Ga naar inhoud
NEVIIM

1 Samuël 17

שְׁמוּאֵל א
Hoofdstukken (31)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יַּאַסְפ֨וּ פְלִשְׁתִּ֤ים אֶת מַֽחֲנֵי/הֶם֙ לַ/מִּלְחָמָ֔ה וַ/יֵּאָ֣סְפ֔וּ שֹׂכֹ֖ה אֲשֶׁ֣ר לִ/יהוּדָ֑ה וַֽ/יַּחֲנ֛וּ בֵּין שׂוֹכֹ֥ה וּ/בֵין עֲזֵקָ֖ה בְּ/אֶ֥פֶס דַּמִּֽים־־־׃
STATEN

En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azéka, aan het einde van Dammim.

2
וְ/שָׁא֤וּל וְ/אִֽישׁ יִשְׂרָאֵל֙ נֶאֶסְפ֔וּ וַֽ/יַּחֲנ֖וּ בְּ/עֵ֣מֶק הָאֵלָ֑ה וַ/יַּעַרְכ֥וּ מִלְחָמָ֖ה לִ/קְרַ֥את פְּלִשְׁתִּֽים־׃
STATEN

Doch Saul en de mannen van Israël verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.

3
וּ/פְלִשְׁתִּ֞ים עֹמְדִ֤ים אֶל הָ/הָר֙ מִ/זֶּ֔ה וְ/יִשְׂרָאֵ֛ל עֹמְדִ֥ים אֶל הָ/הָ֖ר מִ/זֶּ֑ה וְ/הַ/גַּ֖יְא בֵּינֵי/הֶֽם־־׃
STATEN

De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israëlieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.

4
וַ/יֵּצֵ֤א אִֽישׁ הַ/בֵּנַ֨יִם֙ מִ/מַּחֲנ֣וֹת פְּלִשְׁתִּ֔ים גָּלְיָ֥ת שְׁמ֖/וֹ מִ/גַּ֑ת גָּבְה֕/וֹ שֵׁ֥שׁ אַמּ֖וֹת וָ/זָֽרֶת־׃
STATEN

Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.

5
וְ/כ֤וֹבַע נְחֹ֨שֶׁת֙ עַל רֹאשׁ֔/וֹ וְ/שִׁרְי֥וֹן קַשְׂקַשִּׂ֖ים ה֣וּא לָב֑וּשׁ וּ/מִשְׁקַל֙ הַ/שִּׁרְי֔וֹן חֲמֵשֶׁת אֲלָפִ֥ים שְׁקָלִ֖ים נְחֹֽשֶֽׁת־־׃
STATEN

En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;

6
וּ/מִצְחַ֥ת נְחֹ֖שֶׁת עַל רַגְלָ֑י/ו וְ/כִיד֥וֹן נְחֹ֖שֶׁת בֵּ֥ין כְּתֵפָֽי/ו־׃
STATEN

En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;

7
ו/חץ חֲנִית֗/וֹ כִּ/מְנוֹר֙ אֹֽרְגִ֔ים וְ/לַהֶ֣בֶת חֲנִית֔/וֹ שֵׁשׁ מֵא֥וֹת שְׁקָלִ֖ים בַּרְזֶ֑ל וְ/נֹשֵׂ֥א הַ/צִּנָּ֖ה הֹלֵ֥ךְ לְ/פָנָֽי/ו וְ/עֵ֣ץ־׃
STATEN

En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.

8
וַֽ/יַּעֲמֹ֗ד וַ/יִּקְרָא֙ אֶל מַעַרְכֹ֣ת יִשְׂרָאֵ֔ל וַ/יֹּ֣אמֶר לָ/הֶ֔ם לָ֥/מָּה תֵצְא֖וּ לַ/עֲרֹ֣ךְ מִלְחָמָ֑ה הֲ/ל֧וֹא אָנֹכִ֣י הַ/פְּלִשְׁתִּ֗י וְ/אַתֶּם֙ עֲבָדִ֣ים לְ/שָׁא֔וּל בְּרוּ לָ/כֶ֥ם אִ֖ישׁ וְ/יֵרֵ֥ד אֵלָֽ/י־־׃
STATEN

Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israël, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.

9
אִם יוּכַ֞ל לְ/הִלָּחֵ֤ם אִתִּ/י֙ וְ/הִכָּ֔/נִי וְ/הָיִ֥ינוּ לָ/כֶ֖ם לַ/עֲבָדִ֑ים וְ/אִם אֲנִ֤י אֽוּכַל ל/וֹ֙ וְ/הִכִּיתִ֔י/ו וִ/הְיִ֤יתֶם לָ֨/נוּ֙ לַ/עֲבָדִ֔ים וַ/עֲבַדְתֶּ֖ם אֹתָֽ/נוּ־־־׃
STATEN

Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen.

10
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ הַ/פְּלִשְׁתִּ֔י אֲנִ֗י חֵרַ֛פְתִּי אֶת מַעַרְכ֥וֹת יִשְׂרָאֵ֖ל הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה תְּנוּ לִ֣/י אִ֔ישׁ וְ/נִֽלָּחֲמָ֖ה יָֽחַד־־׃
STATEN

Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israël gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!

11
וַ/יִּשְׁמַ֤ע שָׁאוּל֙ וְ/כָל יִשְׂרָאֵ֔ל אֶת דִּבְרֵ֥י הַ/פְּלִשְׁתִּ֖י הָ/אֵ֑לֶּה וַ/יֵּחַ֥תּוּ וַ/יִּֽרְא֖וּ מְאֹֽד־־׃פ
STATEN

Toen Saul en het ganse Israël deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.

12
וְ/דָוִד֩ בֶּן אִ֨ישׁ אֶפְרָתִ֜י הַ/זֶּ֗ה מִ/בֵּ֥ית לֶ֨חֶם֙ יְהוּדָ֔ה וּ/שְׁמ֣/וֹ יִשַׁ֔י וְ/ל֖/וֹ שְׁמֹנָ֣ה בָנִ֑ים וְ/הָ/אִישׁ֙ בִּ/ימֵ֣י שָׁא֔וּל זָקֵ֖ן בָּ֥א בַ/אֲנָשִֽׁים־׃
STATEN

David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isaï, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Samuël 17

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Samuël 17 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →