Tet opent tov (goed) — het eerste woord dat God over zijn schepping uitspreekt (Gen 1:4). De letter-vorm is een vat met gebogen rand: het goede is ingesloten, beschermd. Negen is bijna-volheid — zwangerschap duurt negen maanden, een opmaat naar de volheid van tien.
Rabbijnen: tet is het eerste goed in de Tora, maar komt pas op de dag van de watersplitsing — het goede heeft tijd nodig om te rijpen. De gebogen vorm van ט wordt gelezen als een baarmoeder: het goede wordt eerst verborgen gedragen, dan pas geboren.
De zeven keer ki tov in Genesis 1 vormen de ritmestok van de schepping. Christelijk: Jezus noemt zichzelf de goede Herder (Joh 10:11) — het oud-Griekse kalos vangt iets van tov. BDB ziet tet als een emphatische t zonder aparte theologie.
Paleo-tet 𐤈 wordt als gevlochten mand of opgerolde slang gelezen. Benner: basket, contain, store, surround. De koppeling aan tov is hier pictografisch speculatief maar klankrijk.
Tov — goed. De tet is verborgen, omgekruld naar binnen. Gods goedheid is vaak niet spectaculair; ze is stil, traag, trouw. Jozef zei tegen zijn broers: gij hebt kwaad tegen mij gedacht; God heeft dat ten goede gedacht (Gen 50:20). Achter elk verhaal: tet. Iets goeds, verborgen, dat God uitwerkt.