= cl., (Ruth., , 66), καταπτύω NPhr. : c. dat., ; seq. , . Pass., .† to spit upon Mk 10:34 14:65 15:19 Mt 26:67 27:30 Lk 18:32 εἰς
Strong G1716
spit at or on
to spit at or on
Glosses per perspectief
Bijbels4 glosses
bespuwen, worden, bespogen, hebbende, zij
I spit upon.
to spit on/at
Traditioneel-Christelijk2 glosses
to spit at or on
spit (upon)
Vergelijkend-wetenschappelijk1 gloss
ἐμ-πτύω [in LXX: before εἰς, Num.12:14 A, Deu.25:9 (יָרָק)* ;] = cl., καταπτύω (Ruth., NPhr., 66), to spit upon: with dative, Mrk.10:34 14:65 15:19; before εἰς, Mat.26:67 27:30. Pass., Luk.18:32.† (AS)
Verwante woorden
Woorden met dezelfde consonantale wortel. Vink aan om hun vindplaatsen mee te tellen.
Vindplaatsen per boek
46× totaalVerdeling over Bijbelboeken
Studie
……
Notities laden…