Nun is in het Aramees vis en betekenisvol zoon/erfgenaam — Jozua ben Nun (Joz 1:1). Vijftig is het jobeljaar (Lev 25:10) en pinksterdag (Lev 23:16). De nun-gebogen-vorm wordt rabbijns gelezen als nederigheid; de lange sofit-nun als de trouw die tot het einde staat.
De Talmoed: de gebogen nun is de gevallene die opstaat, de rechte (sofit) is de rechtvaardige die staat. Psalm 145 mist in de Masoretische tekst een nun-vers — de rabbijnen zien dit als een bewuste weglating om de gevallen mens niet in woorden te laten struikelen.
Nun = vijftig, het pinkstergetal (Hand 2). Christelijk is nun het getal van de Geest die uitgestort wordt vijftig dagen na Pascha. BDB: nun als letter n; de rijkdom komt uit de woorden.
Paleo-nun 𐤍 is een ontkiemend zaad of een vis. Benner: seed, continue, heir. Dit sluit aan bij de naam "zoon/erfgenaam" en kleurt ben en nin (kleinzoon).
De nun staat voor nageslacht, toekomst, vermenigvuldiging. Uw naam zal niet vergaan is Gods belofte aan wie in Hem schuilt (Jes 56:5). Wat u zaait vandaag — in uw kinderen, uw woorden, uw trouw — draagt vrucht voorbij uw ogen. Niets in Gods Koninkrijk is verloren.