Ga naar inhoud
NEVIIM

1 Samuël 14

שְׁמוּאֵל א
Hoofdstukken (31)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֣י הַ/יּ֗וֹם וַ/יֹּ֨אמֶר יוֹנָתָ֤ן בֶּן שָׁאוּל֙ אֶל הַ/נַּ֨עַר֙ נֹשֵׂ֣א כֵלָ֔י/ו לְכָ֗/ה וְ/נַעְבְּרָה֙ אֶל מַצַּ֣ב פְּלִשְׁתִּ֔ים אֲשֶׁ֖ר מֵ/עֵ֣בֶר הַלָּ֑ז וּ/לְ/אָבִ֖י/ו לֹ֥א הִגִּֽיד־־־׃
STATEN

Het geschiedde nu op een dag, dat Jónathan, de zoon van Saul, tot den jongen, die zijn wapenen droeg, zeide: Kom, en laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan, welke aan gene zijde is; doch hij gaf het zijn vader niet te kennen.

2
וְ/שָׁא֗וּל יוֹשֵׁב֙ בִּ/קְצֵ֣ה הַ/גִּבְעָ֔ה תַּ֥חַת הָ/רִמּ֖וֹן אֲשֶׁ֣ר בְּ/מִגְר֑וֹן וְ/הָ/עָם֙ אֲשֶׁ֣ר עִמּ֔/וֹ כְּ/שֵׁ֥שׁ מֵא֖וֹת אִֽישׁ׃
STATEN

Saul nu zat aan het uiterste van Gíbea onder den granatenboom, die te Migron was; en het volk, dat bij hem was, was omtrent zeshonderd man.

3
וַ/אֲחִיָּ֣ה בֶן אֲחִט֡וּב אֲחִ֡י אִיכָב֣וֹד בֶּן פִּינְחָ֨ס בֶּן עֵלִ֜י כֹּהֵ֧ן יְהוָ֛ה בְּ/שִׁל֖וֹ נֹשֵׂ֣א אֵפ֑וֹד וְ/הָ/עָם֙ לֹ֣א יָדַ֔ע כִּ֥י הָלַ֖ךְ יוֹנָתָֽן־׀־־׀׃
STATEN

En Ahía, de zoon van Ahítub, den broeder van Ikabod, den zoon van Pínehas, den zoon van Eli, was priester des HEEREN, te Silo, dragende den efod; doch het volk wist niet, dat Jónathan heengegaan was.

4
וּ/בֵ֣ין הַֽ/מַּעְבְּר֗וֹת אֲשֶׁ֨ר בִּקֵּ֤שׁ יֽוֹנָתָן֙ לַֽ/עֲבֹר֙ עַל מַצַּ֣ב פְּלִשְׁתִּ֔ים שֵׁן הַ/סֶּ֤לַע מֵ/הָ/עֵ֨בֶר֙ מִ/זֶּ֔ה וְ/שֵׁן הַ/סֶּ֥לַע מֵ/הָ/עֵ֖בֶר מִ/זֶּ֑ה וְ/שֵׁ֤ם הָֽ/אֶחָד֙ בּוֹצֵ֔ץ וְ/שֵׁ֥ם הָ/אֶחָ֖ד סֶֽנֶּה־־־׃
STATEN

Er was nu tussen de doortochten, waar Jónathan zocht door te gaan tot der Filistijnen bezetting, een scherpte van een steenklip aan deze zijde, en een scherpte van een steenklip aan gene zijde; en de naam der ene was Bozes, en de naam der andere Séne.

5
הַ/שֵּׁ֧ן הָ/אֶחָ֛ד מָצ֥וּק מִ/צָּפ֖וֹן מ֣וּל מִכְמָ֑שׂ וְ/הָ/אֶחָ֥ד מִ/נֶּ֖גֶב מ֥וּל גָּֽבַע׃ס
STATEN

De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba.

6
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוֹנָתָ֜ן אֶל הַ/נַּ֣עַר נֹשֵׂ֣א כֵלָ֗י/ו לְכָ/ה֙ וְ/נַעְבְּרָ֗ה אֶל מַצַּב֙ הָ/עֲרֵלִ֣ים הָ/אֵ֔לֶּה אוּלַ֛י יַעֲשֶׂ֥ה יְהוָ֖ה לָ֑/נוּ כִּ֣י אֵ֤ין לַֽ/יהוָה֙ מַעְצ֔וֹר לְ/הוֹשִׁ֥יעַ בְּ/רַ֖ב א֥וֹ בִ/מְעָֽט־׀־׃
STATEN

Jónathan nu zeide tot den jongen, die zijn wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting dezer onbesnedenen overgaan; misschien zal de HEERE voor ons werken; want bij den HEERE is geen verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen.

