EVANGELIES

Marcus 15

Κατὰ Μᾶρκον
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
καιευθεωςεπιτοπρωισυμβουλιονποιησαντεςοιαρχιερειςμετατωνπρεσβυτερωνκαιγραμματεωνκαιολοντοσυνεδριονδησαντεςτονιησουναπηνεγκανκαιπαρεδωκαντωπιλατω
STATEN

En terstond, des morgens vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met de ouderlingen en schriftgeleerden, en den gehelen raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen, en gaven Hem aan Pilatus over.

2
καιεπηρωτησεναυτονοπιλατοςσυειοβασιλευςτωνιουδαιωνοδεαποκριθειςειπεναυτωσυλεγεις
STATEN

En Pilatus vraagde Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordende, zeide tot hem: Gij zegt het.

3
καικατηγορουναυτουοιαρχιερειςπολλααυτοςδεουδεναπεκρινατο
STATEN

En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets.

4
οδεπιλατοςπαλινεπηρωτησεναυτονλεγωνουκαποκρινηουδενιδεποσασουκαταμαρτυρουσιν
STATEN

En Pilatus vraagde Hem wederom, zeggende: Antwoordt Gij niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U getuigen!

5
οδειησουςουκετιουδεναπεκριθηωστεθαυμαζειντονπιλατον
STATEN

En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.

6
καταδεεορτηναπελυεναυτοιςεναδεσμιονονπερητουντο
STATEN

En op het feest liet hij hun een gevangene los, wien zij ook begeerden.

7
ηνδεολεγομενοςβαραββαςμετατωνσυστασιαστωνδεδεμενοςοιτινεςεντηστασειφονονπεποιηκεισαν
STATEN

En er was een, genaamd Bar-abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had.

8
καιαναβοησαςοοχλοςηρξατοαιτεισθαικαθωςαειεποιειαυτοις
STATEN

En de schare riep uit, en begon te begeren, dat hij deed, gelijk hij hun altijd gedaan had.

9
οδεπιλατοςαπεκριθηαυτοιςλεγωνθελετεαπολυσωυμιντονβασιλεατωνιουδαιων
STATEN

En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij, dat ik u den Koning der Joden loslate?

10
εγινωσκενγαροτιδιαφθονονπαραδεδωκεισαναυτονοιαρχιερεις
STATEN

(Want hij wist, dat de overpriesters Hem door nijd overgeleverd hadden.)

11
οιδεαρχιερειςανεσεισαντονοχλονιναμαλλοντονβαραββαναπολυσηαυτοις
STATEN

Maar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Bar-abbas zou loslaten.

12
οδεπιλατοςαποκριθειςπαλινειπεναυτοιςτιουνθελετεποιησωονλεγετεβασιλεατωνιουδαιων
STATEN

En Pilatus, antwoordende, zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan, dat ik met Hem doen zal, Dien gij een Koning der Joden noemt?

13
οιδεπαλινεκραξανσταυρωσοναυτον
STATEN

En zij riepen wederom: Kruis Hem.

14
οδεπιλατοςελεγεναυτοιςτιγαρκακονεποιησενοιδεπερισσοτερωςεκραξανσταυρωσοναυτον
STATEN

Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem!

15
οδεπιλατοςβουλομενοςτωοχλωτοικανονποιησαιαπελυσεναυτοιςτονβαραββανκαιπαρεδωκεντονιησουνφραγελλωσαςινασταυρωθη
STATEN

Pilatus nu, willende der schare genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden.

16
οιδεστρατιωταιαπηγαγοναυτονεσωτηςαυληςοεστινπραιτωριονκαισυγκαλουσινοληντηνσπειραν
STATEN

En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de ganse bende samen;

17
καιενδυουσιναυτονπορφυρανκαιπεριτιθεασιναυτωπλεξαντεςακανθινονστεφανον
STATEN

En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op;

18
καιηρξαντοασπαζεσθαιαυτονχαιρεβασιλευτωνιουδαιων
STATEN

En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!

19
καιετυπτοναυτουτηνκεφαληνκαλαμωκαιενεπτυοναυτωκαιτιθεντεςταγοναταπροσεκυνουναυτω
STATEN

En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieën, aanbaden Hem.

20
καιοτεενεπαιξαναυτωεξεδυσαναυτοντηνπορφυρανκαιενεδυσαναυτονταιματιαταιδιακαιεξαγουσιναυτονινασταυρωσωσιναυτον
STATEN

En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen klederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen.

21
καιαγγαρευουσινπαραγοντατινασιμωνακυρηναιονερχομενοναπαγρουτονπατερααλεξανδρουκαιρουφουινααρητονσταυροναυτου
STATEN

En zij dwongen een Simon van Cyréne, die daar voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.

22
καιφερουσιναυτονεπιγολγοθατοπονοεστινμεθερμηνευομενονκρανιουτοπος
STATEN

En zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is, overgezet zijnde, Hoofdschedelplaats.

23
καιεδιδουναυτωπιεινεσμυρνισμενονοινονοδεουκελαβεν
STATEN

En zij gaven Hem gemirreden wijn te drinken; maar Hij nam dien niet.

24
καισταυρωσαντεςαυτονδιεμεριζονταιματιααυτουβαλλοντεςκληρονεπαυτατιςτιαρη
STATEN

En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zou.

25
ηνδεωρατριτηκαιεσταυρωσαναυτον
STATEN

En het was de derde ure, en zij kruisigden Hem.

