשָּׁקֵ֑/הוּ וַ/יֹּ֕אמֶר הֲ/ל֗וֹא כִּֽי מְשָׁחֲ/ךָ֧ יְהוָ֛ה עַל נַחֲלָת֖/וֹ לְ/נָגִֽיד־־־־׃
STATEN

Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?

2
בְּ/לֶכְתְּ/ךָ֤ הַ/יּוֹם֙ מֵ/עִמָּדִ֔/י וּ/מָצָאתָ֩ שְׁנֵ֨י אֲנָשִׁ֜ים עִם קְבֻרַ֥ת רָחֵ֛ל בִּ/גְב֥וּל בִּנְיָמִ֖ן בְּ/צֶלְצַ֑ח וְ/אָמְר֣וּ אֵלֶ֗י/ךָ נִמְצְא֤וּ הָ/אֲתֹנוֹת֙ אֲשֶׁ֣ר הָלַ֣כְתָּ לְ/בַקֵּ֔שׁ וְ/הִנֵּ֨ה נָטַ֤שׁ אָבִ֨י/ךָ֙ אֶת דִּבְרֵ֣י הָ/אֲתֹנ֔וֹת וְ/דָאַ֤ג לָ/כֶם֙ לֵ/אמֹ֔ר מָ֥ה אֶעֱשֶׂ֖ה לִ/בְנִֽ/י־־׃
STATEN

Als gij heden van mij gaat, zo zult gij twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen?

3
וְ/חָלַפְתָּ֨ מִ/שָּׁ֜ם וָ/הָ֗לְאָה וּ/בָ֨אתָ֙ עַד אֵל֣וֹן תָּב֔וֹר וּ/מְצָא֤וּ/ךָ שָּׁם֙ שְׁלֹשָׁ֣ה אֲנָשִׁ֔ים עֹלִ֥ים אֶל הָ/אֱלֹהִ֖ים בֵּֽית אֵ֑ל אֶחָ֞ד נֹשֵׂ֣א שְׁלֹשָׁ֣ה גְדָיִ֗ים וְ/אֶחָד֙ נֹשֵׂ֗א שְׁלֹ֨שֶׁת֙ כִּכְּר֣וֹת לֶ֔חֶם וְ/אֶחָ֥ד נֹשֵׂ֖א נֵֽבֶל יָֽיִן־־־׀־׃
STATEN

Als gij u van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El; één, dragende drie bokjes, en één, dragende drie bollen broods, en één, dragende een fles wijn.

4
וְ/שָׁאֲל֥וּ לְ/ךָ֖ לְ/שָׁל֑וֹם וְ/נָתְנ֤וּ לְ/ךָ֙ שְׁתֵּי לֶ֔חֶם וְ/לָקַחְתָּ֖ מִ/יָּדָֽ/ם־׃
STATEN

En zij zullen u naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult gij van hun hand nemen.

5
אַ֣חַר כֵּ֗ן תָּבוֹא֙ גִּבְעַ֣ת הָ/אֱלֹהִ֔ים אֲשֶׁר שָׁ֖ם נְצִבֵ֣י פְלִשְׁתִּ֑ים וִ/יהִי֩ כְ/בֹאֲ/ךָ֨ שָׁ֜ם הָ/עִ֗יר וּ/פָגַעְתָּ֞ חֶ֤בֶל נְבִיאִים֙ יֹרְדִ֣ים מֵֽ/הַ/בָּמָ֔ה וְ/לִ/פְנֵי/הֶ֞ם נֵ֤בֶל וְ/תֹף֙ וְ/חָלִ֣יל וְ/כִנּ֔וֹר וְ/הֵ֖מָּה מִֽתְנַבְּאִֽים־׃
STATEN

Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden, als gij aldaar in de stad komt, zo zult gij ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.

6
וְ/צָלְחָ֤ה עָלֶ֨י/ךָ֙ ר֣וּחַ יְהוָ֔ה וְ/הִתְנַבִּ֖יתָ עִמָּ֑/ם וְ/נֶהְפַּכְתָּ֖ לְ/אִ֥ישׁ אַחֵֽר׃
STATEN

En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren; en gij zult in een anderen man veranderd worden.