7
וַ/יֹּ֤אמֶר ל/וֹ֙ נֹשֵׂ֣א כֵלָ֔י/ו עֲשֵׂ֖ה כָּל אֲשֶׁ֣ר בִּ/לְבָבֶ֑/ךָ נְטֵ֣ה לָ֔/ךְ הִנְ/נִ֥י עִמְּ/ךָ֖ כִּ/לְבָבֶֽ/ךָ־׃ס
STATEN

Toen zeide zijn wapendrager tot hem: Doe al, wat in uw hart is; wend u, zie ik ben met u, naar uw hart.

8
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ יְה֣וֹנָתָ֔ן הִנֵּ֛ה אֲנַ֥חְנוּ עֹבְרִ֖ים אֶל הָ/אֲנָשִׁ֑ים וְ/נִגְלִ֖ינוּ אֲלֵי/הֶֽם־׃
STATEN

Jónathan nu zeide: Zie, wij zullen overgaan tot die mannen, en wij zullen ons aan hen ontdekken.

9
אִם כֹּ֤ה יֹֽאמְרוּ֙ אֵלֵ֔י/נוּ דֹּ֕מּוּ עַד הַגִּיעֵ֖/נוּ אֲלֵי/כֶ֑ם וְ/עָמַ֣דְנוּ תַחְתֵּ֔י/נוּ וְ/לֹ֥א נַעֲלֶ֖ה אֲלֵי/הֶֽם־־׃
STATEN

Indien zij aldus tot ons zeggen: Staat stil, totdat wij aan ulieden komen; zo zullen wij blijven staan aan onze plaats, en tot hen niet opklimmen.

10
וְ/אִם כֹּ֨ה יֹאמְר֜וּ עֲל֤וּ עָלֵ֨י/נוּ֙ וְ/עָלִ֔ינוּ כִּֽי נְתָנָ֥/ם יְהוָ֖ה בְּ/יָדֵ֑/נוּ וְ/זֶה לָּ֖/נוּ הָ/אֽוֹת־־־׃
STATEN

Maar zeggen zij aldus: Klimt tot ons op; zo zullen wij opklimmen, want de HEERE heeft hen in onze hand gegeven; en dit zal ons een teken zijn.

11
וַ/יִּגָּל֣וּ שְׁנֵי/הֶ֔ם אֶל מַצַּ֖ב פְּלִשְׁתִּ֑ים וַ/יֹּאמְר֣וּ פְלִשְׁתִּ֔ים הִנֵּ֤ה עִבְרִים֙ יֹֽצְאִ֔ים מִן הַ/חֹרִ֖ים אֲשֶׁ֥ר הִתְחַבְּאוּ שָֽׁם־־־׃
STATEN

Toen zij beiden zich aan der Filistijnen bezetting ontdekten, zo zeiden de Filistijnen: Ziet, de Hebreeën zijn uit de holen uitgegaan, waarin zij zich verstoken hadden.

12
וַ/יַּעֲנוּ֩ אַנְשֵׁ֨י הַ/מַּצָּבָ֜ה אֶת יוֹנָתָ֣ן וְ/אֶת נֹשֵׂ֣א כֵלָ֗י/ו וַ/יֹּֽאמְרוּ֙ עֲל֣וּ אֵלֵ֔י/נוּ וְ/נוֹדִ֥יעָה אֶתְ/כֶ֖ם דָּבָ֑ר וַ/יֹּ֨אמֶר יוֹנָתָ֜ן אֶל נֹשֵׂ֤א כֵלָי/ו֙ עֲלֵ֣ה אַחֲרַ֔/י כִּֽי נְתָנָ֥/ם יְהוָ֖ה בְּ/יַ֥ד יִשְׂרָאֵֽל־׀־פ־־׃
STATEN

Verder antwoordden de mannen der bezetting aan Jónathan en zijn wapendrager, en zeiden: Klimt op tot ons, en wij zullen het u wijs maken. En Jónathan zeide tot zijn wapendrager: Klim op achter mij, want de HEERE heeft hen gegeven in de hand van Israël.

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Samuël 14

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Samuël 14 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →