NEVIIM

1 Samuël 8

שְׁמוּאֵל א
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֕י כַּ/אֲשֶׁ֥ר זָקֵ֖ן שְׁמוּאֵ֑ל וַ/יָּ֧שֶׂם אֶת בָּנָ֛י/ו שֹׁפְטִ֖ים לְ/יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Het geschiedde nu, toen Samuël oud geworden was, zo stelde hij zijn zonen tot richters over Israël.

2
וַ/יְהִ֞י שֶׁם בְּנ֤/וֹ הַ/בְּכוֹר֙ יוֹאֵ֔ל וְ/שֵׁ֥ם מִשְׁנֵ֖/הוּ אֲבִיָּ֑ה שֹׁפְטִ֖ים בִּ/בְאֵ֥ר שָֽׁבַע
STATEN

De naam van zijn eerstgeborenen zoon nu was Joël, en de naam van zijn tweeden was Abía; zij waren richters te Ber-séba.

3
וְ/לֹֽא הָלְכ֤וּ בָנָי/ו֙ ב/דרכ/ו וַ/יִּטּ֖וּ אַחֲרֵ֣י הַ/בָּ֑צַע וַ/יִּ֨קְחוּ שֹׁ֔חַד וַ/יַּטּ֖וּ מִשְׁפָּֽט בִּ/דְרָכָ֔י/ו
STATEN

Doch zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken, en bogen het recht.

4
וַ/יִּֽתְקַבְּצ֔וּ כֹּ֖ל זִקְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יָּבֹ֥אוּ אֶל שְׁמוּאֵ֖ל הָ/רָמָֽתָ/ה
STATEN

Toen vergaderden zich alle oudsten van Israël, en zij kwamen tot Samuël te Rama;

5
וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלָ֗י/ו הִנֵּה֙ אַתָּ֣ה זָקַ֔נְתָּ וּ/בָנֶ֕י/ךָ לֹ֥א הָלְכ֖וּ בִּ/דְרָכֶ֑י/ךָ עַתָּ֗ה שִֽׂימָ/ה לָּ֥/נוּ מֶ֛לֶךְ לְ/שָׁפְטֵ֖/נוּ כְּ/כָל הַ/גּוֹיִֽם
STATEN

En zij zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben.

6
וַ/יֵּ֤רַע הַ/דָּבָר֙ בְּ/עֵינֵ֣י שְׁמוּאֵ֔ל כַּ/אֲשֶׁ֣ר אָמְר֔וּ תְּנָ/ה לָּ֥/נוּ מֶ֖לֶךְ לְ/שָׁפְטֵ֑/נוּ וַ/יִּתְפַּלֵּ֥ל שְׁמוּאֵ֖ל אֶל יְהוָֽה
STATEN

Maar dit woord was kwaad in de ogen van Samuël, als zij zeiden: Geef ons een koning, om ons te richten. En Samuël bad den HEERE aan.

7
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל שְׁמוּאֵ֔ל שְׁמַע֙ בְּ/ק֣וֹל הָ/עָ֔ם לְ/כֹ֥ל אֲשֶׁר יֹאמְר֖וּ אֵלֶ֑י/ךָ כִּ֣י לֹ֤א אֹֽתְ/ךָ֙ מָאָ֔סוּ כִּֽי אֹתִ֥/י מָאֲס֖וּ מִ/מְּלֹ֥ךְ עֲלֵי/הֶֽם
STATEN

Doch de HEERE zeide tot Samuël: Hoor naar de stem des volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn.

8
כְּ/כָֽל הַ/מַּעֲשִׂ֣ים אֲשֶׁר עָשׂ֗וּ מִ/יּוֹם֩ הַעֲלֹתִ֨/י אֹתָ֤/ם מִ/מִּצְרַ֨יִם֙ וְ/עַד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֔ה וַ/יַּ֣עַזְבֻ֔/נִי וַ/יַּעַבְד֖וּ אֱלֹהִ֣ים אֲחֵרִ֑ים כֵּ֛ן הֵ֥מָּה עֹשִׂ֖ים גַּם לָֽ/ךְ
STATEN

Naar al de werken, die zij gedaan hebben, van dien dag af, toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op dezen dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend; alzo doen zij u ook.