7
וְ/הָיָ֗ה כִּ֥י תבאינה הָ/אֹת֥וֹת הָ/אֵ֖לֶּה לָ֑/ךְ עֲשֵׂ֤ה לְ/ךָ֙ אֲשֶׁ֣ר תִּמְצָ֣א יָדֶ֔/ךָ כִּ֥י הָ/אֱלֹהִ֖ים עִמָּֽ/ךְ תָבֹ֛אנָה׃
STATEN

En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn.

8
וְ/יָרַדְתָּ֣ לְ/פָנַ/י֮ הַ/גִּלְגָּל֒ וְ/הִנֵּ֤ה אָֽנֹכִי֙ יֹרֵ֣ד אֵלֶ֔י/ךָ לְ/הַעֲל֣וֹת עֹל֔וֹת לִ/זְבֹּ֖חַ זִבְחֵ֣י שְׁלָמִ֑ים שִׁבְעַ֨ת יָמִ֤ים תּוֹחֵל֙ עַד בּוֹאִ֣/י אֵלֶ֔י/ךָ וְ/הוֹדַעְתִּ֣י לְ/ךָ֔ אֵ֖ת אֲשֶׁ֥ר תַּעֲשֶֽׂה־׃
STATEN

Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.

9
וְ/הָיָ֗ה כְּ/הַפְנֹת֤/וֹ שִׁכְמ/וֹ֙ לָ/לֶ֨כֶת֙ מֵ/עִ֣ם שְׁמוּאֵ֔ל וַ/יַּהֲפָךְ ל֥/וֹ אֱלֹהִ֖ים לֵ֣ב אַחֵ֑ר וַ/יָּבֹ֛אוּ כָּל הָ/אֹת֥וֹת הָ/אֵ֖לֶּה בַּ/יּ֥וֹם הַ/הֽוּא־־׃ס
STATEN

Het geschiedde nu, toen hij zijn schouder keerde, om van Samuël te gaan, veranderde God hem het hart in een ander; en al die tekenen kwamen ten zelven dage.

10
וַ/יָּבֹ֤אוּ שָׁם֙ הַ/גִּבְעָ֔תָ/ה וְ/הִנֵּ֥ה חֶֽבֶל נְבִאִ֖ים לִ/קְרָאת֑/וֹ וַ/תִּצְלַ֤ח עָלָי/ו֙ ר֣וּחַ אֱלֹהִ֔ים וַ/יִּתְנַבֵּ֖א בְּ/תוֹכָֽ/ם־׃
STATEN

Toen zij daar aan den heuvel kwamen, zie, zo kwam hem een hoop profeten tegemoet; en de Geest des HEEREN werd vaardig over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.

11
וַ/יְהִ֗י כָּל יֽוֹדְע/וֹ֙ מֵ/אִתְּמ֣וֹל שִׁלְשׁ֔וֹם וַ/יִּרְא֕וּ וְ/הִנֵּ֥ה עִם נְבִאִ֖ים נִבָּ֑א וַ/יֹּ֨אמֶר הָ/עָ֜ם אִ֣ישׁ אֶל רֵעֵ֗/הוּ מַה זֶּה֙ הָיָ֣ה לְ/בֶן קִ֔ישׁ הֲ/גַ֥ם שָׁא֖וּל בַּ/נְּבִיאִֽים־־־־־׃
STATEN

En het geschiedde, als een iegelijk, die hem van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, een ieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?

12
וַ/יַּ֨עַן אִ֥ישׁ מִ/שָּׁ֛ם וַ/יֹּ֖אמֶר וּ/מִ֣י אֲבִי/הֶ֑ם עַל כֵּן֙ הָיְתָ֣ה לְ/מָשָׁ֔ל הֲ/גַ֥ם שָׁא֖וּל בַּ/נְּבִאִֽים־׃
STATEN

Toen antwoordde een man van daar, en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten?

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Samuël 10

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Samuël 10 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →