EVANGELIES

Marcus 6

Κατὰ Μᾶρκον
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
καιεξηλθενεκειθενκαιηλθενειςτηνπατριδααυτουκαιακολουθουσιναυτωοιμαθηταιαυτου
STATEN

En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.

2
καιγενομενουσαββατουηρξατοεντησυναγωγηδιδασκεινκαιπολλοιακουοντεςεξεπλησσοντολεγοντεςποθεντουτωταυτακαιτιςησοφιαηδοθεισααυτωοτικαιδυναμειςτοιαυταιδιατωνχειρωναυτουγινονται
STATEN

En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?

3
ουχουτοςεστινοτεκτωνουιοςμαριαςαδελφοςδειακωβουκαιιωσηκαιιουδακαισιμωνοςκαιουκεισιναιαδελφαιαυτουωδεπροςημαςκαιεσκανδαλιζοντοεναυτω
STATEN

Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geërgerd.

4
ελεγενδεαυτοιςοιησουςοτιουκεστινπροφητηςατιμοςειμηεντηπατριδιαυτουκαιεντοιςσυγγενεσινκαιεντηοικιααυτου
STATEN

En Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijn magen, en in zijn huis.

5
καιουκηδυνατοεκειουδεμιανδυναμινποιησαιειμηολιγοιςαρρωστοιςεπιθειςταςχειραςεθεραπευσεν
STATEN

En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen.

6
καιεθαυμαζενδιατηναπιστιαναυτωνκαιπεριηγενταςκωμαςκυκλωδιδασκων
STATEN

En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lerende.

7
καιπροσκαλειταιτουςδωδεκακαιηρξατοαυτουςαποστελλεινδυοδυοκαιεδιδουαυτοιςεξουσιαντωνπνευματωντωνακαθαρτων
STATEN

En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.

8
καιπαρηγγειλεναυτοιςιναμηδεναιρωσινειςοδονειμηραβδονμονονμηπηρανμηαρτονμηειςτηνζωνηνχαλκον
STATEN

En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel;

9
αλλυποδεδεμενουςσανδαλιακαιμηενδυσασθαιδυοχιτωνας
STATEN

Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn.

10
καιελεγεναυτοιςοπουεανεισελθητεειςοικιανεκειμενετεεωςανεξελθητεεκειθεν
STATEN

En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat gij van daar uitgaat.

11
καιοσοιανμηδεξωνταιυμαςμηδεακουσωσινυμωνεκπορευομενοιεκειθενεκτιναξατετονχουντονυποκατωτωνποδωνυμωνειςμαρτυριοναυτοιςαμηνλεγωυμινανεκτοτερονεσταισοδομοιςηγομορροιςενημερακρισεωςητηπολειεκεινη
STATEN

En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sódom en Gomórra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.

12
καιεξελθοντεςεκηρυσσονιναμετανοησωσιν
STATEN

En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren.

13
καιδαιμονιαπολλαεξεβαλλονκαιηλειφονελαιωπολλουςαρρωστουςκαιεθεραπευον
STATEN

En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond.

14
καιηκουσενοβασιλευςηρωδηςφανερονγαρεγενετοτοονομααυτουκαιελεγενοτιιωαννηςοβαπτιζωνεκνεκρωνηγερθηκαιδιατουτοενεργουσιναιδυναμειςεναυτω
STATEN

En de koning Heródes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zeide: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.

15
αλλοιελεγονοτιηλιαςεστιναλλοιδεελεγονοτιπροφητηςεστινηωςειςτωνπροφητων
STATEN

Anderen zeiden: Hij is Elías; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een der profeten.

16
ακουσαςδεοηρωδηςειπενοτιονεγωαπεκεφαλισαιωαννηνουτοςεστιναυτοςηγερθηεκνεκρων
STATEN

Maar als het Heródes hoorde, zeide hij: Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt.

17
αυτοςγαροηρωδηςαποστειλαςεκρατησεντονιωαννηνκαιεδησεναυτονεντηφυλακηδιαηρωδιαδατηνγυναικαφιλιππουτουαδελφουαυτουοτιαυτηνεγαμησεν
STATEN

Want dezelve Heródes, enigen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Heródias, de huisvrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.

18
ελεγενγαροιωαννηςτωηρωδηοτιουκεξεστινσοιεχειντηνγυναικατουαδελφουσου
STATEN

Want Johannes zeide tot Heródes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.

19
ηδεηρωδιαςενειχεναυτωκαιηθελεναυτοναποκτειναικαιουκηδυνατο
STATEN

En Heródias legde op hem toe; en wilde hem doden, en konde niet;

20
ογαρηρωδηςεφοβειτοτονιωαννηνειδωςαυτονανδραδικαιονκαιαγιονκαισυνετηρειαυτονκαιακουσαςαυτουπολλαεποιεικαιηδεωςαυτουηκουεν
STATEN

Want Heródes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne.

