HANDELINGEN

Handelingen 17

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
διοδευσαντεςδετηναμφιπολινκαιαπολλωνιανηλθονειςθεσσαλονικηνοπουηνησυναγωγητωνιουδαιων
STATEN

En door Amfípolis en Apollónia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessaloníca, alwaar een synagoge der Joden was.

2
καταδετοειωθοςτωπαυλωεισηλθενπροςαυτουςκαιεπισαββατατριαδιελεγετοαυτοιςαποτωνγραφων
STATEN

En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,

3
διανοιγωνκαιπαρατιθεμενοςοτιτονχριστονεδειπαθεινκαιαναστηναιεκνεκρωνκαιοτιουτοςεστινοχριστοςιησουςονεγωκαταγγελλωυμιν
STATEN

Dezelve openende, en voor ogen stellende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Dien ik, zeide hij, ulieden verkondige.

4
καιτινεςεξαυτωνεπεισθησανκαιπροσεκληρωθησαντωπαυλωκαιτωσιλατωντεσεβομενωνελληνωνπολυπληθοςγυναικωντετωνπρωτωνουκολιγαι
STATEN

En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.

5
ζηλωσαντεςδεοιαπειθουντεςιουδαιοικαιπροσλαβομενοιτωναγοραιωντιναςανδραςπονηρουςκαιοχλοποιησαντεςεθορυβουντηνπολινεπισταντεςτετηοικιαιασονοςεζητουναυτουςαγαγεινειςτονδημον
STATEN

Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.

6
μηευροντεςδεαυτουςεσυροντονιασονακαιτιναςαδελφουςεπιτουςπολιταρχαςβοωντεςοτιοιτηνοικουμενηναναστατωσαντεςουτοικαιενθαδεπαρεισιν
STATEN

En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten der stad, roepende: Dezen, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen;

7
ουςυποδεδεκταιιασωνκαιουτοιπαντεςαπεναντιτωνδογματωνκαισαροςπραττουσινβασιλεαλεγοντεςετερονειναιιησουν
STATEN

Welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle dezen doen tegen de geboden des keizers, zeggende, dat er een andere Koning is, namelijk Jezus.

8
εταραξανδετονοχλονκαιτουςπολιταρχαςακουονταςταυτα
STATEN

En zij beroerden de schare, en de oversten der stad, die dit hoorden.

9
καιλαβοντεςτοικανονπαρατουιασονοςκαιτωνλοιπωναπελυσαναυτους
STATEN

Doch als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen gaan.

10
οιδεαδελφοιευθεωςδιατηςνυκτοςεξεπεμqαντοντεπαυλονκαιτονσιλανειςβεροιανοιτινεςπαραγενομενοιειςτηνσυναγωγηντωνιουδαιωναπηεσαν
STATEN

En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Beréa; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden;

11
ουτοιδεησανευγενεστεροιτωνενθεσσαλονικηοιτινεςεδεξαντοτονλογονμεταπασηςπροθυμιαςτοκαθημερανανακρινοντεςταςγραφαςειεχοιταυταουτως
STATEN

En dezen waren edeler, dan die te Thessaloníca waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.

12
πολλοιμενουνεξαυτωνεπιστευσανκαιτωνελληνιδωνγυναικωντωνευσχημονωνκαιανδρωνουκολιγοι
STATEN

Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse eerlijke vrouwen en van de mannen niet weinige.

13
ωςδεεγνωσανοιαποτηςθεσσαλονικηςιουδαιοιοτικαιεντηβεροιακατηγγεληυποτουπαυλουολογοςτουθεουηλθονκακεισαλευοντεςτουςοχλους
STATEN

Maar als de Joden van Thessaloníca verstonden, dat het Woord Gods ook te Beréa van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen.

14
ευθεωςδετοτετονπαυλονεξαπεστειλανοιαδελφοιπορευεσθαιωςεπιτηνθαλασσανυπεμενονδεοτεσιλαςκαιοτιμοθεοςεκει
STATEN

Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timótheüs bleven aldaar.

15
οιδεκαθιστωντεςτονπαυλονηγαγοναυτονεωςαθηνωνκαιλαβοντεςεντοληνπροςτονσιλανκαιτιμοθεονιναωςταχισταελθωσινπροςαυτονεξηεσαν
STATEN

En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athéne toe; en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timótheüs, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij.

16
ενδεταιςαθηναιςεκδεχομενουαυτουςτουπαυλουπαρωξυνετοτοπνευμααυτουεναυτωθεωρουντικατειδωλονουσαντηνπολιν
STATEN

En terwijl Paulus hen te Athéne verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende, dat de stad zo zeer afgodisch was.

