HANDELINGEN

Handelingen 12

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
κατεκεινονδετονκαιρονεπεβαλενηρωδηςοβασιλευςταςχειραςκακωσαιτιναςτωναποτηςεκκλησιας
STATEN

En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Heródes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen.

2
ανειλενδειακωβοντοναδελφονιωαννουμαχαιρα
STATEN

En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard.

3
καιιδωνοτιαρεστονεστιντοιςιουδαιοιςπροσεθετοσυλλαβεινκαιπετρονησανδεημεραιτωναζυμων
STATEN

En toen hij zag, dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort, om ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der ongehevelde broden);

4
ονκαιπιασαςεθετοειςφυλακηνπαραδουςτεσσαρσιντετραδιοιςστρατιωτωνφυλασσειναυτονβουλομενοςμετατοπασχααναγαγειναυτοντωλαω
STATEN

Denwelken ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende na het paasfeest hem voorbrengen voor het volk.

5
ομενουνπετροςετηρειτοεντηφυλακηπροσευχηδεηνεκτενηςγινομενηυποτηςεκκλησιαςπροςτονθεονυπεραυτου
STATEN

Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de Gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.

6
οτεδεεμελλεναυτονπροαγεινοηρωδηςτηνυκτιεκεινηηνοπετροςκοιμωμενοςμεταξυδυοστρατιωτωνδεδεμενοςαλυσεσινδυσινφυλακεςτεπροτηςθυραςετηρουντηνφυλακην
STATEN

Toen hem nu Heródes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelfden nacht tussen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis.

7
καιιδουαγγελοςκυριουεπεστηκαιφωςελαμqενεντωοικηματιπαταξαςδετηνπλευραντουπετρουηγειρεναυτονλεγωνανασταενταχεικαιεξεπεσοναυτουαιαλυσειςεκτωνχειρων
STATEN

En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. En zijn ketenen vielen af van de handen.

8
ειπεντεοαγγελοςπροςαυτονπεριζωσαικαιυποδησαιτασανδαλιασουεποιησενδεουτωςκαιλεγειαυτωπεριβαλουτοιματιονσουκαιακολουθειμοι
STATEN

En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij.

9
καιεξελθωνηκολουθειαυτωκαιουκηδειοτιαληθεςεστιντογινομενονδιατουαγγελουεδοκειδεοραμαβλεπειν
STATEN

En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.

10
διελθοντεςδεπρωτηνφυλακηνκαιδευτερανηλθονεπιτηνπυληντηνσιδηραντηνφερουσανειςτηνπολινητιςαυτοματηηνοιχθηαυτοιςκαιεξελθοντεςπροηλθονρυμηνμιανκαιευθεωςαπεστηοαγγελοςαπαυτου
STATEN

En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; dewelke van zelve hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en terstond scheidde de engel van hem.

11
καιοπετροςγενομενοςενεαυτωειπεννυνοιδααληθωςοτιεξαπεστειλενκυριοςτοναγγελοναυτουκαιεξειλετομεεκχειροςηρωδουκαιπασηςτηςπροσδοκιαςτουλαουτωνιουδαιων
STATEN

En Petrus, tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Heródes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.

12
συνιδωντεηλθενεπιτηνοικιανμαριαςτηςμητροςιωαννουτουεπικαλουμενουμαρκουουησανικανοισυνηθροισμενοικαιπροσευχομενοι
STATEN

En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren.

13
κρουσαντοςδετουπετρουτηνθυραντουπυλωνοςπροσηλθενπαιδισκηυπακουσαιονοματιροδη
STATEN

En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam een dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhodé.

14
καιεπιγνουσατηνφωνηντουπετρουαποτηςχαραςουκηνοιξεντονπυλωναεισδραμουσαδεαπηγγειλενεσταναιτονπετρονπροτουπυλωνος
STATEN

En zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte, dat Petrus voor aan de voorpoort stond.

15
οιδεπροςαυτηνειπονμαινηηδεδιισχυριζετοουτωςεχεινοιδελεγονοαγγελοςαυτουεστιν
STATEN

En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef er sterk bij, dat het alzo was. En zij zeiden: Het is zijn engel.

16
οδεπετροςεπεμενενκρουωνανοιξαντεςδεειδοναυτονκαιεξεστησαν
STATEN

Maar Petrus bleef kloppende; en als zij opengedaan hadden, zagen zij hem, en ontzetten zich.

17
κατασεισαςδεαυτοιςτηχειρισιγανδιηγησατοαυτοιςπωςοκυριοςαυτονεξηγαγενεκτηςφυλακηςειπενδεαπαγγειλατειακωβωκαιτοιςαδελφοιςταυτακαιεξελθωνεπορευθηειςετεροντοπον
STATEN

En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Boodschapt dit aan Jakobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats.

18
γενομενηςδεημεραςηνταραχοςουκολιγοςεντοιςστρατιωταιςτιαραοπετροςεγενετο
STATEN

En als het dag was geworden, was er geen kleine beroerte onder de krijgsknechten, wat toch aan Petrus mocht geschied zijn.

19
ηρωδηςδεεπιζητησαςαυτονκαιμηευρωνανακριναςτουςφυλακαςεκελευσεναπαχθηναικαικατελθωναποτηςιουδαιαςειςτηνκαισαρειανδιετριβεν
STATEN

En als Heródes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters rechtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judéa naar Cesaréa, en hield zich aldaar.

20
ηνδεοηρωδηςθυμομαχωντυριοιςκαισιδωνιοιςομοθυμαδονδεπαρησανπροςαυτονκαιπεισαντεςβλαστοντονεπιτουκοιτωνοςτουβασιλεωςητουντοειρηνηνδιατοτρεφεσθαιαυτωντηνχωραναποτηςβασιλικης
STATEN

En Heródes had in den zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen; maar zij kwamen eendrachtelijk tot hem, en Blastus, die des konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des konings land.

21
τακτηδεημεραοηρωδηςενδυσαμενοςεσθηταβασιλικηνκαικαθισαςεπιτουβηματοςεδημηγορειπροςαυτους
STATEN

En op een gezetten dag, Heródes, een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen.

22
οδεδημοςεπεφωνειθεουφωνηκαιουκανθρωπου
STATEN

En het volk riep hem toe: Een stem Gods, en niet eens mensen!

23
παραχρημαδεεπαταξεναυτοναγγελοςκυριουανθωνουκεδωκεντηνδοξαντωθεωκαιγενομενοςσκωληκοβρωτοςεξεqυξεν
STATEN

En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest.

24
οδελογοςτουθεουηυξανενκαιεπληθυνετο
STATEN

En het Woord Gods wies, en vermenigvuldigde.

25
βαρναβαςδεκαισαυλοςυπεστρεqανεξιερουσαλημπληρωσαντεςτηνδιακονιανσυμπαραλαβοντεςκαιιωαννηντονεπικληθενταμαρκον
STATEN

Bárnabas nu en Saulus keerden wederom van Jeruzalem, als zij den dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus.