EVANGELIES

Marcus 5

Κατὰ Μᾶρκον
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
καιηλθονειςτοπεραντηςθαλασσηςειςτηνχωραντωνγαδαρηνων
STATEN

En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarénen.

2
καιεξελθοντιαυτωεκτουπλοιουευθεωςαπηντησεναυτωεκτωνμνημειωνανθρωποςενπνευματιακαθαρτω
STATEN

En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest;

3
οςτηνκατοικησινειχενεντοιςμνημειοιςκαιουτεαλυσεσινουδειςηδυνατοαυτονδησαι
STATEN

Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.

4
διατοαυτονπολλακιςπεδαιςκαιαλυσεσινδεδεσθαικαιδιεσπασθαιυπαυτουταςαλυσειςκαιταςπεδαςσυντετριφθαικαιουδειςαυτονισχυενδαμασαι
STATEN

Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.

5
καιδιαπαντοςνυκτοςκαιημεραςεντοιςορεσινκαιεντοιςμνημασινηνκραζωνκαικατακοπτωνεαυτονλιθοις
STATEN

En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.

6
ιδωνδετονιησουναπομακροθενεδραμενκαιπροσεκυνησεναυτω
STATEN

Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.

7
καικραξαςφωνημεγαληειπεντιεμοικαισοιιησουυιετουθεουτουυqιστουορκιζωσετονθεονμημεβασανισης
STATEN

En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!

8
ελεγενγαραυτωεξελθετοπνευματοακαθαρτονεκτουανθρωπου
STATEN

(Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!)

9
καιεπηρωτααυτοντισοιονομακαιαπεκριθηλεγωνλεγεωνονομαμοιοτιπολλοιεσμεν
STATEN

En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.

10
καιπαρεκαλειαυτονπολλαιναμηαυτουςαποστειληεξωτηςχωρας
STATEN

En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.

11
ηνδεεκειπροςταορηαγεληχοιρωνμεγαληβοσκομενη
STATEN

En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende.

12
καιπαρεκαλεσαναυτονπαντεςοιδαιμονεςλεγοντεςπεμqονημαςειςτουςχοιρουςιναειςαυτουςεισελθωμεν
STATEN

En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.

13
καιεπετρεqεναυτοιςευθεωςοιησουςκαιεξελθονταταπνευματαταακαθαρταεισηλθονειςτουςχοιρουςκαιωρμησενηαγεληκατατουκρημνουειςτηνθαλασσανησανδεωςδισχιλιοικαιεπνιγοντοεντηθαλασση
STATEN

En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee.

14
οιδεβοσκοντεςτουςχοιρουςεφυγονκαιανηγγειλανειςτηνπολινκαιειςτουςαγρουςκαιεξηλθονιδειντιεστιντογεγονος
STATEN

En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was.

15
καιερχονταιπροςτονιησουνκαιθεωρουσιντονδαιμονιζομενονκαθημενονκαιιματισμενονκαισωφρονουντατονεσχηκοτατονλεγεωνακαιεφοβηθησαν
STATEN

En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.

16
καιδιηγησαντοαυτοιςοιιδοντεςπωςεγενετοτωδαιμονιζομενωκαιπεριτωνχοιρων
STATEN

En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen.

17
καιηρξαντοπαρακαλειναυτοναπελθειναποτωνοριωναυτων
STATEN

En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.

18
καιεμβαντοςαυτουειςτοπλοιονπαρεκαλειαυτονοδαιμονισθειςιναημεταυτου
STATEN

En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.

19
οδειησουςουκαφηκεναυτοναλλαλεγειαυτωυπαγεειςτονοικονσουπροςτουςσουςκαιαναγγειλοναυτοιςοσασοιοκυριοςεποιησενκαιηλεησενσε
STATEN

Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft.

20
καιαπηλθενκαιηρξατοκηρυσσεινεντηδεκαπολειοσαεποιησεναυτωοιησουςκαιπαντεςεθαυμαζον
STATEN

En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekápolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.

21
καιδιαπερασαντοςτουιησουεντωπλοιωπαλινειςτοπερανσυνηχθηοχλοςπολυςεπαυτονκαιηνπαρατηνθαλασσαν
STATEN

En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.