17
διελεγετομενουνεντησυναγωγητοιςιουδαιοιςκαιτοιςσεβομενοιςκαιεντηαγορακαταπασανημερανπροςτουςπαρατυγχανοντας
STATEN

Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt allen dag met degenen, die hem voorkwamen.

18
τινεςδετωνεπικουρειωνκαιτωνστωικωνφιλοσοφωνσυνεβαλλοναυτωκαιτινεςελεγοντιανθελοιοσπερμολογοςουτοςλεγεινοιδεξενωνδαιμονιωνδοκεικαταγγελευςειναιοτιτονιησουνκαιτηναναστασιναυτοιςευηγγελιζετο
STATEN

En sommigen van de Epikuréïsche en Stóïsche wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde.

19
επιλαβομενοιτεαυτουεπιτοναρειονπαγονηγαγονλεγοντεςδυναμεθαγνωναιτιςηκαινηαυτηηυποσουλαλουμενηδιδαχη
STATEN

En zij namen hem, en brachten hem op de plaats, genaamd Areópagus, zeggende: Kunnen wij niet weten, welke deze nieuwe leer zij, daar gij van spreekt?

20
ξενιζονταγαρτιναεισφερειςειςταςακοαςημωνβουλομεθαουνγνωναιτιανθελοιταυταειναι
STATEN

Want gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten, wat toch dit zijn wil.

21
αθηναιοιδεπαντεςκαιοιεπιδημουντεςξενοιειςουδενετερονευκαιρουνηλεγειντικαιακουεινκαινοτερον
STATEN

(Die van Athéne nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen.)

22
σταθειςδεοπαυλοςενμεσωτουαρειουπαγουεφηανδρεςαθηναιοικαταπανταωςδεισιδαιμονεστερουςυμαςθεωρω
STATEN

En Paulus, staande in het midden van de plaats, genaamd Areópagus, zeide: Gij mannen van Athéne! ik bemerke, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt.

23
διερχομενοςγαρκαιαναθεωρωντασεβασματαυμωνευρονκαιβωμονενωεπεγεγραπτοαγνωστωθεωονουναγνοουντεςευσεβειτετουτονεγωκαταγγελλωυμιν
STATEN

Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Dezen dan, Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.

24
οθεοςοποιησαςτονκοσμονκαιπανταταεναυτωουτοςουρανουκαιγηςκυριοςυπαρχωνουκενχειροποιητοιςναοιςκατοικει
STATEN

De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;

25
ουδευποχειρωνανθρωπωνθεραπευεταιπροσδεομενοςτινοςαυτοςδιδουςπασινζωηνκαιπνοηνκαιταπαντα
STATEN

En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven, en den adem, en alle dingen geeft;

26
εποιησεντεεξενοςαιματοςπανεθνοςανθρωπωνκατοικεινεπιπαντοπροσωποντηςγηςορισαςπροτεταγμενουςκαιρουςκαιταςοροθεσιαςτηςκατοικιαςαυτων
STATEN

En heeft uit één bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op den gehelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hun woning;

27
ζητειντονκυριονειαραγεqηλαφησειαναυτονκαιευροιενκαιτοιγεουμακραναποενοςεκαστουημωνυπαρχοντα
STATEN

Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons.

28
εναυτωγαρζωμενκαικινουμεθακαιεσμενωςκαιτινεςτωνκαθυμαςποιητωνειρηκασιντουγαρκαιγενοςεσμεν
STATEN

Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.

29
γενοςουνυπαρχοντεςτουθεουουκοφειλομεννομιζεινχρυσωηαργυρωηλιθωχαραγματιτεχνηςκαιενθυμησεωςανθρωπουτοθειονειναιομοιον
STATEN

Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn.

30
τουςμενουνχρονουςτηςαγνοιαςυπεριδωνοθεοςτανυνπαραγγελλειτοιςανθρωποιςπασινπανταχουμετανοειν
STATEN

God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren.

31
διοτιεστησενημερανενημελλεικρινειντηνοικουμενηνενδικαιοσυνηενανδριωωρισενπιστινπαρασχωνπασιναναστησαςαυτονεκνεκρων
STATEN

Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.

32
ακουσαντεςδεαναστασιννεκρωνοιμενεχλευαζονοιδεειπονακουσομεθασουπαλινπεριτουτου
STATEN

Als zij nu van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmede; en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan horen.

33
καιουτωςοπαυλοςεξηλθενεκμεσουαυτων
STATEN

En alzo is Paulus uit het midden van hen uitgegaan.

34
τινεςδεανδρεςκολληθεντεςαυτωεπιστευσανενοιςκαιδιονυσιοςοαρεοπαγιτηςκαιγυνηονοματιδαμαριςκαιετεροισυναυτοις
STATEN

Doch sommige mannen hingen hem aan, en geloofden; onder welke was ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, met name Dámaris, en anderen met dezelve.