9
וְ/עַתָּ֖ה שְׁמַ֣ע בְּ/קוֹלָ֑/ם אַ֗ךְ כִּֽי הָעֵ֤ד תָּעִיד֙ בָּ/הֶ֔ם וְ/הִגַּדְתָּ֣ לָ/הֶ֔ם מִשְׁפַּ֣ט הַ/מֶּ֔לֶךְ אֲשֶׁ֥ר יִמְלֹ֖ךְ עֲלֵי/הֶֽם
STATEN

Hoor dan nu naar hun stem; doch als gij hen op het hoogste zult betuigd hebben, zo zult gij hen te kennen geven de wijze des konings, die over hen regeren zal.

10
וַ/יֹּ֣אמֶר שְׁמוּאֵ֔ל אֵ֖ת כָּל דִּבְרֵ֣י יְהוָ֑ה אֶל הָ/עָ֕ם הַ/שֹּׁאֲלִ֥ים מֵ/אִתּ֖/וֹ מֶֽלֶךְ
STATEN

Samuël nu zeide al de woorden des HEEREN het volk aan, hetwelk een koning van hem begeerde.

11
וַ/יֹּ֕אמֶר זֶ֗ה יִֽהְיֶה֙ מִשְׁפַּ֣ט הַ/מֶּ֔לֶךְ אֲשֶׁ֥ר יִמְלֹ֖ךְ עֲלֵי/כֶ֑ם אֶת בְּנֵי/כֶ֣ם יִקָּ֗ח וְ/שָׂ֥ם ל/וֹ֙ בְּ/מֶרְכַּבְתּ֣/וֹ וּ/בְ/פָרָשָׁ֔י/ו וְ/רָצ֖וּ לִ/פְנֵ֥י מֶרְכַּבְתּֽ/וֹ
STATEN

En zeide: Dit zal des konings wijze zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen henen lopen;

12
וְ/לָ/שׂ֣וּם ל֔/וֹ שָׂרֵ֥י אֲלָפִ֖ים וְ/שָׂרֵ֣י חֲמִשִּׁ֑ים וְ/לַ/חֲרֹ֤שׁ חֲרִישׁ/וֹ֙ וְ/לִ/קְצֹ֣ר קְצִיר֔/וֹ וְ/לַ/עֲשׂ֥וֹת כְּלֵֽי מִלְחַמְתּ֖/וֹ וּ/כְלֵ֥י רִכְבּֽ/וֹ
STATEN

En dat hij hen zich stelle tot oversten der duizenden, en tot oversten der vijftigen; en dat zij zijn akker ploegen, en dat zij zijn oogst oogsten, en dat zij zijn krijgswapenen maken, mitsgaders zijn wapentuig.

13
וְ/אֶת בְּנוֹתֵי/כֶ֖ם יִקָּ֑ח לְ/רַקָּח֥וֹת וּ/לְ/טַבָּח֖וֹת וּ/לְ/אֹפֽוֹת
STATEN

En uw dochteren zal hij nemen tot apothekeressen, en tot keukenmaagden, en tot baksters.

14
וְ/אֶת שְׂ֠דֽוֹתֵי/כֶם וְ/אֶת כַּרְמֵי/כֶ֧ם וְ/זֵיתֵי/כֶ֛ם הַ/טּוֹבִ֖ים יִקָּ֑ח וְ/נָתַ֖ן לַ/עֲבָדָֽי/ו
STATEN

En uw akkers, en uw wijngaarden, en uw olijfgaarden, die de beste zijn, zal hij nemen, en zal ze aan zijn knechten geven.