21
καιγενομενηςημεραςευκαιρουοτεηρωδηςτοιςγενεσιοιςαυτουδειπνονεποιειτοιςμεγιστασιναυτουκαιτοιςχιλιαρχοιςκαιτοιςπρωτοιςτηςγαλιλαιας
STATEN

En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Heródes, op den dag zijner geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galiléa;

22
καιεισελθουσηςτηςθυγατροςαυτηςτηςηρωδιαδοςκαιορχησαμενηςκαιαρεσασηςτωηρωδηκαιτοιςσυνανακειμενοιςειπενοβασιλευςτωκορασιωαιτησονμεοεανθεληςκαιδωσωσοι
STATEN

En als de dochter van dezelve Heródias inkwam, en danste, en Heródes en dengenen, die mede aanzaten, behaagde, zo zeide de koning tot het dochtertje: Eis van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.

23
καιωμοσεναυτηοτιοεανμεαιτησηςδωσωσοιεωςημισουςτηςβασιλειαςμου
STATEN

En hij zwoer haar: Zo wat gij van mij zult eisen, zal ik u geven, ook tot de helft mijns koninkrijks!

24
ηδεεξελθουσαειπεντημητριαυτηςτιαιτησομαιηδεειπεντηνκεφαληνιωαννουτουβαπτιστου
STATEN

En zij, uitgegaan zijnde, zeide tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Doper.

25
καιεισελθουσαευθεωςμετασπουδηςπροςτονβασιλεαητησατολεγουσαθελωιναμοιδωςεξαυτηςεπιπινακιτηνκεφαληνιωαννουτουβαπτιστου
STATEN

En zij, terstond met haast ingaande tot den koning, heeft het geëist, zeggende: Ik wil, dat gij mij nu terstond, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes den Doper.

26
καιπεριλυποςγενομενοςοβασιλευςδιατουςορκουςκαιτουςσυνανακειμενουςουκηθελησεναυτηναθετησαι
STATEN

En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eden, en degenen, die mede aanzaten, wilde hij haar hetzelve niet afslaan.

27
καιευθεωςαποστειλαςοβασιλευςσπεκουλατωραεπεταξενενεχθηναιτηνκεφαληναυτου
STATEN

En de koning zond terstond een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;

28
οδεαπελθωναπεκεφαλισεναυτονεντηφυλακηκαιηνεγκεντηνκεφαληναυτουεπιπινακικαιεδωκεναυτηντωκορασιωκαιτοκορασιονεδωκεναυτηντημητριαυτης
STATEN

En bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelve het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelve harer moeder.

29
καιακουσαντεςοιμαθηταιαυτουηλθονκαιηραντοπτωμααυτουκαιεθηκαναυτοενμνημειω
STATEN

En als zijn discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en legden dat in een graf.

30
καισυναγονταιοιαποστολοιπροςτονιησουνκαιαπηγγειλαναυτωπαντακαιοσαεποιησανκαιοσαεδιδαξαν
STATEN

En de apostelen kwamen weder te zamen tot Jezus, en boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden, en wat zij geleerd hadden.

31
καιειπεναυτοιςδευτευμειςαυτοικατιδιανειςερημοντοπονκαιαναπαυεσθεολιγονησανγαροιερχομενοικαιοιυπαγοντεςπολλοικαιουδεφαγεινηυκαιρουν
STATEN

En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.

32
καιαπηλθονειςερημοντοποντωπλοιωκατιδιαν
STATEN

En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats, alleen.

33
καιειδοναυτουςυπαγονταςοιοχλοικαιεπεγνωσαναυτονπολλοικαιπεζηαποπασωντωνπολεωνσυνεδραμονεκεικαιπροηλθοναυτουςκαισυνηλθονπροςαυτον
STATEN

En de scharen zagen hen heenvaren, en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun voor, en gingen samen tot Hem.

34
καιεξελθωνειδενοιησουςπολυνοχλονκαιεσπλαγχνισθηεπαυτοιςοτιησανωςπροβαταμηεχονταποιμενακαιηρξατοδιδασκειναυτουςπολλα
STATEN

En Jezus, uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.

35
καιηδηωραςπολληςγενομενηςπροσελθοντεςαυτωοιμαθηταιαυτουλεγουσινοτιερημοςεστινοτοποςκαιηδηωραπολλη
STATEN

En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag;

36
απολυσοναυτουςινααπελθοντεςειςτουςκυκλωαγρουςκαικωμαςαγορασωσινεαυτοιςαρτουςτιγαρφαγωσινουκεχουσιν
STATEN

Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broden voor zichzelven mogen kopen; want zij hebben niet, wat zij eten zullen.

37
οδεαποκριθειςειπεναυτοιςδοτεαυτοιςυμειςφαγεινκαιλεγουσιναυτωαπελθοντεςαγορασωμενδιακοσιωνδηναριωναρτουςκαιδωμεναυτοιςφαγειν
STATEN

Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven?

