NEVIIM

1 Samuël 13

שְׁמוּאֵל א
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
בֶּן שָׁנָ֖ה שָׁא֣וּל בְּ/מָלְכ֑/וֹ וּ/שְׁתֵּ֣י שָׁנִ֔ים מָלַ֖ךְ עַל יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israël.

2
וַ/יִּבְחַר ל֨/וֹ שָׁא֜וּל שְׁלֹ֣שֶׁת אֲלָפִים֮ מִ/יִּשְׂרָאֵל֒ וַ/יִּהְי֨וּ עִם שָׁא֜וּל אַלְפַּ֗יִם בְּ/מִכְמָשׂ֙ וּ/בְ/הַ֣ר בֵּֽית אֵ֔ל וְ/אֶ֗לֶף הָיוּ֙ עִם י֣וֹנָתָ֔ן בְּ/גִבְעַ֖ת בִּנְיָמִ֑ין וְ/יֶ֣תֶר הָ/עָ֔ם שִׁלַּ֖ח אִ֥ישׁ לְ/אֹהָלָֽי/ו
STATEN

Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jónathan te Gíbea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent.

3
וַ/יַּ֣ךְ יוֹנָתָ֗ן אֵ֣ת נְצִ֤יב פְּלִשְׁתִּים֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/גֶ֔בַע וַֽ/יִּשְׁמְע֖וּ פְּלִשְׁתִּ֑ים וְ/שָׁאוּל֩ תָּקַ֨ע בַּ/שּׁוֹפָ֤ר בְּ/כָל הָ/אָ֨רֶץ֙ לֵ/אמֹ֔ר יִשְׁמְע֖וּ הָ/עִבְרִֽים
STATEN

Doch Jónathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreeën horen.

4
וְ/כָל יִשְׂרָאֵ֞ל שָׁמְע֣וּ לֵ/אמֹ֗ר הִכָּ֤ה שָׁאוּל֙ אֶת נְצִ֣יב פְּלִשְׁתִּ֔ים וְ/גַם נִבְאַשׁ יִשְׂרָאֵ֖ל בַּ/פְּלִשְׁתִּ֑ים וַ/יִּצָּעֲק֥וּ הָ/עָ֛ם אַחֲרֵ֥י שָׁא֖וּל הַ/גִּלְגָּֽל
STATEN

Toen hoorde het ganse Israël zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israël stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gilgal.

5
וּ/פְלִשְׁתִּ֞ים נֶאֶסְפ֣וּ לְ/הִלָּחֵ֣ם עִם יִשְׂרָאֵ֗ל שְׁלֹשִׁ֨ים אֶ֤לֶף רֶ֨כֶב֙ וְ/שֵׁ֤שֶׁת אֲלָפִים֙ פָּרָשִׁ֔ים וְ/עָ֕ם כַּ/ח֛וֹל אֲשֶׁ֥ר עַל שְׂפַֽת הַ/יָּ֖ם לָ/רֹ֑ב וַֽ/יַּעֲלוּ֙ וַ/יַּחֲנ֣וּ בְ/מִכְמָ֔שׂ קִדְמַ֖ת בֵּ֥ית אָֽוֶן
STATEN

En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-aven.

6
וְ/אִ֨ישׁ יִשְׂרָאֵ֤ל רָאוּ֙ כִּ֣י צַר ל֔/וֹ כִּ֥י נִגַּ֖שׂ הָ/עָ֑ם וַ/יִּֽתְחַבְּא֣וּ הָ/עָ֗ם בַּ/מְּעָר֤וֹת וּ/בַֽ/חֲוָחִים֙ וּ/בַ/סְּלָעִ֔ים וּ/בַ/צְּרִחִ֖ים וּ/בַ/בֹּרֽוֹת
STATEN

Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.

7
וְ/עִבְרִ֗ים עָֽבְרוּ֙ אֶת הַ/יַּרְדֵּ֔ן אֶ֥רֶץ גָּ֖ד וְ/גִלְעָ֑ד וְ/שָׁאוּל֙ עוֹדֶ֣/נּוּ בַ/גִּלְגָּ֔ל וְ/כָל הָ/עָ֖ם חָרְד֥וּ אַחֲרָֽי/ו
STATEN

De Hebreeën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem.