15
וְ/זַרְעֵי/כֶ֥ם וְ/כַרְמֵי/כֶ֖ם יַעְשֹׂ֑ר וְ/נָתַ֥ן לְ/סָרִיסָ֖י/ו וְ/לַ/עֲבָדָֽי/ו
STATEN

En uw zaad, en uw wijngaarden zal hij vertienen, en hij zal ze aan zijn hovelingen, en aan zijn knechten geven.

16
וְ/אֶת עַבְדֵי/כֶם֩ וְֽ/אֶת שִׁפְח֨וֹתֵי/כֶ֜ם וְ/אֶת בַּחוּרֵי/כֶ֧ם הַ/טּוֹבִ֛ים וְ/אֶת חֲמוֹרֵי/כֶ֖ם יִקָּ֑ח וְ/עָשָׂ֖ה לִ/מְלַאכְתּֽ/וֹ
STATEN

En hij zal uw knechten, en uw dienstmaagden, en uw beste jongelingen, en uw ezelen nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen.

17
צֹאנְ/כֶ֖ם יַעְשֹׂ֑ר וְ/אַתֶּ֖ם תִּֽהְיוּ ל֥/וֹ לַ/עֲבָדִֽים
STATEN

Hij zal uw kudden vertienen; en gij zult hem tot knechten zijn.

18
וּ/זְעַקְתֶּם֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֔וּא מִ/לִּ/פְנֵ֣י מַלְכְּ/כֶ֔ם אֲשֶׁ֥ר בְּחַרְתֶּ֖ם לָ/כֶ֑ם וְ/לֹֽא יַעֲנֶ֧ה יְהוָ֛ה אֶתְ/כֶ֖ם בַּ/יּ֥וֹם הַ/הֽוּא
STATEN

Gij zult wel te dien dage roepen, vanwege uw koning, dien gij u zult verkoren hebben, maar de HEERE zal u te dien dage niet verhoren.

19
וַ/יְמָאֲנ֣וּ הָ/עָ֔ם לִ/שְׁמֹ֖עַ בְּ/ק֣וֹל שְׁמוּאֵ֑ל וַ/יֹּאמְר֣וּ לֹּ֔א כִּ֥י אִם מֶ֖לֶךְ יִֽהְיֶ֥ה עָלֵֽי/נוּ
STATEN

Doch het volk weigerde Samuëls stem te horen; en zij zeiden: Neen, maar er zal een koning over ons zijn.

20
וְ/הָיִ֥ינוּ גַם אֲנַ֖חְנוּ כְּ/כָל הַ/גּוֹיִ֑ם וּ/שְׁפָטָ֤/נוּ מַלְכֵּ֨/נוּ֙ וְ/יָצָ֣א לְ/פָנֵ֔י/נוּ וְ/נִלְחַ֖ם אֶת מִלְחֲמֹתֵֽ/נוּ
STATEN

En wij zullen ook zijn gelijk al de volken; en onze koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren.

21
וַ/יִּשְׁמַ֣ע שְׁמוּאֵ֔ל אֵ֖ת כָּל דִּבְרֵ֣י הָ/עָ֑ם וַֽ/יְדַבְּרֵ֖/ם בְּ/אָזְנֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

Als Samuël al de woorden des volks gehoord had, zo sprak hij dezelve voor de oren des HEEREN.

22
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֤ה אֶל שְׁמוּאֵל֙ שְׁמַ֣ע בְּ/קוֹלָ֔/ם וְ/הִמְלַכְתָּ֥ לָ/הֶ֖ם מֶ֑לֶךְ וַ/יֹּ֤אמֶר שְׁמוּאֵל֙ אֶל אַנְשֵׁ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל לְכ֖וּ אִ֥ישׁ לְ/עִירֽ/וֹ
STATEN

De HEERE nu zeide tot Samuël: Hoor naar hun stem, en stel hun een koning. Toen zeide Samuël tot de mannen van Israël: Gaat heen, een iegelijk naar zijn stad.