Ga naar inhoud
NEVIIM

1 Samuël 22

שְׁמוּאֵל א
Hoofdstukken (31)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֵּ֤לֶךְ דָּוִד֙ מִ/שָּׁ֔ם וַ/יִּמָּלֵ֖ט אֶל מְעָרַ֣ת עֲדֻלָּ֑ם וַ/יִּשְׁמְע֤וּ אֶחָי/ו֙ וְ/כָל בֵּ֣ית אָבִ֔י/ו וַ/יֵּרְד֥וּ אֵלָ֖י/ו שָֽׁמָּ/ה־־׃
STATEN

Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broeders hoorden het, en het ganse huis zijns vaders, en kwamen derwaarts tot hem af.

2
וַ/יִּֽתְקַבְּצ֣וּ אֵ֠לָי/ו כָּל אִ֨ישׁ מָצ֜וֹק וְ/כָל אִ֨ישׁ אֲשֶׁר ל֤/וֹ נֹשֶׁא֙ וְ/כָל אִ֣ישׁ מַר נֶ֔פֶשׁ וַ/יְהִ֥י עֲלֵי/הֶ֖ם לְ/שָׂ֑ר וַ/יִּהְי֣וּ עִמּ֔/וֹ כְּ/אַרְבַּ֥ע מֵא֖וֹת אִֽישׁ־־־־־׃
STATEN

En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.

3
וַ/יֵּ֧לֶךְ דָּוִ֛ד מִ/שָּׁ֖ם מִצְפֵּ֣ה מוֹאָ֑ב וַ/יֹּ֣אמֶר אֶל מֶ֣לֶךְ מוֹאָ֗ב יֵֽצֵא נָ֞א אָבִ֤/י וְ/אִמִּ/י֙ אִתְּ/כֶ֔ם עַ֚ד אֲשֶׁ֣ר אֵדַ֔ע מַה יַּֽעֲשֶׂה לִּ֖/י אֱלֹהִֽים׀־־־־׃
STATEN

En David ging van daar naar Mizpa der Moabieten; en hij zeide tot den koning der Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.

4
וַ/יַּנְחֵ֕/ם אֶת פְּנֵ֖י מֶ֣לֶךְ מוֹאָ֑ב וַ/יֵּשְׁב֣וּ עִמּ֔/וֹ כָּל יְמֵ֥י הֱיוֹת דָּוִ֖ד בַּ/מְּצוּדָֽה־־־׃ס
STATEN

En hij bracht hen voor het aangezicht van den koning der Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de vesting was.

5
וַ/יֹּאמֶר֩ גָּ֨ד הַ/נָּבִ֜יא אֶל דָּוִ֗ד לֹ֤א תֵשֵׁב֙ בַּ/מְּצוּדָ֔ה לֵ֥ךְ וּ/בָֽאתָ לְּ/ךָ֖ אֶ֣רֶץ יְהוּדָ֑ה וַ/יֵּ֣לֶךְ דָּוִ֔ד וַ/יָּבֹ֖א יַ֥עַר חָֽרֶת־־׃ס
STATEN

Doch de profeet Gad zeide tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth.

6
וַ/יִּשְׁמַ֣ע שָׁא֔וּל כִּ֚י נוֹדַ֣ע דָּוִ֔ד וַ/אֲנָשִׁ֖ים אֲשֶׁ֣ר אִתּ֑/וֹ וְ/שָׁאוּל֩ יוֹשֵׁ֨ב בַּ/גִּבְעָ֜ה תַּֽחַת הָ/אֶ֤שֶׁל בָּֽ/רָמָה֙ וַ/חֲנִית֣/וֹ בְ/יָד֔/וֹ וְ/כָל עֲבָדָ֖י/ו נִצָּבִ֥ים עָלָֽי/ו־־׃
STATEN

En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat op een heuvel onder het geboomte te Rama, en hij had zijn spies in zijn hand, en al zijn knechten stonden bij hem.