26
καιηνηεπιγραφητηςαιτιαςαυτουεπιγεγραμμενηοβασιλευςτωνιουδαιων
STATEN

En het opschrift Zijner beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING DER JODEN.

27
καισυναυτωσταυρουσινδυολησταςεναεκδεξιωνκαιεναεξευωνυμωναυτου
STATEN

En zij kruisigden met Hem twee moordenaars, een aan Zijn rechter-, en een aan Zijn linkerzijde.

28
καιεπληρωθηηγραφηηλεγουσακαιμεταανομωνελογισθη
STATEN

En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.

29
καιοιπαραπορευομενοιεβλασφημουναυτονκινουντεςταςκεφαλαςαυτωνκαιλεγοντεςουαοκαταλυωντονναονκαιεντρισινημεραιςοικοδομων
STATEN

En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha! Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt,

30
σωσονσεαυτονκαικαταβααποτουσταυρου
STATEN

Behoud Uzelven, en kom af van het kruis.

31
ομοιωςδεκαιοιαρχιερειςεμπαιζοντεςπροςαλληλουςμετατωνγραμματεωνελεγοναλλουςεσωσενεαυτονουδυναταισωσαι
STATEN

En insgelijks ook de overpriesters, met de schriftgeleerden, zeiden tot elkander, al spottende: Hij heeft anderen verlost; Zichzelven kan Hij niet verlossen.

32
οχριστοςοβασιλευςτουισραηλκαταβατωνυναποτουσταυρουιναιδωμενκαιπιστευσωμενκαιοισυνεσταυρωμενοιαυτωωνειδιζοναυτον
STATEN

De Christus, de Koning Israëls, kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en geloven mogen. Ook die met Hem gekruist waren, smaadden Hem.

33
γενομενηςδεωραςεκτηςσκοτοςεγενετοεφοληντηνγηνεωςωραςεννατης
STATEN

En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.

34
καιτηωρατηεννατηεβοησενοιησουςφωνημεγαληλεγωνελωιελωιλαμμασαβαχθανιοεστινμεθερμηνευομενονοθεοςμουοθεοςμουειςτιμεεγκατελιπες
STATEN

En ter negender ure, riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELOÏ, ELOÏ, LAMMA SABACHTANI, hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?

35
καιτινεςτωνπαρεστηκοτωνακουσαντεςελεγονιδουηλιανφωνει
STATEN

En sommigen van die daarbij stonden, dit horende, zeiden: Ziet, Hij roept Elías.

36
δραμωνδεειςκαιγεμισαςσπογγονοξουςπεριθειςτεκαλαμωεποτιζεναυτονλεγωναφετειδωμενειερχεταιηλιαςκαθελειναυτον
STATEN

En er liep een, en vulde een spons met edik, en stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien, of Elías komt, om Hem af te nemen.

37
οδειησουςαφειςφωνηνμεγαληνεξεπνευσεν
STATEN

En Jezus, een grote stem van Zich gegeven hebbende, gaf den geest.

38
καιτοκαταπετασματουναουεσχισθηειςδυοαποανωθενεωςκατω
STATEN

En het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden.

39
ιδωνδεοκεντυριωνοπαρεστηκωςεξεναντιαςαυτουοτιουτωςκραξαςεξεπνευσενειπεναληθωςοανθρωποςουτοςυιοςηνθεου
STATEN

En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende, dat Hij alzo roepende den geest gegeven had, zeide: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon!

40
ησανδεκαιγυναικεςαπομακροθενθεωρουσαιεναιςηνκαιμαριαημαγδαληνηκαιμαριαητουιακωβουτουμικρουκαιιωσημητηρκαισαλωμη
STATEN

En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus, den kleine, en van Joses, en Salóme;

41
αικαιοτεηνεντηγαλιλαιαηκολουθουναυτωκαιδιηκονουναυτωκαιαλλαιπολλαιαισυναναβασαιαυτωειςιεροσολυμα
STATEN

Welke ook, toen Hij in Galiléa was, Hem waren gevolgd, en Hem gediend hadden; en vele andere vrouwen, die met Hem naar Jeruzalem opgekomen waren.

42
καιηδηοqιαςγενομενηςεπειηνπαρασκευηοεστινπροσαββατον
STATEN

En als het nu avond was geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat;

43
ηλθενιωσηφοαποαριμαθαιαςευσχημωνβουλευτηςοςκαιαυτοςηνπροσδεχομενοςτηνβασιλειαντουθεουτολμησαςεισηλθενπροςπιλατονκαιητησατοτοσωματουιησου
STATEN

Kwam Jozef, die van Arimathéa was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.

44
οδεπιλατοςεθαυμασενειηδητεθνηκενκαιπροσκαλεσαμενοςτονκεντυριωναεπηρωτησεναυτονειπαλαιαπεθανεν
STATEN

En Pilatus verwonderde zich, dat Hij alrede gestorven was; en den hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem, of Hij lang gestorven was.

45
καιγνουςαποτουκεντυριωνοςεδωρησατοτοσωματωιωσηφ
STATEN

En als hij het van den hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam.

46
καιαγορασαςσινδονακαικαθελωναυτονενειλησεντησινδονικαικατεθηκεναυτονενμνημειωοηνλελατομημενονεκπετραςκαιπροσεκυλισενλιθονεπιτηνθυραντουμνημειου
STATEN

En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en legde Hem in een graf, hetwelk uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur des grafs.

47
ηδεμαριαημαγδαληνηκαιμαριαιωσηεθεωρουνπουτιθεται
STATEN

En Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden, waar Hij gelegd werd.