38
οδελεγειαυτοιςποσουςαρτουςεχετευπαγετεκαιιδετεκαιγνοντεςλεγουσινπεντεκαιδυοιχθυας
STATEN

En Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat heen en beziet het. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.

39
καιεπεταξεναυτοιςανακλιναιπανταςσυμποσιασυμποσιαεπιτωχλωρωχορτω
STATEN

En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nederzitten bij waardschappen, op het groene gras.

40
καιανεπεσονπρασιαιπρασιαιαναεκατονκαιαναπεντηκοντα
STATEN

En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen.

41
καιλαβωντουςπεντεαρτουςκαιτουςδυοιχθυαςαναβλεqαςειςτονουρανονευλογησενκαικατεκλασεντουςαρτουςκαιεδιδουτοιςμαθηταιςαυτουιναπαραθωσιναυτοιςκαιτουςδυοιχθυαςεμερισενπασιν
STATEN

En als Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, zag Hij op naar den hemel, zegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen.

42
καιεφαγονπαντεςκαιεχορτασθησαν
STATEN

En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden.

43
καιηρανκλασματωνδωδεκακοφινουςπληρειςκαιαποτωνιχθυων
STATEN

En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de vissen.

44
καιησανοιφαγοντεςτουςαρτουςωσειπεντακισχιλιοιανδρες
STATEN

En die daar de broden gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen.

45
καιευθεωςηναγκασεντουςμαθηταςαυτουεμβηναιειςτοπλοιονκαιπροαγεινειςτοπερανπροςβηθσαιδαεωςαυτοςαπολυσητονοχλον
STATEN

En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor henen te varen aan de andere zijde tegenover Bethsáïda, terwijl Hij de schare van Zich zou laten.

46
καιαποταξαμενοςαυτοιςαπηλθενειςτοοροςπροσευξασθαι
STATEN

En als Hij aan dezelve hun afscheid gegeven had, ging Hij op den berg om te bidden.

47
καιοqιαςγενομενηςηντοπλοιονενμεσωτηςθαλασσηςκαιαυτοςμονοςεπιτηςγης
STATEN

En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land.

48
καιειδεναυτουςβασανιζομενουςεντωελαυνεινηνγαροανεμοςεναντιοςαυτοιςκαιπεριτεταρτηνφυλακηντηςνυκτοςερχεταιπροςαυτουςπεριπατωνεπιτηςθαλασσηςκαιηθελενπαρελθειναυτους
STATEN

En Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om het schip voort te krijgen; want de wind was hun tegen; en omtrent de vierde wake des nachts, kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan.

49
οιδειδοντεςαυτονπεριπατουνταεπιτηςθαλασσηςεδοξανφαντασμαειναικαιανεκραξαν
STATEN

En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden, dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer;

50
παντεςγαραυτονειδονκαιεταραχθησανκαιευθεωςελαλησενμεταυτωνκαιλεγειαυτοιςθαρσειτεεγωειμιμηφοβεισθε
STATEN

Want zij zagen Hem allen, en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen, en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het; vreest niet.

51
καιανεβηπροςαυτουςειςτοπλοιονκαιεκοπασενοανεμοςκαιλιανεκπερισσουενεαυτοιςεξισταντοκαιεθαυμαζον
STATEN

En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelven, en waren verwonderd.

52
ουγαρσυνηκανεπιτοιςαρτοιςηνγαρηκαρδιααυτωνπεπωρωμενη
STATEN

Want zij hadden niet gelet op het wonder der broden; want hun hart was verhard.

53
καιδιαπερασαντεςηλθονεπιτηνγηνγεννησαρετκαιπροσωρμισθησαν
STATEN

En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennésareth, en havenden aldaar.

54
καιεξελθοντωναυτωνεκτουπλοιουευθεωςεπιγνοντεςαυτον
STATEN

En als zij uit het schip gegaan waren, terstond werden zij Hem kennende.

55
περιδραμοντεςοληντηνπεριχωρονεκεινηνηρξαντοεπιτοιςκραββατοιςτουςκακωςεχονταςπεριφερεινοπουηκουονοτιεκειεστιν
STATEN

En het gehele omliggende land doorlopende, begonnen zij op beddekens degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse, waar zij hoorden, dat Hij was.

56
καιοπουανεισεπορευετοειςκωμαςηπολειςηαγρουςενταιςαγοραιςετιθουντουςασθενουνταςκαιπαρεκαλουναυτονινακαντουκρασπεδουτουιματιουαυτουαqωνταικαιοσοιανηπτοντοαυτουεσωζοντο
STATEN

En zo waar Hij kwam, in vlekken, of steden, of dorpen, daar legden zij de kranken op de markten, en baden Hem, dat zij maar den zoom Zijns kleeds aanraken mochten; en zovelen, als er Hem aanraakten, werden gezond.