7
וַ/יֹּ֣אמֶר שָׁא֗וּל לַֽ/עֲבָדָי/ו֙ הַ/נִּצָּבִ֣ים עָלָ֔י/ו שִׁמְעוּ נָ֖א בְּנֵ֣י יְמִינִ֑י גַּם לְ/כֻלְּ/כֶ֗ם יִתֵּ֤ן בֶּן יִשַׁי֙ שָׂד֣וֹת וּ/כְרָמִ֔ים לְ/כֻלְּ/כֶ֣ם יָשִׂ֔ים שָׂרֵ֥י אֲלָפִ֖ים וְ/שָׂרֵ֥י מֵאֽוֹת־־־׃
STATEN

Toen zeide Saul tot zijn knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, gij, zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen?

8
כִּי֩ קְשַׁרְתֶּ֨ם כֻּלְּ/כֶ֜ם עָלַ֗/י וְ/אֵין גֹּלֶ֤ה אֶת אָזְנִ/י֙ בִּ/כְרָת בְּנִ֣/י עִם בֶּן יִשַׁ֔י וְ/אֵין חֹלֶ֥ה מִ/כֶּ֛ם עָלַ֖/י וְ/גֹלֶ֣ה אֶת אָזְנִ֑/י כִּ֣י הֵקִים֩ בְּנִ֨/י אֶת עַבְדִּ֥/י עָלַ֛/י לְ/אֹרֵ֖ב כַּ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־־־־־־־־׃ס
STATEN

Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isaï; en niemand is onder ulieden, dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.

9
וַ/יַּ֜עַן דֹּאֵ֣ג הָ/אֲדֹמִ֗י וְ/ה֛וּא נִצָּ֥ב עַל עַבְדֵֽי שָׁא֖וּל וַ/יֹּאמַ֑ר רָאִ֨יתִי֙ אֶת בֶּן יִשַׁ֔י בָּ֣א נֹ֔בֶ/ה אֶל אֲחִימֶ֖לֶךְ בֶּן אֲחִטֽוּב־־־־־־׃
STATEN

Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimélech, den zoon van Ahítub;

10
וַ/יִּשְׁאַל ל/וֹ֙ בַּֽ/יהוָ֔ה וְ/צֵידָ֖ה נָ֣תַן ל֑/וֹ וְ/אֵ֗ת חֶ֛רֶב גָּלְיָ֥ת הַ/פְּלִשְׁתִּ֖י נָ֥תַן לֽ/וֹ־׃
STATEN

Die den HEERE voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, den Filistijn.

11
וַ/יִּשְׁלַ֣ח הַ/מֶּ֡לֶךְ לִ/קְרֹא֩ אֶת אֲחִימֶ֨לֶךְ בֶּן אֲחִיט֜וּב הַ/כֹּהֵ֗ן וְ/אֵ֨ת כָּל בֵּ֥ית אָבִ֛י/ו הַ/כֹּהֲנִ֖ים אֲשֶׁ֣ר בְּ/נֹ֑ב וַ/יָּבֹ֥אוּ כֻלָּ֖/ם אֶל הַ/מֶּֽלֶךְ־־־־׃ס
STATEN

Toen zond de koning heen, om den priester Achimélech, den zoon van Ahítub, te roepen, en zijns vaders ganse huis, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den koning.

12
וַ/יֹּ֣אמֶר שָׁא֔וּל שְֽׁמַֽע נָ֖א בֶּן אֲחִיט֑וּב וַ/יֹּ֖אמֶר הִנְ/נִ֥י אֲדֹנִֽ/י־־׃
STATEN

En Saul zeide: Hoor nu, gij, zoon van Ahítub! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn heer!

Op De Naamdragers

Blogs over 1 Samuël 22

Nog geen artikelen die specifiek naar 1 Samuël 22 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →