EVANGELIES

Marcus 1

Κατὰ Μᾶρκον
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
αρχητουευαγγελιουιησουχριστουυιουτουθεου
STATEN

Het begin des Evangelies van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van God.

2
ωςγεγραπταιεντοιςπροφηταιςιδουεγωαποστελλωτοναγγελονμουπροπροσωπουσουοςκατασκευασειτηνοδονσουεμπροσθενσου
STATEN

Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zende Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.

3
φωνηβοωντοςεντηερημωετοιμασατετηνοδονκυριουευθειαςποιειτεταςτριβουςαυτου
STATEN

De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.

4
εγενετοιωαννηςβαπτιζωνεντηερημωκαικηρυσσωνβαπτισμαμετανοιαςειςαφεσιναμαρτιων
STATEN

Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.

5
καιεξεπορευετοπροςαυτονπασαηιουδαιαχωρακαιοιιεροσολυμιταικαιεβαπτιζοντοπαντεςεντωιορδανηποταμωυπαυτουεξομολογουμενοιταςαμαρτιαςαυτων
STATEN

En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.

6
ηνδειωαννηςενδεδυμενοςτριχαςκαμηλουκαιζωνηνδερματινηνπεριτηνοσφυναυτουκαιεσθιωνακριδαςκαιμελιαγριον
STATEN

En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilden honig.

7
καιεκηρυσσενλεγωνερχεταιοισχυροτεροςμουοπισωμουουουκειμιικανοςκυqαςλυσαιτονιμαντατωνυποδηματωναυτου
STATEN

En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden.

8
εγωμενεβαπτισαυμαςενυδατιαυτοςδεβαπτισειυμαςενπνευματιαγιω
STATEN

Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met den Heiligen Geest.

9
καιεγενετοενεκειναιςταιςημεραιςηλθενιησουςαποναζαρεθτηςγαλιλαιαςκαιεβαπτισθηυποιωαννουειςτονιορδανην
STATEN

En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Názareth, gelegen in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.

10
καιευθεωςαναβαινωναποτουυδατοςειδενσχιζομενουςτουςουρανουςκαιτοπνευμαωσειπεριστερανκαταβαινονεπαυτον
STATEN

En terstond, als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan, en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.

11
καιφωνηεγενετοεκτωνουρανωνσυειουιοςμουοαγαπητοςενωευδοκησα
STATEN

En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

12
καιευθυςτοπνευμααυτονεκβαλλειειςτηνερημον
STATEN

En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.

13
καιηνεκειεντηερημωημεραςτεσσαρακονταπειραζομενοςυποτουσατανακαιηνμετατωνθηριωνκαιοιαγγελοιδιηκονουναυτω
STATEN

En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.

14
μεταδετοπαραδοθηναιτονιωαννηνηλθενοιησουςειςτηνγαλιλαιανκηρυσσωντοευαγγελιοντηςβασιλειαςτουθεου
STATEN

En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods,

15
καιλεγωνοτιπεπληρωταιοκαιροςκαιηγγικενηβασιλειατουθεουμετανοειτεκαιπιστευετεεντωευαγγελιω
STATEN

En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.

16
περιπατωνδεπαρατηνθαλασσαντηςγαλιλαιαςειδενσιμωνακαιανδρεαντοναδελφοναυτουβαλλονταςαμφιβληστρονεντηθαλασσηησανγαραλιεις
STATEN

En wandelende bij de Galilése zee, zag Hij Simon en Andréas, zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);

17
καιειπεναυτοιςοιησουςδευτεοπισωμουκαιποιησωυμαςγενεσθαιαλιειςανθρωπων
STATEN

En Jezus zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal maken, dat gij vissers der mensen zult worden.

18
καιευθεωςαφεντεςταδικτυααυτωνηκολουθησαναυτω
STATEN

En zij, terstond hun netten verlatende, zijn Hem gevolgd.

19
καιπροβαςεκειθενολιγονειδενιακωβοντοντουζεβεδαιουκαιιωαννηντοναδελφοναυτουκαιαυτουςεντωπλοιωκαταρτιζονταςταδικτυα
STATEN

En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag Hij Jakobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder, en dezelven in het schip hun netten vermakende.

20
καιευθεωςεκαλεσεναυτουςκαιαφεντεςτονπατερααυτωνζεβεδαιονεντωπλοιωμετατωνμισθωτωναπηλθονοπισωαυτου
STATEN

En terstond riep Hij hen; en zij, latende hun vader Zebedéüs in het schip, met de huurlingen, zijn Hem nagevolgd.

21
καιεισπορευονταιειςκαπερναουμκαιευθεωςτοιςσαββασινεισελθωνειςτηνσυναγωγηνεδιδασκεν
STATEN

En zij kwamen binnen Kapérnaüm; en terstond op den sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij.

22
καιεξεπλησσοντοεπιτηδιδαχηαυτουηνγαρδιδασκωναυτουςωςεξουσιανεχωνκαιουχωςοιγραμματεις
STATEN

En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de schriftgeleerden.

23
καιηνεντησυναγωγηαυτωνανθρωποςενπνευματιακαθαρτωκαιανεκραξεν
STATEN

En er was in hun synagoge een mens, met een onreinen geest, en hij riep uit,

24
λεγωνεατιημινκαισοιιησουναζαρηνεηλθεςαπολεσαιημαςοιδασετιςειοαγιοςτουθεου
STATEN

Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazaréner, zijt Gij gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.

25
καιεπετιμησεναυτωοιησουςλεγωνφιμωθητικαιεξελθεεξαυτου
STATEN

En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga uit van hem.

26
καισπαραξαναυτοντοπνευματοακαθαρτονκαικραξανφωνημεγαληεξηλθενεξαυτου
STATEN

En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met een grote stem, ging uit van hem.

27
καιεθαμβηθησανπαντεςωστεσυζητεινπροςαυτουςλεγονταςτιεστιντουτοτιςηδιδαχηηκαινηαυτηοτικατεξουσιανκαιτοιςπνευμασιντοιςακαθαρτοιςεπιτασσεικαιυπακουουσιναυτω
STATEN

En zij werden allen verbaasd, zodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat Hij met macht ook den onreinen geesten gebiedt, en zij Hem gehoorzaam zijn!

28
εξηλθενδεηακοηαυτουευθυςειςοληντηνπεριχωροντηςγαλιλαιας
STATEN

En Zijn gerucht ging terstond uit, in het gehele omliggende land van Galiléa.

29
καιευθεωςεκτηςσυναγωγηςεξελθοντεςηλθονειςτηνοικιανσιμωνοςκαιανδρεουμεταιακωβουκαιιωαννου
STATEN

En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andréas, met Jakobus en Johannes.

30
ηδεπενθερασιμωνοςκατεκειτοπυρεσσουσακαιευθεωςλεγουσιναυτωπεριαυτης
STATEN

En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij Hem van haar.

31
καιπροσελθωνηγειρεναυτηνκρατησαςτηςχειροςαυτηςκαιαφηκεναυτηνοπυρετοςευθεωςκαιδιηκονειαυτοις
STATEN

En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.

32
οqιαςδεγενομενηςοτεεδυοηλιοςεφερονπροςαυτονπανταςτουςκακωςεχονταςκαιτουςδαιμονιζομενους
STATEN

Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.

33
καιηπολιςοληεπισυνηγμενηηνπροςτηνθυραν
STATEN

En de gehele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.

34
καιεθεραπευσενπολλουςκακωςεχονταςποικιλαιςνοσοιςκαιδαιμονιαπολλαεξεβαλενκαιουκηφιενλαλεινταδαιμονιαοτιηδεισαναυτον
STATEN

En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.

35
καιπρωιεννυχονλιανανασταςεξηλθενκαιαπηλθενειςερημοντοπονκακειπροσηυχετο
STATEN

En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging henen in een woeste plaats, en bad aldaar.

36
καικατεδιωξαναυτονοσιμωνκαιοιμεταυτου
STATEN

En Simon, en die met hem waren, zijn Hem nagevolgd.

37
καιευροντεςαυτονλεγουσιναυτωοτιπαντεςζητουσινσε
STATEN

En zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: Zij zoeken U allen.

38
καιλεγειαυτοιςαγωμενειςταςεχομεναςκωμοπολειςινακακεικηρυξωειςτουτογαρεξεληλυθα
STATEN

En Hij zeide tot hen: Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat Ik ook daar predike; want daartoe ben Ik uitgegaan.

39
καιηνκηρυσσωνενταιςσυναγωγαιςαυτωνειςοληντηνγαλιλαιανκαιταδαιμονιαεκβαλλων
STATEN

En Hij predikte in hun synagogen, door geheel Galiléa, en wierp de duivelen uit.

40
καιερχεταιπροςαυτονλεπροςπαρακαλωναυτονκαιγονυπετωναυτονκαιλεγωναυτωοτιεανθεληςδυνασαιμεκαθαρισαι
STATEN

En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

41
οδειησουςσπλαγχνισθειςεκτειναςτηνχειραηqατοαυτουκαιλεγειαυτωθελωκαθαρισθητι
STATEN

En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!

42
καιειποντοςαυτουευθεωςαπηλθεναπαυτουηλεπρακαιεκαθαρισθη
STATEN

En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.

43
καιεμβριμησαμενοςαυτωευθεωςεξεβαλεναυτον
STATEN

En als Hij hem strengelijk verboden had, deed Hij hem terstond van Zich gaan;

44
καιλεγειαυτωοραμηδενιμηδενειπηςαλλυπαγεσεαυτονδειξοντωιερεικαιπροσενεγκεπεριτουκαθαρισμουσουαπροσεταξενμωσηςειςμαρτυριοναυτοις
STATEN

En zeide tot hem: Zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

45
οδεεξελθωνηρξατοκηρυσσεινπολλακαιδιαφημιζειντονλογονωστεμηκετιαυτονδυνασθαιφανερωςειςπολινεισελθειναλλεξωενερημοιςτοποιςηνκαιηρχοντοπροςαυτονπανταχοθεν
STATEN

Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen, en dat woord te verbreiden, alzo dat Hij niet meer openbaar in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot Hem van alle kanten.