8
ו/ייחל שִׁבְעַ֣ת יָמִ֗ים לַ/מּוֹעֵד֙ אֲשֶׁ֣ר שְׁמוּאֵ֔ל וְ/לֹא בָ֥א שְׁמוּאֵ֖ל הַ/גִּלְגָּ֑ל וַ/יָּ֥פֶץ הָ/עָ֖ם מֵ/עָלָֽי/ו וַ/יּ֣וֹחֶל
STATEN

En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.

9
וַ/יֹּ֣אמֶר שָׁא֔וּל הַגִּ֣שׁוּ אֵלַ֔/י הָ/עֹלָ֖ה וְ/הַ/שְּׁלָמִ֑ים וַ/יַּ֖עַל הָ/עֹלָֽה
STATEN

Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.

10
וַ/יְהִ֗י כְּ/כַלֹּת/וֹ֙ לְ/הַעֲל֣וֹת הָ/עֹלָ֔ה וְ/הִנֵּ֥ה שְׁמוּאֵ֖ל בָּ֑א וַ/יֵּצֵ֥א שָׁא֛וּל לִ/קְרָאת֖/וֹ לְ/בָרֲכֽ/וֹ
STATEN

En het geschiedde, toen hij geëindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuël; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen.

11
וַ/יֹּ֥אמֶר שְׁמוּאֵ֖ל מֶ֣ה עָשִׂ֑יתָ וַ/יֹּ֣אמֶר שָׁא֡וּל כִּֽי רָאִיתִי֩ כִֽי נָפַ֨ץ הָ/עָ֜ם מֵ/עָלַ֗/י וְ/אַתָּה֙ לֹא בָ֨אתָ֙ לְ/מוֹעֵ֣ד הַ/יָּמִ֔ים וּ/פְלִשְׁתִּ֖ים נֶאֱסָפִ֥ים מִכְמָֽשׂ
STATEN

Toen zeide Samuël: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren,

12
וָ/אֹמַ֗ר עַ֠תָּה יֵרְד֨וּ פְלִשְׁתִּ֤ים אֵלַ/י֙ הַ/גִּלְגָּ֔ל וּ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה לֹ֣א חִלִּ֑יתִי וָֽ/אֶתְאַפַּ֔ק וָ/אַעֲלֶ֖ה הָ/עֹלָֽה
STATEN

Zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.

13
וַ/יֹּ֧אמֶר שְׁמוּאֵ֛ל אֶל שָׁא֖וּל נִסְכָּ֑לְתָּ לֹ֣א שָׁמַ֗רְתָּ אֶת מִצְוַ֞ת יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ אֲשֶׁ֣ר צִוָּ֔/ךְ כִּ֣י עַתָּ֗ה הֵכִ֨ין יְהוָ֧ה אֶת מַֽמְלַכְתְּ/ךָ֛ אֶל יִשְׂרָאֵ֖ל עַד עוֹלָֽם
STATEN

Toen zeide Samuël tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid.

14
וְ/עַתָּ֖ה מַמְלַכְתְּ/ךָ֣ לֹא תָק֑וּם בִּקֵּשׁ֩ יְהוָ֨ה ל֜/וֹ אִ֣ישׁ כִּ/לְבָב֗/וֹ וַ/יְצַוֵּ֨/הוּ יְהוָ֤ה לְ/נָגִיד֙ עַל עַמּ֔/וֹ כִּ֚י לֹ֣א שָׁמַ֔רְתָּ אֵ֥ת אֲשֶֽׁר צִוְּ/ךָ֖ יְהוָֽה
STATEN

Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.

15
וַ/יָּ֣קָם שְׁמוּאֵ֗ל וַ/יַּ֛עַל מִן הַ/גִּלְגָּ֖ל גִּבְעַ֣ת בִּנְיָמִ֑ן וַ/יִּפְקֹ֣ד שָׁא֗וּל אֶת הָ/עָם֙ הַ/נִּמְצְאִ֣ים עִמּ֔/וֹ כְּ/שֵׁ֥שׁ מֵא֖וֹת אִֽישׁ
STATEN

Toen maakte zich Samuël op, en hij ging op van Gilgal naar Gíbea-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.

