HANDELINGEN

Handelingen 8

Πράξεις τῶν Ἀποστόλων
Hoofdstukken (28)
12345678910111213141516171819202122232425262728
Getuigen
Interlineair
1
σαυλοςδεηνσυνευδοκωντηαναιρεσειαυτουεγενετοδεενεκεινητηημεραδιωγμοςμεγαςεπιτηνεκκλησιαντηνενιεροσολυμοιςπαντεςτεδιεσπαρησανκαταταςχωραςτηςιουδαιαςκαισαμαρειαςπληντωναποστολων
STATEN

En Saulus had mede een welbehagen aan zijn dood. En er werd te dien dage een grote vervolging tegen de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judéa en Samaría, behalve de apostelen.

2
συνεκομισανδετονστεφανονανδρεςευλαβειςκαιεποιησαντοκοπετονμεγανεπαυτω
STATEN

En enige godvruchtige mannen droegen Stéfanus te zamen ten grave, en maakten groten rouw over hem.

3
σαυλοςδεελυμαινετοτηνεκκλησιανκατατουςοικουςεισπορευομενοςσυρωντεανδραςκαιγυναικαςπαρεδιδουειςφυλακην
STATEN

En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis.

4
οιμενουνδιασπαρεντεςδιηλθονευαγγελιζομενοιτονλογον
STATEN

Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord.

5
φιλιπποςδεκατελθωνειςπολιντηςσαμαρειαςεκηρυσσεναυτοιςτονχριστον
STATEN

En Filippus kwam af in de stad van Samaría, en predikte hun Christus.

6
προσειχοντεοιοχλοιτοιςλεγομενοιςυποτουφιλιππουομοθυμαδονεντωακουειναυτουςκαιβλεπειντασημειααεποιει
STATEN

En de scharen hielden zich eendrachtelijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, dewijl zij hoorden en zagen de tekenen, die hij deed.

7
πολλωνγαρτωνεχοντωνπνευματαακαθαρταβοωνταμεγαληφωνηεξηρχετοπολλοιδεπαραλελυμενοικαιχωλοιεθεραπευθησαν
STATEN

Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen dezelve uit, roepende met grote stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen.

8
καιεγενετοχαραμεγαληεντηπολειεκεινη
STATEN

En er werd grote blijdschap in die stad.

9
ανηρδετιςονοματισιμωνπρουπηρχενεντηπολειμαγευωνκαιεξιστωντοεθνοςτηςσαμαρειαςλεγωνειναιτιναεαυτονμεγαν
STATEN

En een zeker man, met name Simon, was te voren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaría, zeggende van zichzelven, dat hij wat groots was.

10
ωπροσειχονπαντεςαπομικρουεωςμεγαλουλεγοντεςουτοςεστινηδυναμιςτουθεουημεγαλη
STATEN

Welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den grote, zeggende: Deze is de grote kracht Gods.

11
προσειχονδεαυτωδιατοικανωχρονωταιςμαγειαιςεξεστακεναιαυτους
STATEN

En zij hingen hem aan, omdat hij een langen tijd met toverijen hun zinnen verrukt had.

12
οτεδεεπιστευσαντωφιλιππωευαγγελιζομενωταπεριτηςβασιλειαςτουθεουκαιτουονοματοςτουιησουχριστουεβαπτιζοντοανδρεςτεκαιγυναικες
STATEN

Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden, mannen en vrouwen.

13
οδεσιμωνκαιαυτοςεπιστευσενκαιβαπτισθειςηνπροσκαρτερωντωφιλιππωθεωρωντεδυναμειςκαισημειαγινομεναεξιστατο
STATEN

En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de tekenen en grote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich.

14
ακουσαντεςδεοιενιεροσολυμοιςαποστολοιοτιδεδεκταιησαμαρειατονλογοντουθεουαπεστειλανπροςαυτουςτονπετρονκαιιωαννην
STATEN

Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaría het Woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes;

15
οιτινεςκαταβαντεςπροσηυξαντοπεριαυτωνοπωςλαβωσινπνευμααγιον
STATEN

Dewelken, afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten.

16
ουπωγαρηνεπουδενιαυτωνεπιπεπτωκοςμονονδεβεβαπτισμενοιυπηρχονειςτοονοματουκυριουιησου
STATEN

(Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den Naam van den Heere Jezus.)

17
τοτεεπετιθουνταςχειραςεπαυτουςκαιελαμβανονπνευμααγιον
STATEN

Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest.

18
θεασαμενοςδεοσιμωνοτιδιατηςεπιθεσεωςτωνχειρωντωναποστολωνδιδοταιτοπνευματοαγιονπροσηνεγκεναυτοιςχρηματα
STATEN

En als Simon zag, dat, door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan,

19
λεγωνδοτεκαμοιτηνεξουσιανταυτηνιναωεανεπιθωταςχειραςλαμβανηπνευμααγιον
STATEN

Zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat, zo wien ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvange.