22
καιιδουερχεταιειςτωναρχισυναγωγωνονοματιιαειροςκαιιδωναυτονπιπτειπροςτουςποδαςαυτου
STATEN

En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,

23
καιπαρεκαλειαυτονπολλαλεγωνοτιτοθυγατριονμουεσχατωςεχειιναελθωνεπιθηςαυτηταςχειραςοπωςσωθηκαιζησεται
STATEN

En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.

24
καιαπηλθενμεταυτουκαιηκολουθειαυτωοχλοςπολυςκαισυνεθλιβοναυτον
STATEN

En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.

25
καιγυνητιςουσαενρυσειαιματοςετηδωδεκα
STATEN

En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,

26
καιπολλαπαθουσαυποπολλωνιατρωνκαιδαπανησασαταπαρεαυτηςπαντακαιμηδενωφεληθεισααλλαμαλλονειςτοχειρονελθουσα
STATEN

En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;

27
ακουσασαπεριτουιησουελθουσαεντωοχλωοπισθενηqατοτουιματιουαυτου
STATEN

Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan;

28
ελεγενγαροτικαντωνιματιωναυτουαqωμαισωθησομαι
STATEN

Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.

29
καιευθεωςεξηρανθηηπηγητουαιματοςαυτηςκαιεγνωτωσωματιοτιιαταιαποτηςμαστιγος
STATEN

En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.

30
καιευθεωςοιησουςεπιγνουςενεαυτωτηνεξαυτουδυναμινεξελθουσανεπιστραφειςεντωοχλωελεγεντιςμουηqατοτωνιματιων
STATEN

En terstond Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?

31
καιελεγοναυτωοιμαθηταιαυτουβλεπειςτονοχλονσυνθλιβοντασεκαιλεγειςτιςμουηqατο
STATEN

En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?

32
καιπεριεβλεπετοιδειντηντουτοποιησασαν
STATEN

En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.

33
ηδεγυνηφοβηθεισακαιτρεμουσαειδυιαογεγονενεπαυτηηλθενκαιπροσεπεσεναυτωκαιειπεναυτωπασαντηναληθειαν
STATEN

En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.

34
οδεειπεναυτηθυγατερηπιστιςσουσεσωκενσευπαγεειςειρηνηνκαιισθιυγιηςαποτηςμαστιγοςσου
STATEN

En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.

35
ετιαυτουλαλουντοςερχονταιαποτουαρχισυναγωγουλεγοντεςοτιηθυγατηρσουαπεθανεντιετισκυλλειςτονδιδασκαλον
STATEN

Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?

36
οδειησουςευθεωςακουσαςτονλογονλαλουμενονλεγειτωαρχισυναγωγωμηφοβουμονονπιστευε
STATEN

En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.

37
καιουκαφηκενουδενααυτωσυνακολουθησαιειμηπετρονκαιιακωβονκαιιωαννηντοναδελφονιακωβου
STATEN

En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus;

38
καιερχεταιειςτονοικοντουαρχισυναγωγουκαιθεωρειθορυβονκαικλαιονταςκαιαλαλαζονταςπολλα
STATEN

En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden.

39
καιεισελθωνλεγειαυτοιςτιθορυβεισθεκαικλαιετετοπαιδιονουκαπεθανεναλλακαθευδει
STATEN

En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.

40
καικατεγελωναυτουοδεεκβαλωναπανταςπαραλαμβανειτονπατερατουπαιδιουκαιτηνμητερακαιτουςμεταυτουκαιεισπορευεταιοπουηντοπαιδιονανακειμενον
STATEN

En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.

41
καικρατησαςτηςχειροςτουπαιδιουλεγειαυτηταλιθακουμιοεστινμεθερμηνευομενοντοκορασιονσοιλεγωεγειραι
STATEN

En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talítha kûmi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.

42
καιευθεωςανεστητοκορασιονκαιπεριεπατειηνγαρετωνδωδεκακαιεξεστησανεκστασειμεγαλη
STATEN

En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.

43
καιδιεστειλατοαυτοιςπολλαιναμηδειςγνωτουτοκαιειπενδοθηναιαυτηφαγειν
STATEN

En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.