HANDELINGEN

Handelingen 1

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
τονμενπρωτονλογονεποιησαμηνπεριπαντωνωθεοφιλεωνηρξατοοιησουςποιειντεκαιδιδασκειν
STATEN

Het eerste boek heb ik gemaakt, o Théofilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren;

2
αχριηςημεραςεντειλαμενοςτοιςαποστολοιςδιαπνευματοςαγιουουςεξελεξατοανεληφθη
STATEN

Tot op den dag, in welken Hij opgenomen is, nadat Hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven.

3
οιςκαιπαρεστησενεαυτονζωνταμετατοπαθειναυτονενπολλοιςτεκμηριοιςδιημερωντεσσαρακονταοπτανομενοςαυτοιςκαιλεγωνταπεριτηςβασιλειαςτουθεου
STATEN

Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.

4
καισυναλιζομενοςμεταυτωνπαρηγγειλεναυτοιςαποιεροσολυμωνμηχωριζεσθαιαλλαπεριμενειντηνεπαγγελιαντουπατροςηνηκουσατεμου
STATEN

En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij, zeide Hij, van Mij gehoord hebt.

5
οτιιωαννηςμενεβαπτισενυδατιυμειςδεβαπτισθησεσθεενπνευματιαγιωουμεταπολλαςταυταςημερας
STATEN

Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.

6
οιμενουνσυνελθοντεςεπηρωτωναυτονλεγοντεςκυριεειεντωχρονωτουτωαποκαθιστανειςτηνβασιλειαντωισραηλ
STATEN

Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?

7
ειπενδεπροςαυτουςουχυμωνεστινγνωναιχρονουςηκαιρουςουςοπατηρεθετοεντηιδιαεξουσια
STATEN

En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;

8
αλλαληqεσθεδυναμινεπελθοντοςτουαγιουπνευματοςεφυμαςκαιεσεσθεμοιμαρτυρεςεντειερουσαλημκαιενπασητηιουδαιακαισαμαρειακαιεωςεσχατουτηςγης
STATEN

Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.

9
καιταυταειπωνβλεποντωναυτωνεπηρθηκαινεφεληυπελαβεναυτοναποτωνοφθαλμωναυτων
STATEN

En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.

10
καιωςατενιζοντεςησανειςτονουρανονπορευομενουαυτουκαιιδουανδρεςδυοπαρειστηκεισαναυτοιςενεσθητιλευκη
STATEN

En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;

11
οικαιειπονανδρεςγαλιλαιοιτιεστηκατεεμβλεποντεςειςτονουρανονουτοςοιησουςοαναληφθειςαφυμωνειςτονουρανονουτωςελευσεταιοντροπονεθεασασθεαυτονπορευομενονειςτονουρανον
STATEN

Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.

12
τοτευπεστρεqανειςιερουσαλημαποορουςτουκαλουμενουελαιωνοςοεστινεγγυςιερουσαλημσαββατουεχονοδον
STATEN

Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van den berg, die genaamd wordt de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.

13
καιοτεεισηλθονανεβησανειςτουπερωονουησανκαταμενοντεςοτεπετροςκαιιακωβοςκαιιωαννηςκαιανδρεαςφιλιπποςκαιθωμαςβαρθολομαιοςκαιματθαιοςιακωβοςαλφαιουκαισιμωνοζηλωτηςκαιιουδαςιακωβου
STATEN

En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andréas, Filippus en Thomas, Bartholoméüs en Matthéüs, Jakobus, de zoon van Alféüs, en Simon Zelótes, en Judas, de broeder van Jakobus.

14
ουτοιπαντεςησανπροσκαρτερουντεςομοθυμαδοντηπροσευχηκαιτηδεησεισυνγυναιξινκαιμαριατημητριτουιησουκαισυντοιςαδελφοιςαυτου
STATEN

Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broederen.

15
καιενταιςημεραιςταυταιςανασταςπετροςενμεσωτωνμαθητωνειπενηντεοχλοςονοματωνεπιτοαυτοωςεκατονεικοσιν
STATEN

En in dezelve dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak (er was nu een schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen):

16
ανδρεςαδελφοιεδειπληρωθηναιτηνγραφηνταυτηνηνπροειπεντοπνευματοαγιονδιαστοματοςδαβιδπεριιουδατουγενομενουοδηγουτοιςσυλλαβουσιντονιησουν
STATEN

Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen, die Jezus vingen;

17
οτικατηριθμημενοςηνσυνημινκαιελαχεντονκληροντηςδιακονιαςταυτης
STATEN

Want hij was met ons gerekend, en had het lot dezer bediening verkregen.

18
ουτοςμενουνεκτησατοχωριονεκτουμισθουτηςαδικιαςκαιπρηνηςγενομενοςελακησενμεσοςκαιεξεχυθηπαντατασπλαγχνααυτου
STATEN

Deze dan heeft verworven een akker, door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.

19
καιγνωστονεγενετοπασιντοιςκατοικουσινιερουσαλημωστεκληθηναιτοχωριονεκεινοτηιδιαδιαλεκτωαυτωνακελδαματουτεστινχωριοναιματος
STATEN

En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds.

20
γεγραπταιγαρενβιβλωqαλμωνγενηθητωηεπαυλιςαυτουερημοςκαιμηεστωοκατοικωνεναυτηκαιτηνεπισκοπηναυτουλαβοιετερος
STATEN

Want er staat geschreven in het boek der Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelve wone. En: Een ander neme zijn opzienersambt.

21
δειουντωνσυνελθοντωνημινανδρωνενπαντιχρονωενωεισηλθενκαιεξηλθενεφημαςοκυριοςιησους
STATEN

Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd, in welken de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is,

22
αρξαμενοςαποτουβαπτισματοςιωαννουεωςτηςημεραςηςανεληφθηαφημωνμαρτυρατηςαναστασεωςαυτουγενεσθαισυνημινενατουτων
STATEN

Beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe, in welken Hij van ons opgenomen is, één derzelven met ons getuige worde van Zijn opstanding.

23
καιεστησανδυοιωσηφτονκαλουμενονβαρσαβανοςεπεκληθηιουστοςκαιματθιαν
STATEN

En zij stelden er twee, Jozef, genaamd Bársabas, die toegenaamd was Justus, en Matthías.

24
καιπροσευξαμενοιειπονσυκυριεκαρδιογνωσταπαντωναναδειξονεκτουτωντωνδυοονεναεξελεξω
STATEN

En zij baden en zeiden: Gij Heere! Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, dien Gij uitverkoren hebt;

25
λαβειντονκληροντηςδιακονιαςταυτηςκαιαποστοληςεξηςπαρεβηιουδαςπορευθηναιειςτοντοποντονιδιον
STATEN

Om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats.

26
καιεδωκανκληρουςαυτωνκαιεπεσενοκληροςεπιματθιανκαισυγκατεqηφισθημετατωνενδεκααποστολων
STATEN

En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthías, en hij werd met gemene toestemming tot de elf apostelen gekozen.