20
πετροςδεειπενπροςαυτοντοαργυριονσουσυνσοιειηειςαπωλειανοτιτηνδωρεαντουθεουενομισαςδιαχρηματωνκτασθαι
STATEN

Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!

21
ουκεστινσοιμεριςουδεκληροςεντωλογωτουτωηγαρκαρδιασουουκεστινευθειαενωπιοντουθεου
STATEN

Gij hebt geen deel noch lot in dit woord: want uw hart is niet recht voor God.

22
μετανοησονουναποτηςκακιαςσουταυτηςκαιδεηθητιτουθεουειαρααφεθησεταισοιηεπινοιατηςκαρδιαςσου
STATEN

Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd.

23
ειςγαρχοληνπικριαςκαισυνδεσμοναδικιαςορωσεοντα
STATEN

Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid.

24
αποκριθειςδεοσιμωνειπενδεηθητευμειςυπερεμουπροςτονκυριονοπωςμηδενεπελθηεπεμεωνειρηκατε
STATEN

Doch Simon, antwoordende, zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.

25
οιμενουνδιαμαρτυραμενοικαιλαλησαντεςτονλογοντουκυριουυπεστρεqανειςιερουσαλημπολλαςτεκωμαςτωνσαμαρειτωνευηγγελισαντο
STATEN

Zij dan nu, als zij het Woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden wederom naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele vlekken der Samaritanen.

26
αγγελοςδεκυριουελαλησενπροςφιλιππονλεγωναναστηθικαιπορευουκαταμεσημβριανεπιτηνοδοντηνκαταβαινουσαναποιερουσαλημειςγαζαναυτηεστινερημος
STATEN

En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op den weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.

27
καιανασταςεπορευθηκαιιδουανηραιθιοqευνουχοςδυναστηςκανδακηςτηςβασιλισσηςαιθιοπωνοςηνεπιπασηςτηςγαζηςαυτηςοςεληλυθειπροσκυνησωνειςιερουσαλημ
STATEN

En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candacé, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem;

28
ηντευποστρεφωνκαικαθημενοςεπιτουαρματοςαυτουανεγινωσκεντονπροφητηνησαιαν
STATEN

En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.

29
ειπενδετοπνευματωφιλιππωπροσελθεκαικολληθητιτωαρματιτουτω
STATEN

En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij dezen wagen.

30
προσδραμωνδεοφιλιπποςηκουσεναυτουαναγινωσκοντοςτονπροφητηνησαιανκαιειπεναραγεγινωσκειςααναγινωσκεις
STATEN

En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?

31
οδεειπενπωςγαρανδυναιμηνεανμητιςοδηγησημεπαρεκαλεσεντετονφιλιπποναναβαντακαθισαισυναυτω
STATEN

En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten.

32
ηδεπεριοχητηςγραφηςηνανεγινωσκενηναυτηωςπροβατονεπισφαγηνηχθηκαιωςαμνοςεναντιοντουκειροντοςαυτοναφωνοςουτωςουκανοιγειτοστομααυτου
STATEN

En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.

33
εντηταπεινωσειαυτουηκρισιςαυτουηρθητηνδεγενεαναυτουτιςδιηγησεταιοτιαιρεταιαποτηςγηςηζωηαυτου
STATEN

In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.

34
αποκριθειςδεοευνουχοςτωφιλιππωειπενδεομαισουπεριτινοςοπροφητηςλεγειτουτοπεριεαυτουηπεριετερουτινος
STATEN

En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?

35
ανοιξαςδεοφιλιπποςτοστομααυτουκαιαρξαμενοςαποτηςγραφηςταυτηςευηγγελισατοαυτωτονιησουν
STATEN

En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.

36
ωςδεεπορευοντοκατατηνοδονηλθονεπιτιυδωρκαιφησινοευνουχοςιδουυδωρτικωλυειμεβαπτισθηναι
STATEN

En alzo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?

37

ειπεν δε ο φιλιππος ει πιστευεις εξ ολης της καρδιας εξεστιν αποκριθεις δε ειπεν πιστευω τον υιον του θεου ειναι τον ιησουν χριστον

STATEN

En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.

38
καιεκελευσενστηναιτοαρμακαικατεβησαναμφοτεροιειςτουδωροτεφιλιπποςκαιοευνουχοςκαιεβαπτισεναυτον
STATEN

En hij gebood den wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.

39
οτεδεανεβησανεκτουυδατοςπνευμακυριουηρπασεντονφιλιππονκαιουκειδεναυτονουκετιοευνουχοςεπορευετογαρτηνοδοναυτουχαιρων
STATEN

En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.

40
φιλιπποςδεευρεθηειςαζωτονκαιδιερχομενοςευηγγελιζετοταςπολειςπασαςεωςτουελθειναυτονειςκαισαρειαν
STATEN

Maar Filippus werd gevonden, te Azôte; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesaréa kwam.