16
וְ/שָׁא֞וּל וְ/יוֹנָתָ֣ן בְּנ֗/וֹ וְ/הָ/עָם֙ הַ/נִּמְצָ֣א עִמָּ֔/ם יֹשְׁבִ֖ים בְּ/גֶ֣בַע בִּנְיָמִ֑ן וּ/פְלִשְׁתִּ֖ים חָנ֥וּ בְ/מִכְמָֽשׂ
STATEN

En Saul en zijn zoon Jónathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gíbea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.

17
וַ/יֵּצֵ֧א הַ/מַּשְׁחִ֛ית מִ/מַּחֲנֵ֥ה פְלִשְׁתִּ֖ים שְׁלֹשָׁ֣ה רָאשִׁ֑ים הָ/רֹ֨אשׁ אֶחָ֥ד יִפְנֶ֛ה אֶל דֶּ֥רֶךְ עָפְרָ֖ה אֶל אֶ֥רֶץ שׁוּעָֽל
STATEN

En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual;

18
וְ/הָ/רֹ֤אשׁ אֶחָד֙ יִפְנֶ֔ה דֶּ֖רֶךְ בֵּ֣ית חֹר֑וֹן וְ/הָ/רֹ֨אשׁ אֶחָ֤ד יִפְנֶה֙ דֶּ֣רֶךְ הַ/גְּב֔וּל הַ/נִּשְׁקָ֛ף עַל גֵּ֥י הַצְּבֹעִ֖ים הַ/מִּדְבָּֽרָ/ה
STATEN

En een hoop keerde zich naar den weg van Beth-hóron; en een hoop keerde zich naar den weg der landpale, die naar het dal Zebóïm naar de woestijn uitziet.

19
וְ/חָרָשׁ֙ לֹ֣א יִמָּצֵ֔א בְּ/כֹ֖ל אֶ֣רֶץ יִשְׂרָאֵ֑ל כִּֽי אמר פְלִשְׁתִּ֔ים פֶּ֚ן יַעֲשׂ֣וּ הָ/עִבְרִ֔ים חֶ֖רֶב א֥וֹ חֲנִֽית אָמְר֣וּ
STATEN

En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israël; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreeën geen zwaard noch spies maken.

20
וַ/יֵּרְד֥וּ כָל יִשְׂרָאֵ֖ל הַ/פְּלִשְׁתִּ֑ים לִ֠/לְטוֹשׁ אִ֣ישׁ אֶת מַחֲרַשְׁתּ֤/וֹ וְ/אֶת אֵת/וֹ֙ וְ/אֶת קַרְדֻּמּ֔/וֹ וְ/אֵ֖ת מַחֲרֵשָׁתֽ/וֹ
STATEN

Daarom moest gans Israël tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet.

21
וְֽ/הָיְתָ֞ה הַ/פְּצִ֣ירָה פִ֗ים לַ/מַּֽחֲרֵשֹׁת֙ וְ/לָ֣/אֵתִ֔ים וְ/לִ/שְׁלֹ֥שׁ קִלְּשׁ֖וֹן וּ/לְ/הַ/קַּרְדֻּמִּ֑ים וּ/לְ/הַצִּ֖יב הַ/דָּרְבָֽן
STATEN

Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen.

22
וְ/הָיָה֙ בְּ/י֣וֹם מִלְחֶ֔מֶת וְ/לֹ֨א נִמְצָ֜א חֶ֤רֶב וַ/חֲנִית֙ בְּ/יַ֣ד כָּל הָ/עָ֔ם אֲשֶׁ֥ר אֶת שָׁא֖וּל וְ/אֶת יוֹנָתָ֑ן וַ/תִּמָּצֵ֣א לְ/שָׁא֔וּל וּ/לְ/יוֹנָתָ֖ן בְּנֽ/וֹ
STATEN

En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jónathan was; doch bij Saul en bij Jónathan, zijn zoon, werden zij gevonden.

23
וַ/יֵּצֵא֙ מַצַּ֣ב פְּלִשְׁתִּ֔ים אֶֽל מַעֲבַ֖ר מִכְמָֽשׂ
STATEN

En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.